Herbert Immer Willems
Olieverfschilderijen

Click here to edit subtitle

1.                                                                                                                Over de 'heemding'

 

Bestaat het woord 'ontheemding' wel, het woord 'heemding' komt in het Nederlands niet voor. Net als bijvoorbeeld 'onthoofding' voorkomt, maar 'hoofding' niet. Ook 'lasting' en 'manteling' niet om er nog enkele uit vele te noemen.

Duitsers hebben echter voor dat 'heemding' een goed Duits woord: 'Heimkehr'. Het thuiskomen! Dat wordt doorgaans overdrachtelijk bedoeld, ongeveer zoals de Engelse filosoof Roger Scruton erover spreekt in zijn interview met Wim Kayzer voor de VPRO-serie 'Van de schoonheid en de troost'.

Scruton zegt daarin: De moderne mens is genomadiseerd, een nomade geworden. Een verdeelde, gespleten zwerver. We gaan van plek naar plek, van relatie naar relatie, van vermaak naar vermaak met steeds kortere tussenpozen. Niets lijkt ons nog te kunnen binden aan één plek. Altijd maar bewegen. Ook altijd alles maar willen delen. Niet alleen via de sociale media, waar het niveau van de communicatie niet zelden bijna hilarisch platvloers en nietszeggend is, maar ook blijkend uit de drang waarmee we ons via de media willen presenteren, bijna pathologisch willen laten zien 'aan gans het volk', op welke manier dan ook. In niets lijken we nog 'heel' te zijn. Alles wordt gedeeld, alles is versplinterd, gefragmenteerd.

Het verlangen naar een staat van natuurlijke zuiverheid en eenheid, van verzoening, rust en harmonie, dát is wat Scruton en vóór hem de Duitse romantische dichter en idealistische filosoof Friedrich Hölderlin, die uitgebreid over die 'Heimkehr' heeft gesproken, met die 'Heimkehr' bedoelen. En ik met 'heemding'!

Dat die 'Heimkehr', de heemding, oude wortels heeft wordt duidelijk gemaakt door de Odyssee. De problematische tocht van de Griek Odysseus naar huis, na de oorlog met Troje (rond 1185 vóór Chr.) en door Homerus zo beeldend beschreven in zijn Ilias (Troje). Dit verhaal laat zien dat écht thuiskomen niet zonder slag of stoot gaat. Zelfs na 20 jaar thuis gekomen, moet onze held de minnaars van zijn vrouw Penelope bevechten alvorens, rust, verzoening en het ware thuiskomen te kunnen ervaren. Zó kunnen we zijn tocht symbolisch zien als een strijd om onze eigen, onvervreemdbare bestemming en unieke plek in deze wereld te bereiken en te behouden.

In mijn werk probeer ik schilderkunstig aan dat Odysseaanse verlangen vorm te geven. Een verlangen, daarover geen misverstand, dat van alle tijden én van alle mensen is. Het is dat verlangen naar het opheffen van een gefragmenteerd bestaan, naar het vinden van een plek vol rust, harmonie en eenheid. Dat is het wáre thuiskomen, de ware heemding. Het schilderen van die heemding, het maken van werk waarin diezelfde gevoelens van heelheid, hechting en harmonie een boventoon voeren, dat is het doel van mijn werk, daar streef ik naar, dat zo zuiver en herkenbaar mogelijk uit te drukken.

2. Kunst beleven is op reis gaan. Elke reis is een omweg naar huis.

Een kunstenaar heeft de bedoeling je door zijn scheppend werk in contact te brengen met andere kanten van de jou bekende wereld. Of kanten van een voor jou onbekende wereld. Elke keer als je met zijn werk in contact komt beleef je dat als een tocht naar een vreemde, onbekende bestemming. De kunstenaar neemt je mee op zijn reis, naar zijn wereld. Je reist samen met hem het nieuwe en verrassende tegemoet.

