MissionHouse

stichting foundation Mission House of The Gambia
Van vakantie tot hulp/ from holiday to aid

Uit de kranten

Uit de Nieuwe meerbode van 21 februari 2019

CHEQUE UITREIKING DOOR OSA AAN STICHTING FOUNDATION MISSION HOUSE VOOR EEN PROJECT IN NIGERIA

In februari is een subsidiecheque uitgereikt door de voorzitter van de stichting Ontwikkelings-Samenwerking Aalsmeer (OSA), de heer G.Nijland, aan een bestuurslid,

de heer Stef Holling, van de Stichting Foundation Mission House.

De stichting had ruim 5000,00 euro ingezameld doormiddel van o.a. giften en de verkoop van mooie zelfgemaakte kerstkaarten.

De cheque bedroeg een bedrag van 2500,- euro bestemd voor laptops en  t.v. voor opleidingsdoelen, generator, anesthesie machine e.d.  in het ziekenhuis in Ado Ekiti, Nigeria.

Informatie over het ziekenhuis is te vinden op: www.freewebs.com/gambiamission

Meer informatie over OSA is te vinden op hun website: www.osa-aalsmeer.nl

Uit de NIEUWE MEERBODE van 20 september 2018


CHEQUE UITREIKING AAN STICHTING FOUNDATION MISSION HOUSE

Afgelopen week mocht Betty Kooij, secretaris van OSA Stichting Ontwikkelings-Samenwerking Aalsmeer een cheque van €  2500,- overhandigen aan bestuurslid

Willy Holling van de Stichting Foundation Mission House of the Gambia.

De stichting heeft meer dan € 2500,00 ingezameld voor de inrichting van het ziekenhuis in Nigeria, Ado Ekiti.

Het ingezamelde geld, waaronder een bedrag van een 50-jarig huwelijk en de verkoop van zelf gemaakte kaarten, en het subsidiebedrag worden onder andere besteed aan onderzoektafels, bedden voor de dokters, een vriezer en een anesthetie machine.

Uit de Nieuwe Meerbode van 16-11-2017

November 2017

september 2017

Januari 2017

December 2016
Uit de Nieuwe Meerbode van 15 december

Uit de Nieuwe Meerbode van 8 december
Oktober 2016


Oktober 2015

Uit de Nieuwe Meerbode van 29 oktober 2015
September 2015

Uit de Nieuwe Meerbode van 19 september 2015



April 2015




Maart 2015 
September 2014


Augustus 2014

Nieuwe Meerbode februari, maart, ap





Nieuwe Meerbode 5 september 2013
Nieuwe Meerbode 27 september 2012







Witte weekblad 3 april 2008

In het witte weekblad van 3 april, editie Aalsmeert vind je het artikel waar de volgende link naar verwijst:
Witte weekblad april 2008.rtf

?Nieuwe Meerbode 3 april 2008

In de Nieuwe Meerbode, editie Aalsmeer,  van 3 april 2008 op bladzijde 2 vind je een artikeltje over Stef die terugkomt na 11 weken in Gambia te hebben gewerkt.

http://www.meerbode.nl/


Nieuwe Meerbode 27 maart 2008

In de Nieuwe Meerbode van 27 maart 2008 stond het volgende bericht waar de link naar verwijst

Nieuwe meerbode 27 maart 2008.doc








Uit TROUW van dinsdag 10 april 2007
Het draagvlak voor hulp aan de arme landen is in Nederland wellicht het grootste ter wereld. Het kleine particulier initiatief bloeit als nooit te voren. Er wordt driftig gebouwd aan scholen en medische voorzieningen. Werk dat de gevestigde organisaties juist aan de lokale bewoners willen overlaten.

