De zienswijze van de bijbel

                    Hoe geloofwaardig is het „Oude Testament”?

In de volgende paar hoofdstukken zullen wij enkele van de beschuldigingen bespreken die door hedendaagse critici tegen de bijbel worden ingebracht. Sommigen beweren dat de bijbel zichzelf tegenspreekt en „onwetenschappelijk" is, en daar zal later op worden ingegaan. Maar beschouw eerst eens de vaak geuite beschuldiging dat de bijbel niets meer dan een verzameling mythen en legenden is. Berust deze kritiek op deugdelijke gronden? Laten wij om te beginnen de Hebreeuwse Geschriften, het zogenoemde Oude Testament, aan een onderzoek onderwerpen.

EEN oude stad wordt belegerd. De aanvallers zijn in dichte drommen de Jordaan overgetrokken en hebben zich nu voor de hoge muren van de stad gelegerd. Maar wat een vreemde oorlogsstrategie wordt er gevolgd! Zes dagen lang is het binnenvallende leger elke dag éénmaal stilzwijgend rond de stad getrokken. Het enige geluid dat weerklonk, kwam van een meetrekkende groep priesters die voortdurend op de horens bliezen. Nu, op de zevende dag, marcheert het leger stilzwijgend zevenmaal om de stad heen. Plotseling blazen de priesters uit alle macht op hun horens. Het leger verbreekt zijn stilzwijgen door een luide strijdkreet aan te heffen, waarop de hoge stadsmuren in een stofwolk neerstorten en de stad onverdedigbaar is geworden. — Jozua 6:1-21.

Zo beschrijft het boek Jozua, het zesde boek van de Hebreeuwse Geschriften, de val van Jericho, die bijna 3500 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Maar is het werkelijk gebeurd? Veel geleerden die zich met hogere bijbelkritiek bezighouden, zullen die vraag vol overtuiging ontkennend beantwoorden. Zij beweren dat het boek Jozua, evenals de voorgaande vijf boeken van de bijbel, uit legenden bestaat die vele eeuwen nadat de vermeende gebeurtenissen plaatsvonden, op schrift zijn gesteld. Veel archeologen zullen die vraag eveneens ontkennend beantwoorden. Volgens hen heeft Jericho ten tijde dat de Israëlieten het land Kanaän binnenkwamen, misschien zelfs niet eens bestaan.

Dit zijn ernstige beschuldigingen. Wanneer u de bijbel doorleest, zult u bemerken dat de leer van de bijbel nauw verweven is met de geschiedenis. God handelt met werkelijke mannen, vrouwen, families en natiën, en zijn geboden worden aan een historisch volk gegeven. Hedendaagse geleerden die de historiciteit van de bijbel in twijfel trekken, twijfelen eveneens aan de belangrijkheid en betrouwbaarheid van de erin vervatte boodschap. Als de bijbel werkelijk Gods Woord is, dan moet zijn geschiedenis betrouwbaar zijn en niet louter legenden en mythen bevatten. Hebben deze critici gronden om de historische betrouwbaarheid ervan te betwisten?

Hoe betrouwbaar is de hogere bijbelkritiek?

De hogere bijbelkritiek begon in alle ernst tijdens de achttiende en negentiende eeuw. In de tweede helft van de negentiende eeuw populariseerde de Duitse bijbelcriticus Julius Wellhausen de theorie dat de eerste zes boeken van de bijbel, Jozua meegerekend, in de vijfde eeuw v.G.T. — ongeveer duizend jaar na de beschreven gebeurtenissen — op schrift werden gesteld. Hij zei evenwel dat ze materiaal bevatten dat eerder opgetekend was. Deze theorie werd gepubliceerd in de elfde uitgave van de Encyclopædia Britannica, uitgegeven in 1911, waarin werd verklaard: „Genesis is een na-exilisch werk dat is samengesteld aan de hand van een na-exilische priesterbron (P) en niet-priesterlijke vroegere bronnen die in taal, stijl en religieuze visie aanzienlijk van P verschillen."