 

Op reis gaan is één kant van het verhaal. Weer naar huis gaan is de andere kant. Wie op reis gaat heeft de bedoeling weer gezond en wel, met veel nieuwe indrukken en ervaringen, thuis te komen. De reis die je begint eindigt altijd weer thuis. Dat thuiskomen gaat op die manier via een omweg. In die omweg zit de winst: nieuwe ervaringen, vreemde indrukken, onbekende uitzichten, andere gebruiken en gewoonten. Je komt verrijkt terug. Maar terúg..., weer thuis! Thuiskomen maakt reizen mogelijk, zoals weggaan terugkomen mogelijk maakt, de nacht de dag en 'heen' niet zonder 'weer' kan! Kunnen thuiskomen is een noodzakelijke voorwaarde voor op reis gaan! Kunst en thuis zijn op die manier onlosmakelijk verbonden...

Bovenstaand werk heet 'Het thuiskomen'; het is de ene kant van het verhaal. Het had evengoed 'Op weg gaan' kunnen heten. Beide noties worden door het werk heel goed gesymboliseerd: op weg gaan én weer thuiskomen. Kunst voert je weg én brengt je weer thuis. Zoals je wegging kom je niet weer thuis, maar rijker, completer, ánders. Het pad lijkt hetzelfde te blijven, maar is dat natuurlijk nooit. Kunst verrijkt en maakt je wereld anders.

3. Het oog wil alles

'Het oog wil ook wat' is onjuist. Het oog wil álles! Sinds Molineux' experiment met een blinde weten we ongeveer dat er geen wereld is buiten de 'beoogde' wereld. Niet zien is niet (her)kennen. De Griekse denker Thales wist dat als geen ander. Keek naar de sterren buiten onze wereld en viel daardoor in een kuil, vlák voor zijn voeten, in onze wereld!

Het oog is gulzig en een 'rupsje Nooitgenoeg'. Kijken is pure wellust. Dat maakt gulzig. Kijken naar stoplichten of het toetsenbord is nuttig. Moét! Kijken naar kunst is de échte wellust. Mág! Alleen voor hooggeschoolden. Want kijken moet je leren. En alleen als je geschoold bent in het 'dagelijks kijken' kun je genieten van het kijken naar kunst. Kijken naar kunst komt na kijken naar het toetsenbord.

'Ik zie, ik zie wat jij niet ziet' is een  kinderspelletje. Zien maakt verschillend. Méér zien maakt compleet. Meer kunnen zien maakt hebberig en wil steeds meer. Wil eigenlijk alles! Kunst zien is meer zien. Je ziet wat anderen niet zien. Wie wil dat nou niet? Niet alleen schoonheid zit in het oog van de toeschouwer. De hele wereld, inclusief alles sterren, stoplichten en toetsenborden zitten er. Het oog wil alles. 'Oog, mijn oog' dicht Eddy Posthuma de Boer, 'optiek van al het zijn, ik kijk ermee, naar al het zoet, en het venijn.' (Raster 103, 2003)

'Ideale wereld binnen oogbereik' heet bovenstaand werk. Het oog weet alles te bereiken, weet alles te herscheppen. Het oog van de schilder is niet hetzelfde als het oog van de toeschouwer. Het oog van de schilder is het scheppende oog, het oog dat ziet waar nog niets is. Het oog van de toeschouwer is het registrerende oog, het oog dat ziet wat is. In een ideaal naderen ze elkaar. De schilder laat zijn gewenste wereld zien aan de toeschouwer die hier slechts over kon wensen en dromen, maar er nu dank zij zijn ogen naar kan kijken, het kan internaliseren, van zichzelf maken. Beide werelden overlappen elkaar in het maken en het kijken. Kunst verzoent. Kunst kan alles. Het oog kan alles. Het oog wil alles!