Projectboeren, noemde Eveline Herfkens denigrerend de particuliere organisaties die zich op de ontwikkelingslanden stortten. Het decor voor die uitspraak: de tuin van de Nederlandse ambassade in Maputo, de hoofdstad van Mozambique. De datum: februari 1999. De PvdA-minister voor ontwikkelingssamenwerking wilde af van de lappendeken van projecten die overheden in ontwikkelingslanden de kans ontneemt tijd te besteden aan hun primaire opdracht, het leveren van diensten aan hun onderdanen. De bouw van scholen en ziekenhuizen moest een overheidstaak zijn. Herfkens wilde de verslaving aan de hulp bestrijden. De verhouding tussen hulpverlener en hulpbehoevende begon tekenen te vertonen van de relatie tussen junk en dealer.

Acht jaar later en een minister (Van Ardenne, CDA) verder, lijkt van dat idee weinig terecht te zijn gekomen. Het bloeiende particulier initiatief richt zich vooral op de bouw van scholen en het inrichten van medische posten, zo blijkt uit de projecten die worden aangeboden bij de grote Nederlandse hulporganisaties, als Icco, Oxfam Novib, Cordaid en de hoeder van het draagvlak voor ontwikkelingsamenwerking, de NCDO. Waar Herfkens hoopte op grote samenhangende onderwijsprogramma?s, biedt het particulier initiatief juist een baaierd van kleine projecten. Waar zij hoopte op Afrikaanse overheden die, zoals zij het uitdrukte in the drivers seat zitten, dreigen de hulpverleners weer het stuurwiel te pakken.

In Nederland is geen systematisch onderzoek gedaan naar de aard en omvang van het aanbod van de kleine particuliere hulp. Het omvangrijke aantal stichtingen, clubs, Rotary-afdelingen en migrantenorganisaties dat zich met de hulp bemoeit is niet in kaart gebracht. NCDO, de Nationale Commissie voor internationale samenwerking en duurzame ontwikkeling, zou als geen ander moeten weten hoe groot het aantal organisaties is. Het blijft bij ruw rekenwerk. NCDO houdt het op landelijk 5000 tot 6400 particuliere initiatieven. Dat cijfer is gebaseerd op een extrapolatie van gegevens van Cos Gelderland, daar telde dat regionale centrum voor internationale samenwerking in 2005 al circa 400 particuliere initiatieven. In datzelfde jaar deed het Nijmeegse Cidin onderzoek naar de groei van het particulier initiatief. Ruim een derde van nieuwe organisaties is opgericht in de periode 2000- 2005. De cijfers over voorgaande periodes vallen daarbij in het niet. Tussen 1990 en 1999 werd 22,6 procent van de hulpclubs opgericht.

De traditionele hulporganisaties zoals Icco, Cordaid, Novib en Hivos hebben de afgelopen jaren veel aandacht besteed aan de relaties met hun partners in de ontwikkelingslanden en hebben met hun rug naar de Nederlandse samenleving gestaan. Dat is een van de meest gehoorde verklaringen uit het veld van ontwikkelingswerkers. De grote organisaties verloren daardoor het vertrouwen bij het grote publiek. Zij waren ook niet in staat om het verhaal dat bij hen veel aan de strijkstok bleef hangen, te weerspreken. Dat gaf kleine organisaties de kans om zich te profileren met de mededeling dat bij hen elke euro naar de hulpbehoevenden ging.

Of dat waar is controleert niemand, of de strijkstok bij de grote clubs echt bestaat wordt onderzocht noch hard tegengesproken. En dat is opmerkelijk want als er organisaties zijn die op hun financieel beheer worden getoetst dan zijn dat de grote wel.

De activiteiten die de ?Novibs? ontwikkelden, zoals de lobby voor betere handelsakkoorden voor ontwikkelingslanden, waren te abstract voor het grote publiek dat heel graag de handen uit de mouwen wilde steken.

Concrete zaken als de bouw van scholen waren twintig, dertig jaar geleden de corebusiness van de grote hulporganisaties. De professionals verlieten die markt en maakten zo ruimte voor de particulieren.