Wellhausen en zijn aanhangers bezagen alle in het vroegere gedeelte van de Hebreeuwse Geschriften opgetekende geschiedenis als „geen letterlijke geschiedenis, maar populaire overleveringen uit het verleden". De vroegere verslagen werden als louter een weerspiegeling van de latere geschiedenis van Israël beschouwd. Er werd bijvoorbeeld gezegd dat de vijandschap tussen Jakob en Esau zich niet werkelijk had voorgedaan, maar de in later tijden bestaande vijandschap tussen de natiën Israël en Edom weerspiegelde.

In overeenstemming hiermee waren deze critici van mening dat Mozes nooit enig gebod had ontvangen om de ark van het verbond te vervaardigen en dat de tabernakel, het centrum van de Israëlitische aanbidding in de wildernis, nooit had bestaan. Zij geloofden ook dat het gezag van de Aäronitische priesterschap pas enkele jaren voor de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs — hetgeen volgens de critici aan het begin van de zesde eeuw v.G.T. plaatsvond — volledig gegrondvest was.

Welk „bewijs" hadden zij voor deze opvattingen? Geleerden die zich met hogere bijbelkritiek bezighouden, beweren dat zij de tekst van de vroege bijbelboeken in een aantal verschillende documenten kunnen verdelen. Hierbij gaan zij van de veronderstelling uit dat in het algemeen elk bijbelvers waarin uitsluitend het Hebreeuwse woord voor God (´Elo·him´) wordt gebruikt, door één schrijver werd geschreven, terwijl elk vers waarin God bij zijn naam Jehovah wordt genoemd, door een ander geschreven moet zijn — alsof één schrijver niet beide termen kon gebruiken.

Evenzo vat men een gebeurtenis die meer dan eens in een boek wordt vermeld, op als bewijs dat er meer dan één schrijver aan het werk is geweest, ook al treft men in oude Semitische literatuur andere soortgelijke voorbeelden van herhaling aan. Bovendien neemt men aan dat elke verandering in stijl op een verandering van schrijver duidt. Toch gebruiken ook schrijvers in levende moderne talen in diverse stadia van hun carrière, of wanneer zij een verschillend onderwerp behandelen, vaak verschillende schrijfstijlen.

Bestaat er enig werkelijk bewijs voor deze theorieën? Volstrekt niet. Eén commentator merkte op: „Kritiek is zelfs in het gunstigste geval speculatief en hypothetisch, iets wat altijd blootstaat aan wijziging of tegenbewijzen en door iets anders vervangen moet worden. Het is een intellectuele oefening, die onderhevig is aan alle twijfels en gissingen die onafscheidelijk aan zulke oefeningen verbonden zijn." Vooral de hogere bijbelkritiek is uitermate „speculatief en hypothetisch".

Gleason L. Archer jr. wijst op nog een leemte in de redenering van de hogere kritiek. Het probleem, zo zegt hij, is dat „de school van Wellhausen van de pure veronderstelling uitging (waar men nauwelijks moeite voor deed om die te bewijzen) dat Israëls religie net als elke andere religie van louter menselijke oorsprong was en dat ze als louter een produkt van evolutie verklaard moest worden". Met andere woorden, Wellhausen en zijn aanhangers gingen van de veronderstelling uit dat de bijbel louter het woord van mensen was, en daar redeneerden zij vervolgens op door.

In 1909 merkte The Jewish Encyclopedia nog twee zwakke punten in de Wellhausense theorie op: „De argumenten waarmee Wellhausen de hele groep contemporaine bijbelcritici bijna volledig heeft gefascineerd, zijn gebaseerd op twee veronderstellingen: ten eerste dat het ritueel omvangrijker wordt naarmate de religie zich ontwikkelt; ten tweede dat oudere bronnen zich noodzakelijkerwijs met de vroegere stadia van de rituele ontwikkeling bezighouden. De eerstgenoemde veronderstelling strookt niet met het bewijsmateriaal dat door primitieve culturen geleverd wordt, en de laatstgenoemde vindt geen ondersteuning in het bewijsmateriaal dat afkomstig is van rituele codes zoals die van India."