4. Schoonheid stilt de pijn

 

De Italiaanse wetenschapper Marina de Tommaso (Universiteit van Bari, Italië) heeft de invloed van schoonheid op de ervaring van pijn onderzocht. Driehonderd schilderijen van bekende meesters werden aan proefpersonen getoond, die ze beoordeelden in 'zeer mooi' (9 en 10 op een schaal van 10), 'neutraal'(5 a 6) of 'lelijk' (1 en 2). Daarna werden de proefpersonen pijnprikkels toegediend en lieten ze hen tegelijkertijd de door hen gekozen zeer mooie, neutrale en lelijke schilderijen zien in een willekeurige volgorde en op verschillende tijdstippen. Bleek elke keer dat de gevoelde fysieke pijn veel minder was bij het zien van de zeer mooie schilderijen en nauwelijks minder bij de lelijke. Een dergelijk verschijnsel zou niet alleen gelden voor fysieke pijn, maar ook voor mentale pijn, zielepijn. Alle pijn wordt in de hersenen namelijk door min of meer hetzelfde netwerk verwerkt en door dezelfde dingen gedempt. Schrijft hoogleraar Margriet Sitskoorn in haar boek 'Ik wil iets van jou, jij wilt iets van mij'.

Paracetamolletjes aan de kant, papieren zakdoekjes uit de weg, zalfjes en smeerseltjes in de kliko: schoonheid klaart de klus en geeft ons weer een goed gevoel en een blij gemoed. Bij eerdere onderzoeken naar het ideale schilderij is er niet uitgekomen welk soort schilderij het allermooist zou zijn, maar is wel gebleken dat de kleur blauw bij veel mensen in een schilderij als bijzonder mooi wordt ervaren. Uiteraard in combinatie met andere kleuren en even los van de precieze voorstelling. 

Blijkt wel weer dat kunst en schoonheid onvermoede krachten bezitten en voor iedereen heilzaam en versterkend zijn. Het bovenstaande 'Paard van Marken' is daar wellicht een mooi voorbeeld van.

5. Mooi is niet genoeg...

'Leuk is niet genoeg', zei de vader tegen zijn dochter, toen ze met een leuke jongen met sproeten en krullen thuiskwam. 'Hij mag wel iets méér zijn dan leuk alleen...'.

Voor kunst geldt iets soortgelijks. In ons kikkerlandje met meer dan 100.000 'thuisschilders', 'thuisbeeldhouwers' et cetera, wordt per jaar een indrukwekkende berg 'mooie dingen' gemaakt. En bij alle mogelijke gelegenheden waarbij dit aan den volke getoond kan worden hoor je: 'Mooi werk', 'Mooi gemaakt' en 'Mooi hoor...' Maar mooi is niet genoeg! Er moét iets meer zijn tussen het werk dat u ziet en u. Bij het zien van kunst moet de adem u even in de keel stokken, uit de mond getrokken worden. Even moet er, oog-in-oog met het voorwerp vóór u, een moment van ademloze sprakeloosheid zijn. Dié klik, dat signaal, dat 'moment sur place' verraadt dat u werkelijk tegenover iets 'moois' staat. Iets dat u overmeestert en even al het andere doet vergeten.

Echte kunst pleziert niet uitsluitend, is niet louter amusement en vermakelijk. Echte kunst moet u veroveren, bij wijze van spreken genadeloos overrompelen. Er blijft voldoende over om 'mooi' te vinden, van de stevige soep die oma altijd maakt tot en met de glossy opmaak van een magazine, van het Hollandse lenteweer tot en met het maken van een doelpunt. 'Mooi' is heel vaak prima, meer dan voldoende en om van te genieten. Maar voor kunst mag de lat iets hoger of misschien wel elders liggen. Uitsluitend mooi is voor haar niet genoeg.

 

6. 'Dat kan m'n jongste dochter ook...!'

Henry Moore (1898-1986), beroemd Engels beeldhouwer, stond eens naar een eigen werk te kijken toen een voorbijganger tegen hem zei 'Verdomd lelijk, nietwaar?' 'Zo heet het', antwoordde Moore heel gevat, 'wat vindt u er eigenlijk van?'