Wat zijn de drijfveren voor de particulieren? Dertig procent van de ondervraagden gaf in 2005 ondervragers van het Nijmeegse Cidin als antwoord dat een reis ? het directe contact met de armoede ? hen bewoog tot het ontplooien van hulpactiviteiten. De behoefte om hulp te bieden (15,2 procent), betrokkenheid te tonen (13,8 procent) en de confrontatie met armoede via de media (16,7 procent) waren andere belangrijke motieven. Amper tien procent ging iets doen voor de armen omdat de armen daarom vroegen. Uit dat onderzoek kan de conclusie worden getrokken dat de hulp van het particulier initiatief vooral op aanbod gestuurd is en niet vraag gestuurd, zoals destijds Herfkens en in haar kielzog de professionals wensen.

Het is niet verwonderlijk dat gelet op de drijfveren de hulp via de kleine particuliere organisaties neerdruppelt in de landen die ook op het vakantieprogramma staan. Kenia, waar de index van de effectenbeurs van Nairobi recent naar grote hoogte steeg, krijgt een zeer prominente plek in de top twintig (zoals blijkt uit de grafiek). De landen die niet in de reisprogramma?s zijn opgenomen zoals het straatarme Niger, het door conflicten verscheurde Tsjaad, Soedan of Ivoorkust, of het erkend onveilige Nigeria komen niet voor op die lijst. En als het gaat om het populaire Ghana dan is er ook nog eens sprake van een overconcentratie van hulp in de regio rond de hoofdstad Accra.

Volgens de professionals strijkt grofweg 80 procent van de particuliere hulpverleners daar neer. De grote clubs als Cordaid, die via een apart daarvoor ingericht loket (het zogeheten front-office) het particulier initiatief ondersteunen met geld en raad, proberen de particuliere hulpverleners om te leiden richting Noord-Ghana, waar de hulp geringer en de armoede aanzienlijk groter is.

Terwijl het kleine particulier initiatief zich vooral richt op de meer aaibare onderwerpen als onderwijs, gezondheidszorg en verschaffen van goederen, zijn dat zaken waar de professionals nu juist vanaf willen. Uit een rondgang bij de organisaties die een front-office hebben, zoals Cordaid, Icco en NCDO, blijkt dat zij weinig behoefte meer hebben aan scholenbouw, nieuwe medische posten, het zenden van goederen of het bouwen van weeshuizen.

Om met het laatste te beginnen. De weeshuizen zijn uit de gratie omdat de met westers geld gebouwde panden concurreren met lokale voorzieningen. En het is de bedoeling om voorzieningen toe te voegen en niet weg te concurreren. Kinderen worden ook het liefst geplaatst bij familieleden in plaats van dat ze als wees nog eens een extra stempel meekrijgen door ze in een afzonderlijk weeshuis te zetten. De animo voor de scholenbouw is bij de professionals ook niet groot, omdat niet de bouw van panden het probleem is, maar de beschikbaarheid van leerkrachten. En in veel van de landen waar de particulieren hun ziekenhuis willen stallen, zijn al voorzieningen. Wellicht niet van de kwaliteit die de westerling graag ziet, maar de voorziening is er wel degelijk.

Uit den boze, en dus niet rijp voor een subsidie via de loketten van de grote hulpclubs, zijn de zogeheten adoptiesystemen. Het adopteren van een arm gezin is om meer dan een reden uit de gratie. Het is geen duurzame oplossing voor hun probleem, maar slechts een tijdelijke. Het maakt de hulpbehoevenden nog verslaafder aan de hulp dan die wellicht al zijn. En het benadrukt de afhankelijkheidsrelatie, terwijl duurzame hulp nu juist moet leiden tot onafhankelijkheid.

Het vervoer van goederen komt niet voor een subsidie via de loketten van de grote hulpclubs in aanmerking. Die hulp kost veel geld, voor vervoer. De aangevoerde goederen verstoren de lokale markt en kunnen dus beter ter plekke worden gekocht. De kwaliteit van de goederen is dan ook vaak in overeenstemming met de wens van de hulpbehoevende. Geen subsidie dus voor het gesleep met tweedehandskleding of voedselpakketten.

