Welcome

Newest Members

Hommels

Anatomie
Bestuiving
Levenscyclus
Vijanden

Hommels zijn insecten uit het geslacht Bombus. Er zijn ongeveer 400 soorten hommels. In Nederland komen zo'n 29 verschillende soorten hommels voor. In Nederland en België komen verschillende soorten hommels voor die soms makkelijk van andere soorten te onderscheiden zijn. Veel soorten kennen echter overlappende variaties of kleurpatronen en deze zijn vaak moeilijk op naam te brengen. Zo zijn de aardhommels moeilijk van elkaar te onderscheiden. Vrijwel over de hele wereld komen hommels voor. De meeste soorten leven echter op het noordelijk halfrond, vooral in berggebieden.

Hommels zijn aangepast om te overleven in een wat kouder klimaat. Het lichaam is voor een insect relatief groot en is zowel lang- als dichtbehaard, waardoor de warmte goed wordt vastgehouden. Daardoor komen ze zelfs voor op de koude toendra's in het hoge noorden. De lange beharing is echter een nadeel bij warm weer en ze moeten dan veel rusten. Hommels kunnen zelf hun lichaamstemperatuur regelen, door het trillen van de borstspieren, zonder dat de vleugels meebewegen. Ze kunnen zo een lichaamstemperatuur van 30 °C tot 32 °C handhaven. De koningin vliegt al bij een buitentemperatuur van 2 °C, de werksters bij 6 °C.

Er zijn twee groepen hommels; de bekendste zijn de soorten die een nest maken net zoals bijen, hoewel het nest gemiddeld kleiner blijft. Er zijn ook hommels die zelf geen nest maken maar de eitjes in het nest van andere soorten leggen. Dit zijn de zogenaamde koekoekshommels; deze missen ook de stuifmeelkorfjes die de andere hommels wel hebben.  naar boven 

 

Anatomie
Een hommel heeft een groot lichaam maar relatief kleine vleugeltjes. Met de wetten van de aerodynamica kon men lange tijd niet verklaren dat een hommel kan vliegen. Na onderzoek bleek dat hommels een trucje hebben uitgevonden waardoor ze toch kunnen opstijgen. Door de op- en neergaande beweging van de vleugels ontstaan luchtwervelingen die zorgen voor een opwaartse kracht waardoor de hommel, hoewel hij eigenlijk te zwaar is, toch kan vliegen. Hommels halen dus extra energie uit de manier waarop de vleugels bewegen, en dit fenomeen wordt in de aerodynamica diepgaand bestudeerd om er voordeel uit te halen.

De mannetjes verschillen van de vrouwtjeshommels in verschillende opzichten: ze zijn kleiner, hebben langere antennes en zien er wat pluiziger uit. Ook hebben mannetjes geen angel en geen stuifmeelkorfjes. Alleen vrouwtjes kunnen steken, zowel werksters als koninginnen. De steek van hommels is pijnlijk maar niet gevaarlijk, tenzij je allergisch bent. Dan kan in extreme gevallen een anafylactische shock optreden, een ernstige allergische reactie, die levensbedreigend kan zijn. De angel van de hommel blijft niet achter na een steek zoals bij de honingbij. Een hommel gaat na een steek niet dood en kan de angel telkens opnieuw gebruiken, net zoals wespen. Door de angel wordt gif naar buiten gepompt. Hommels die zich aangevallen voelen laten dikwijls een verdedigingshouding zien door op één kant te gaan liggen en alle poten en het achterlijf met angel uit te steken.  naar boven

 

Bestuiving
Hommels bezoeken bij voorkeur vooral tweejarige, maar ook meerjarige planten, omdat deze planten meer nectar produceren door hun in het algemeen grotere bloemen. Omdat hommels geen grote honingvoorraad aanleggen moeten er gedurende het hele voorjaar en zomer (van maart tot september) bloeiende planten aanwezig zijn. Overigens produceren hommels wel honing, echter in kleine hoeveelheden en 'hommelhoning' is daarom commercieel niet interessant.