Kunstenaars hebben met de op- en aanmerkingen van het publiek te maken, een publiek dat vaak in zijn oordeel allesbehalve mild of genuanceerd is. Vaak wordt er van moderne of modern aandoende kunst gezegd: dat kan m'n kleine broertje ook, of woorden van gelijke strekking. Het werk van Mondriaan lijkt simpel, Rothko schilder je zo na om over het zwarte vierkant van Malevich maar helemaal te zwijgen.

Kunnen namaken is geen goed criterium om kunst te beoordelen. Op academies is naschilderen jarenlang een traditie geweest; op die manier kreeg je het handwerk van grote voorgangers in de vingers, dacht men. 'Fluisterhuizen' is niet moeilijker na te schilderen dan een late Mondriaan. En zelfs heeft iemand me eens gecomplimenteerd met m'n eigen werk, want 'het was zo vrolijk én makkelijk na te maken'! Waar het echter in de kunst om draait is het ontwerp, het disegno of de conceptuele kant van kunst maken. 'Fluisterhuizen' laat ons een aantal huizen zien die op een ongebruikelijke manier bij elkaar gebracht zijn. Ze zijn wat langgerekt en buigen naar elkaar toe om onderling hun kleine geheimen uit te wisselen. De kleuren zijn mild en bescheiden, de daken net hoofden. De achtergrond is donker en verlaten. De intimiteit en het vertrouwelijke tussen deze huizen in de verder kale en lege omgeving heeft iets inspirerend. Het inspireert ons mensen om dat met elkaar te delen, die zachtheid, die vertrouwelijkheid en die zorg om elkaar. Dat beeldt dit werk uit.

Namaken is niet aan de orde, is niet interessant. De achterliggende idee, de boodschap en de overtuigingskracht daarvan zijn bij kunst eigenlijk alleen aan de orde. Dat zal Moore ook wel gedacht hebben. Er iets van vinden, wat dan ook, is eindeloos veel boeiender dan er onverschillig aan voorbij gaan en het negeren.

7. De symboliek

Lang geleden schilderde Jean Honoré Fragonard (1732-1806) het doek 'De schommel'. Afgebeeld wordt een jongedame op een schommel, temidden van rijke bossages, alsmede twee heren: één duwer en één voyeur. Door het ál te enthousiast aanduwen van de schommel verliest de dame in kwestie pardoes haar muiltje. In het centrum van het schilderij vliegt dit blanke muiltje bijna gewichtloos richting lijst.

Als je bij het zien van dit schilderij denkt aan onschuldig burgerlijk vermaak vergis je je. Het werk is een scabreuze verwijzing naar erotiek en sexualiteit. Het vliegend schoentje van de schommelende dame staat symbool voor het vrouwelijk genitaal. Net als de explosief bosrijke entourage en haar wervelende en erotisch ruisende rokken verwijst het naar lust en hartstocht. Alle details in het werk zijn symbolische verwijzingen naar hetzelfde. 'Symbool' is afgeleid van het Griekse 'sumbolon'. Vertaald: wat bij elkaar hoort. Het één staat voor het ander. Achter iets concreets verbergt zich iets anders. Er zit zogezegd een bijbedoeling achter. Zoals een zandloper op een prent verwijst naar de verstrijkende tijd en een bord met gekruist bestek langs de snelweg geen bestekfabriek aankondigt, maar een restaurant.

'In liefde bloeiend' heet het bovenstaande werk. Het gaat over de liefde. Rood is haar kleur en die kleur komt in allerlei tinten voor, net als de liefde zelf of wat daarmee samenhangt. Stralend rood is échte liefde; violet is de kleur van rouw en verdriet; roodbruin is de aarde, verwijzing naar materiële zaken als geld en goed; geel staat voor haat en nijd, jaloezie. Al deze zaken spelen bij 'de liefde' een rol. Liefde is niet monochroom, maar komt in allerhand (symbolische) tinten voor. Boerderijen verwijzen naar de oogst. Men oogst wat men gezaaid heeft, zeker in de liefde. Boederijen bieden echter ook bescherming, net als ware liefde moet doen. Achter de boerderijen de horizon, symbool voor de toekomst, het nog ongewisse.