De grote clubs accepteren ook geen hulp die schade veroorzaakt. Dat wordt do no harm genoemd. Hulp aan de ene bevolkingsgroep kan leiden tot conflicten met andere groepen en komt niet voor subsidie in aanmerking. Veel beginnende hulpverleners realiseren zich dat vaak niet door een gebrek aan kennis van de lokale situatie.

Bij de professionals is grote waardering voor het elan waarmee de particulieren hun affiniteit tonen met het armoedevraagstuk. Dat levert tegelijkertijd een duivels dilemma op. De kleine hulpclubs doen wat wij dertig jaar geleden deden, zo typeert een professional de activiteiten. En het is niet voor niets dat de grote clubs die vorm van hulp hebben afgezworen. Openlijk kritiek uiten is bijna onmogelijk. Dat zou maar leiden tot een nog grotere afkeer van de grote clubs. En die zijn, deels gedwongen door het subsidiestelsel dat onder minister Van Ardenne van kracht is geworden, meer dan ooit afhankelijk van het grote publiek. Wie voor overheidssubsidie in aanmerking wil komen, moet voor 2010 kunnen aantonen dat hij 25 procent eigen geld meebrengt en dat geld moet voor een groot deel worden gevonden op de chari- markt. Openlijk grote vraagtekens plaatsen bij het particulier initiatief staat op zeer gespannen voet met het afgrazen van die chari-markt, tenminste zo wordt dat bij de gevestigde orde van ontwikkelingswerkers gevoeld. Je kunt niet tegelijkertijd het draagvlak exploiteren en bekritiseren.

De behoefte daartoe wordt onder professionals overigens wel gevoeld. Door het kleine particulier initiatief wordt, om aan geld te komen, de inwoner van een ontwikkelingsland vooral afgeschilderd als een hulpbehoevende die geen kans van slagen heeft in het leven als hij of zij de steun uit het rijke westen niet krijgt. Dat beeld conflicteert met het beeld dat grote hulpclubs en instellingen als de Wereldbank wensen te geven. De arme is niet per definitie ziek, zwak of misselijk, maar een potenti?le werknemer die bij gebrek aan werk werkloos moet toekijken. De vele armen in de wereld worden liever getoond als onbenutte economische potentie dan als slachtoffer. Alleen: met dat beeld is minder makkelijk geld op te halen. Lang niet altijd wordt de inwoner van het ontwikkelingsland centraal gesteld bij het particulier initiatief, maar de hulpverlener. Geld voor schoolbankjes wordt opgehaald met de belofte dat op die bankjes de naam van de gulle gever prijkt. Het ?Geschonken door Truus en Wim syndroom? zou je dat verschijnsel kunnen noemen. Daarbij past dat op de websites van de projecten vooral veel foto?s prijken van weldoeners omringd door zwartjes in donker Afrika.

Grootste kans bij NCDO

?Doe-het-zelvers? kunnen, mits ze zelf ook fondsen werven, terecht bij Plan Nederland, Cordaid, Oxfam Novib, Hivos, Impulsis (Edukans, Icco en Kerkinactie of via de centra voor ontwikkelingssamenwerking bij NCDO. Uit de grafiek wordt duidelijk dat de kansen op financiering het grootst zijn bij NCDO. De andere organisaties verklaren dit uit de rol van NCDO: dat heeft de opdracht van de overheid het draagvlak in stand te houden. Draagvlak zou worden verkozen boven kwaliteit. NCDO bestrijdt dat. De organisatie hoort bij een eerste telefonische contact de aanvrager aan en wijst in een vroegtijdig stadium al af. Die afwijzingen zijn niet meegenomen. En NCDO probeert ongeschikte projecten via advies toch rijp te maken voor subsidie. Dat verklaart voor een groot deel het verschil, zegt NCDO.