Hommels leven net als alle andere bijen van nectar en stuifmeel, de suikerrijke nectar is de energiebron van de hommel. Hommels kunnen tot wel 2 uur achter elkaar stuifmeel verzamelen tot een gewicht van 60% van hun lichaamsgewicht. Het stuifmeel kunnen de vrouwtjes met behulp van nectar en hun voorpoten tot een klompje samenplakken aan hun achterpoten en zo vervoeren naar het nest.
Hommels hebben een rode tong met haartjes aan het uiteinde, waarmee ze nectar uit de bloemen opzuigen. Wanneer de nectar te diep in een bloem verborgen is bijt de hommel een gaatje in de zijkant van de bloemkroon om zo bij de nectar te kunnen komen.   naar boven

Hommels, vooral de aardhommel, worden tegenwoordig ook gekweekt voor bestuiving van onder andere tomaten, paprika, aubergine, meloen, aardbei, framboos en rode bes in kassen. Hommels zijn goede bestuivers, omdat ze een meeldraad kunnen vastpakken heen en weer kunnen schudden om zo de stuifmeelkorrels uit de helmhokjes te laten vallen. De vallende korrels plakken aan hun elektrostatisch geladen lijf. Vervolgens kunnen zij met hun poten het stuifmeel verzamelen in hun korfjes.
In noordelijke landen zoals Noorwegen en Zweden zijn hommels voor de bestuiving zeer belangrijke insecten, omdat ze bij lage temperatuur nog vliegen, in tegenstelling tot bijen. In de zuidelijke landen zoals Frankrijk is de bij belangrijker voor de bestuiving. Nederland zit daar tussenin.   naar boven

 

Levenscyclus
Een kolonie hommels sterft elk najaar, alleen de bevruchte jonge koninginnen blijven in leven en overwinteren alleen. Hommels gebruiken vrijwel nooit meerdere keren hetzelfde nest.

In het voorjaar gaat de koningin eerst een beetje nectar en later wat stuifmeel verzamelen. Na enkele weken zoekt ze een geschikte plek voor haar kolonie. In de nestruimte wordt een bolvormig nest van 3-5 cm in doorsnee van in stukjes gebeten plantendeeltjes gemaakt. Van was worden de eerste broedcellen op een soort voorraadpotje gemaakt dat gevuld wordt met stuifmeel. Een tweede potje van was wordt gevuld met nectar, dat de koningin 's nachts of op dagen met slecht weer als voedsel gebruikt. In elke broedcel (larvenwiegje) worden verscheidene bevruchte eieren gelegd. De koningin bevrucht de eieren met zaad van het mannetje waarmee ze gepaard heeft en dat ze de hele winter in haar lichaam heeft bewaard. De broedcellen worden met was afgesloten. De koningin legt in totaal 5-15 eieren. Ze broedt de eitjes deels zelf uit. Door gebruik te maken van haar borstspieren houdt ze de temperatuur op peil. Door de weinige beharing aan de onderkant van het achterlijf kan de lichaamswarmte gemakkelijk op het broed overgedragen worden.  naar boven

Na vier dagen komen de larven uit de eitjes. Eerst eten zij van het stuifmeel uit het voorraadpotje en van de was in het larvenwiegje. De larven worden regelmatig van nieuw voedsel (nectar en stuifmeel) voorzien. Tijdens de groei vervellen de larven een aantal keren, omdat hun huid niet kan meegroeien. Als ze volgroeid zijn spinnen de larven zich vlak voor de verpopping in. Op deze cocons bouwt de koningin nieuwe eibekers en legt weer eitjes in deze eibekers. Hierdoor profiteren de eitjes van de warmte die van de cocons afkomt. Na twee tot drie weken bijten de jonge werksters aan de bovenkant van hun cocon een gat. Als het gat groot genoeg is kruipen ze naar buiten.