'In liefde bloeiend' is symbolisch gezien het verhaal van de liefde, verteld door kleuren, boerderijen en de horizon. Voor wie deze diepere laag niet ziet blijft het hopelijk toch een vrolijk en fraai schilderij!

8. Less is more

De Franse filosoof en wiskundige Blaise Pascal (1623-1662) heeft eens geschreven: 'Ik heb een lange brief geschreven, want ik had geen tijd om een korte te schrijven'.

Kort kost meer tijd dan lang. Klinkt paradoxaal, maar is waar. Het inkorten van een spontane, ongecensureerde tekst vreet tijd. Resultaat is wel: een zinderende, gloedvolle en volmaakt natuurlijk lopende tekst. Pascal zelf herschreef zijn definitieve teksten vele malen voordat ze voor publicatie geschikt waren.  

Bij schilders gaat het niet anders. Weglaten is vaak een tijdrovend proces van wikken en wegen. Vaak ook blijft 't daarom achterwege en staat álles op een schilderij of in elk geval veel te veel...! Voorbeelden van dit soort 'horror vacui', waarin alle ruimte gevuld is met details, zijn er te over. 

In 'De ochtend komt aarzelend' is dat bewust niet gedaan. En dat kost tijd. Hier zijn alle overbodige details weggelaten. Wat 'overbodig' in dit verband is, is een puzzel. Daarover moet gewikt en gewogen worden: moet een horizon uitgewerkt worden, bomen gestructureerd worden...? Weglaten totdat de vorm zo sober mogelijk en de inhoud zo sprekend en overtuigend mogelijk is. Er moet balans zijn tussen datgene wat afgebeeld is en datgene wat 'open-gelaten' is. De fantasie van de kijker moet geprikkeld worden. De kunstenaar moet niet héél paternalistisch willen voorschrijven wat er allemaal gezien moét worden... Ruimte en rust laten de kijker aan 't woord. 'Ik heb een sober schilderij gemaakt, want ik had meer tijd dan voor een gedetailleerd werk nodig was...'. 

9. De prijs van schoonheid

Dat schoonheid tot iets moois maar ook tot heel veel narigheid kan leiden, dat hebben ze in het oude Troje geweten, waar de mooie Helena de oorzaak was van veel klassieke ellende. 

Praten over schoonheid is ook nu nog een heikele onderneming. Lukt dit al nauwelijks als het over iets triviaals als de kleur van een paar sokken gaat, het lukt al helemaal niet als 't over kunst gaat. Over de vermeende schoonheid van een nieuw stadhuis, een ingepakte brug of een schedel beplakt met diamanten kan eindeloos geredekaveld worden, ook of misschien vooral door specialisten. Het begrip 'schoonheid' is in de kunst overigens helemaal een beetje uit de gratie of op z'n zachtst gezegd toe aan herijking.

Dat iets als schoonheid zich zo lastig laat bespreken komt vooral omdat er geen objectieve criteria voor bestaan. 'Smaken verschillen', en daar moeten we 't dan zo ongeveer mee doen.

 

Over de prijs van kunst is al evenmin veel verstandigs te zeggen. Ook hier ontbreken min of meer objectieve criteria. Voor bekend werk bestaat er echter iets als een 'markt'; de prijs is een kwestie van vraag en aanbod; dat zijn objectieve grootheden. In hoegenaamd alle andere gevallen geldt: 'wat een gek ervoor geeft'. Daar valt dus geen zinnig woord over te zeggen. 

Voor plat werk, en ik bedoel dan met name schilderijen, is er wel een vuistregel die je af en toe in de literatuur tegenkomt, zoals in het boek van Veronique Baar: 'Het kopen van kunst'. Die regel luidt: tel lengte en breedte bij elkaar op en vermenigvuldig dat met 5 voor de minimumprijs en met 10 voor de maximumprijs. En dan moet je geen 'grote naam' in kunstland hebben...       Voor bovenstaand werk van mij, 'Achthouten', zou dat neerkomen op 120 plus 60 is 180. De prijs voor dit werk mag dus liggen tussen 5 x 180 is 900 en 10 x 180 is 1800. De werkelijke prijs van het werk was 1495 euro. De prijs van dit werk is dus prima 'in orde'. Nu nog mooi vinden..

De prijs van schoonheid is dus een heikel iets: tweemaal onzekerheid! Het beste is wellicht te vertrouwen op uw eigen ogen (schoonheid is in het oog van de toeschouwer) en uw eigen portemonnee (want de waarde van iets is nog iets anders dan de prijs).

 

10. De blauwe lijn

Onno Zijlstra en Jan Smidt schreven een boek met de titel 'Wat doet die rode vlek daar linksboven?'. Als ik ook een boek over esthetica had willen schrijven had het kunnen heten: 'Wat doet die blauwe lijn dwars door dat schilderij?' Mensen in het algemeen en aandachtige kunstkijkers wellicht in het bijzonder willen graag weten waar ze precies naar kijken. Is een blauwe lijn een horizon, de plint in een kamer of nog iets anders?

Bij het opzetten van dit schilderij was de blauwe lijn ongeveer het laatste waar ik aan dacht. Ik zet een schilderij schetsmatig op, vul daarna met veel terpentijn vlakken en kleuren in en breng accenten aan. Aan het begin van zo'n werk heb ik werkelijk geen idee waar het uiteindelijk naartoe gaat, hoe de definitieve versie er uit gaat zien. Pas aan 't eind komt, vaak plompverloren, ineens het idee op een blauwe lijn toe te voegen en die horizontaal dwars door het schilderij te laten lopen.

Waarom? Een kunstenaar doet soms dingen waarvan hij niet weet waarom. Intuïtief doet hij het kunstzinnige. En even verbaasd over het resultaat als later de kijker voegt hij iets toe of laat iets weg. Een kunstenaar stelt de wereld anders voor, zonder precies te weten waarom zó of waarom juist zús. Latere interpretators weten zijn werk veel beter te duiden. Zij kennen de kunstenaar kennelijk beter dan de kunstenaar zichzelf kent. Zij verklaren zijn kunst. De kunstenaar schept zijn kunst. En met die kunst ook schoonheid. Dat laatste hier even opgevat als de opheffing van een tekort, het toevoegen van een 'ontbrekend' element. Pas na het aanbrengen van de blauwe lijn was ik tevreden, was er balans en evenwicht, was het veeleisende kunstenaarsoog gestreeld en content...! 

11. Het  schoonste blauw en de  imprimatura

De Franse kunstenaar Yves Klein (1928-1962) vond blauw de mooiste kleur die er bestaat. Op zoek naar het mooiste blauw van de wereld stuitte hij in Assisi op het werk van de Italiaanse kunstenaar Giotto di Bondone (1266-1337) in de Franciscusbasiliek aldaar. Dit schitterende blauw, dat in de avond een tikkeltje rode gloed kreeg, was voor Klein de basis van zijn IKB, een ultramarijn blauw dat hij patenteerde en International Klein Blue noemde. Het is een violetachtig, diep en indringend maar ook mysterieus en zeer emotioneel blauw.

Ultramarijn blauw werd vroeger gemaakt van lapis lazuli en werd uit het Verre Oosten (Afghanistan) via Venetië in Europa ingevoerd. Ultramarijn betekent ook letterlijk 'van overzee'. Dit blauw was buitengewoon kostbaar en werd door schilders als bijvoorbeeld Giotto alleen voor religieuze werken gebruik en dan alleen nog voor de mantels van bij voorkeur Maria en Christus.