De eerste dag kleuren ze uit en bouwen ze hun cocons om tot honing- en stuifmeelpotten en maken ze de bekers groter. Na 2-3 dagen begint hun eigenlijke taak, het verzamelen van nectar en stuifmeel. De hommels vliegen meestal niet verder dan 100 tot 200 meter van het nest. Een kolonie hommels heeft een voedselvoorraad voor slechts enkele dagen om slechte weersomstandigheden te kunnen overleven. De werksters verschillen in grootte door verschillen in temperatuur en voedsel tijdens hun ontwikkeling. De grootte en het verschil in leeftijd bepalen de taakverdeling tussen de werksters onderling. De koningin komt na het uitkomen van het eerste broed niet meer buiten het nest en besteedt haar tijd volledig aan het warm houden van het broed en voeren van de larven. Wanneer het tweede broed zich verpopt vult de koningin dagelijks 1-3 bekers met bevruchte eitjes. De kolonie groeit, na ongeveer 3 weken ontwikkelingsduur, met meer dan 10 werksters per dag.  naar boven

Wanneer de kolonie groot genoeg is (ongeveer 80 werksters) gaat de koningin door een verandering in de hormoonproductie onbevruchte eitjes leggen, waaruit na 25 dagen mannetjes ontstaan. Drie dagen nadat ze uit hun poppen zijn gekomen verlaten ze het nest.

Larven die meer voedsel krijgen groeien niet uit tot werksters maar tot volwassen koninginnen, ze krijgen dus geen beter of ander voedsel. De jonge koninginnen komen na een ontwikkelingsduur van 30 dagen uit hun poppen en blijven dan nog 5 dagen in het nest om hun vetlichaam te ontwikkelen, een energievoorraad die ze nodig hebben om de winterslaap te overleven. Vaak komen ze nog terug in het nest om er te slapen. Als gevolg van de verandering in hormoonproductie gaan ook de werksters eitjes leggen. Dit levert wrijving op tussen de werksters en de koningin. De koningin rooft de eitjes van de werksters en de werksters roven haar eitjes weer, waardoor er weinig tot geen nieuw broed meer bijkomt. Dit is het begin van het einde. De jonge mannetjes eten in het begin veel nectar en stuifmeel uit de voorraden in het nest. Na het nest te hebben verlaten, keren zij zelden in het nest terug.

Na verlating van het nest vertonen de mannetjes van veel hommelsoorten een typisch gedrag. Ze vliegen steeds dezelfde route met een straal van ongeveer 150-200 meter waarbij ze op een twintigtal plaatsen een geurstof afzetten die jonge koninginnen lokt. De mannetjes vliegen voortdurend deze gemarkeerde plaatsen langs om te controleren of er al een koningin is aangelokt. Hierbij kunnen ze enorme afstanden afleggen; 17 tot 60 km per dag. Een paring vindt plaats op de grond en duurt 15-30 minuten. Na de paring gaat het mannetje op zoek naar een nieuwe koningin en de bevruchte koningin gaat op zoek naar een overwinteringsplaats. Bij sommige hommelsoorten is dit al in juli en bij andere pas in oktober.  naar boven

 

Vijanden
Een koekoekshommel lijkt zeer sterk op de nestmakende hommels waarbij ze de eieren afzet, maar is te herkennen doordat ze met een zacht gebrom vliegt en geen stuifmeelkorfjes heeft. Zij bijt soms de koningin dood, deponeert de eitjes in het bestaande nest en laat de eieren en larven verder verzorgen door de aanwezige werksters. Ook komt het voor dat ze ongemerkt het nest binnensluipt en zich een tijdje verstopt totdat ze de geur van het nest heeft aangenomen en zet dan de eitjes af. Koekoekshommels hebben zelf geen werksters en leiden een zwervend bestaan.

Daarnaast zijn insectenetende vogels belangrijke vijanden van de hommel. Ook vlinders als de hommelmot (Aphomia sociella) vormen een bedreiging omdat de larven het nest leegvreten. Ook insecteneters als dassen, veldmuizen en spitsmuizen vreten hommelnesten leeg. Andere vijanden zijn roofvliegen (blaaskopvliegen) die een eitje in het achterlijf van hommels brengen. De larve eet de hommel vervolgens van binnen uit op en zuigt daarna het borststuk leeg. Zo worden de vitale organen het langst gespaard en blijft de hommel vers. Aaltjes kruipen in een koningin tijdens haar winterslaap. Bacteriën kunnen voor diarree zorgen. Ook de mens speelt een rol, door vervuiling, het gebruik van pesticiden, landschapsvernietiging en ook het verdwijnen of achteruitgaan van bepaalde plantensoorten schaadt de hommels.  naar boven