Dit ultramartijn, het IKB van Yves Klein, een roodachtig diep blauw, gebruik ik als ondergrond, als imprimatura, in hoegenaamd al mijn werk. Ook in het bovenstaan: 'Het mysterie in de verte'. Daarbij dient het niet alleen als een gekleurde ondergrond die het hele werk tilt en ondersteunt, maar, belangrijker nog, ook voor de belijning in het werk. De ultramarijn-blauwe belijning in mijn werk is dus de representatie van een verborgen ondergrond: de mooiste kleur ter wereld, volgens Klein en mijzelf. Door deze ultramarijne belijning in mijn werk krijgt dat een levendige, pulserende werking met extra brille en contrast. Als je het weet zie je het, als je het niet weet stimuleert het de appreciatie op een mysterieuze manier buitengewoon sterk.

12. Het schilderen van de stilte...

Het laatste boek  van Joost Zwagerman heet 'De stilte van het licht'. Meteen in het voorwoord van dat boek komt hij met de Amerikaanse schilder Robert Ryman (1930) op de proppen en de vraag die aan hem in een interview werd gesteld: 'Wat wilt u met uw kunst?' Ryman antwoordde: 'I want to raise the issue of silence'. Het ging Ryman kennelijk om de stilte, die moest in zijn werk naar voren komen. Dat werk, zeker het latere werk, is monochroom en uitsluitend wit...!

Wat heeft wit met stilte te maken? Kun je het ene zien, het andere moet je hóren. Kan een schilder überhaupt de stilte schilderen? Muziek kan ophouden, dan is er stilte; er is heel wat stiltemuziek geschreven! Een gedicht of verhaal kan witregels inlassen: even stilte en rust. Architectuur kan nooit gebouwd worden en niet verder komen dan de tekentafel. Cees Nooteboom heeft daar prachtig over geschreven. Maar schilders, wat moeten die doen om de stilte weer te geven, te evoceren zogezegd?

Het bovenstaande schilderij heet 'Winternacht'. Het is vooral opvallend wit. Wit versus allerlei aardetinten in de diverse behuizingen, als ruwe en gebrande ombers, okers, sienna's en bitumen, hier en daar spaarzaam aangevuld met roden en groenen. Waar wit geschilderd is verdwijnt het aardse; het wit van de sneeuw verteert als het ware alle geluid en beweging. De enige beweging die gesuggereerd wordt is de rook uit twee schoorstenen, die rechtstandig omhoog gaat: het is zelfs windstil. Mensen en dieren ontbreken; alle geluid lijkt de huizen ingesleept te zijn, weg van de toeschouwer. Die laatste ziet zich geconfronteerd met een strak en overtuigd zwijgende voorstelling waaraan nauwelijks ontsnapt kan worden, ook al lijkt een weg op de voorgrond uitkomst te bieden, een vlucht die stukloopt op de lijst.

Wit is de kleur van de stilte. Wit is de 'kleur' die gehoord kan worden. Waar wit is heerst ze autonoom, daar kan niets anders zijn, kan niets anders gehoord worden. Het wit van Ryman is wellicht een kille stilte, het wit in een Winternacht bevat ook stilte, maar dan een menselijke stilte, een zwijgen en een sur place van alle dingen, een zich in zichzelf keren, een introverte en capilaire en opzuigende beweging...

 

13. Eigen haard is goud waard

'Eigen haard is goud waard'. Dat zeggen we niet van een eigen kelder of zolder. Kennelijk is 'eigen haard' synoniem met een eigen huis en die gelijkheid voelen we niet bij een kelder, niet bij een zolder en zelfs niet bij de garage, waar toch in veel gevallen onze grootste liefde gestald staat! De haard is het centrum van ons sedentaire bestaan, rondom die haard speelde zich zeker vroeger het gezinsleven af, rondom de haard werd gegeten, gesproken en in bijna alle gevallen ook geslapen, gevreeën en verwekt. Tegenwoordig hebben we bijna allemaal een c.v. en ligt dat wat anders..., maar het gezegde is er niet minder waar om. 'My home is my castle' zeggen de Engelsen en Midas Dekkers herschrijft dat in zijn 'De thigmofiel' als 'My castle is my home': waar ik woon moet het vooral 'thuis' zijn. 'De mens is een schemerdier' schrijft hij verder, 'Bij zijn huis hoort een haard. Daar schaart hij zich omheen en tuurt in de vlammen. Vuur is de oerbron van huiselijkheid. Het houdt vijanden op afstand en lokt vrienden aan, je kunt er op koken en het geeft licht.'

 

In mijn werk (zoals bovenstaand 'Even alleen met de maan') wordt het bovenstaande weergegeven door de opvallende schoorstenen. Overal in mijn werk duiken ze op, meestal zonder rook die eruit kringelt, maar wél met de achterliggende intentie aan te geven dat die eigen haard, onder dat dak met die schoorsteen erop, symbool staat voor beschutting, bescherming zekerheid en huiselijkheid. We zijn er thuis, het is onze eigen soort 'heemding', onze eigen veilige plek in een heel vaak boze en kwaadwillende buitenwereld. Wat Midas Dekkers betreft zouden we misschien het liefst lekker warm, knus en vooral dicht op de huid in onze schoorsteen willen wonen!

 

 

14. Elk schilderij is een zelfportret.

De Franse schilder Paul Cézanne heeft gedurende zijn leven ongeveer 150 keer de Mont Saint Victoire geschilderd. Elke keer begon hij weer onvermoeibaar opnieuw met het weergeven van die berg en elke keer weer anders, want elke volgende poging leverde een nieuw schilderij op.

Piet Mondriaan heeft zich in laten we zeggen de tweede helft van zijn leven vooral toegelegd op het schilderen van abstract werk in blokken en primaire kleuren. Steeds weer opnieuw tot en met zijn nooit afgemaakte slotstuk 'Victory Boogie-Woogie'.

Jan Dibbets maakt al bijna 15 jaar schilderijen rondom één enkel gegeven: een onder een schuine hoek geplaatst en gefotografeerd raam. Schilders, of meer algemeen, kunstenaars kiezen blijkbaar een thema en een manier van uitdrukken die hun identiteit zo goed mogelijk representeert. In die zin zijn al hun werken op te vatten als zelfportretten. De grote doeken van Rothko niet anders dan de woeste schilderijen van De Kooning. Een kunstenaar kan niet, of sterker nog kan onmogelijk aan zichzelf voorbij gaan. Zelfs als-ie dat zou willen is het onmogelijk.

 

Ik schilder de 'heemding', het thuiskomen, zoals in het bovenstaande 'De terugkeer van het licht'. Al vele jaren hetzelfde thema, al vele jaren op dezelfde manier uitgebeeld. Ook dát zijn zelfportretten. In die talloze huizen en behuizingen, het licht en donker, het nabije en ver-affe, zit klaarblijkelijk iets heel wezenlijks van mezelf. De uitleg of interpretatie daarvan, psychologisch, sociaal of anderszins laat ik graag aan anderen over. Daar hebben we per slot van rekening kunstcritici voor. Cézanne, Mondriaan, Dibbets, ik en alle andere kunstenaars doen au fond hetzelfde wat Rembrandt van Rijn wel héél letterlijk en bovendien veelvuldig deed: zelfportretten maken. En zoals je in het werk van Mondriaan de logicus Mondriaan kunt zien, in het werk van Beuys de verongelukte oorlogspiloot tegenkomt en in het werk van Gauguin de vrouwenliefhebber Gauguin ontmoet, zo zie je ook in mijn werk mij. Niet alles natuurlijk, maar voldoende om me beter te gaan begrijpen en m'n werk beter te kennen.

 

title

Click to add text, images, and other content