Bestaat er een manier om de hogere kritiek te toetsen, teneinde te zien of haar theorieën al dan niet juist zijn? The Jewish Encyclopedia vervolgde met te zeggen: „Wellhausens zienswijzen berusten bijna uitsluitend op een letterlijke analyse en zullen aangevuld moeten worden met een onderzoek vanuit het gezichtspunt van de institutionele archeologie." Heeft de archeologie met het verstrijken der jaren Wellhausens theorieën bevestigd? The New Encyclopædia Britannica antwoordt: „De archeologische kritiek heeft dikwijls de betrouwbaarheid van de typisch historische details van zelfs de oudste perioden [van de bijbelse geschiedenis] gestaafd en de theorie weersproken dat de Pentateuchverslagen [de historische berichten in de vroegste boeken van de bijbel] louter de weerspiegeling van een veel latere periode zijn."

Hoe komt het dat de hogere kritiek, als ze toch zo zwak staat, thans onder intellectuelen zo populair is? Omdat ze hun dingen vertelt die zij graag horen. Een negentiende-eeuwse geleerde verklaarde: „Persoonlijk heb ik dit boek over Wellhausens theorie meer op prijs gesteld dan enig ander boek, want mijns inziens scheen eindelijk het dringende probleem inzake de geschiedenis van het Oude Testament te zijn opgelost op een wijze die strookte met het beginsel van de menselijke evolutie, dat ik genoodzaakt ben op de geschiedenis van alle religie toe te passen." Kennelijk stemde de hogere kritiek in met zijn vooroordelen als evolutionist. En de twee theorieën dienen inderdaad een soortgelijk doel. Evenals evolutie de noodzaak zou wegnemen in een Schepper te geloven, zou Wellhausens hogere kritiek betekenen dat men niet hoeft te geloven dat de bijbel door God geïnspireerd werd.

In deze rationalistische twintigste eeuw lijkt de veronderstelling dat de bijbel niet het woord van God maar van mensen is, voor intellectuelen geloofwaardig. Zij vinden het veel gemakkelijker te geloven dat profetieën geschreven werden nadat ze vervuld waren dan ze als waarachtig te aanvaarden. Zij geven er de voorkeur aan de bijbelse verslagen over wonderen weg te redeneren als mythen, legenden of volksverhalen, in plaats van de mogelijkheid te beschouwen dat zulke wonderen werkelijk gebeurd zijn. Maar zo’n zienswijze getuigt van vooringenomenheid en biedt geen deugdelijke reden om de waarachtigheid van de bijbel te verwerpen. De hogere kritiek vertoont ernstige leemten, en haar aanval op de bijbel is er niet in geslaagd te bewijzen dat de bijbel niet het Woord van God is.

Ondersteunt de archeologie de bijbel?

De archeologie is een studieterrein dat op een veel hechtere grondslag rust dan de hogere kritiek. Archeologen hebben door te midden van de overblijfselen van vroegere beschavingen te graven, ons begrip van het leven in de oudheid in velerlei opzicht vergroot. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het archeologische bericht herhaaldelijk overeenstemt met wat wij in de bijbel lezen. Soms heeft de archeologie de bijbel zelfs tegenover zijn critici gerechtvaardigd.

Volgens het boek Daniël bijvoorbeeld was de laatste heerser in Babylon voordat dit rijk door de Perzen werd veroverd, een zoon genaamd Belsazar (Daniël 5:1-30). Aangezien er buiten de bijbel geen melding gemaakt scheen te worden van Belsazar, werd de beschuldiging geuit dat de bijbel onjuist was en dat deze man nooit had bestaan. Maar tijdens de negentiende eeuw werden er in enkele ruïnes in Zuid-Irak verscheidene kleine spijkerschriftcylinders gevonden. Daarop bleek onder meer een gebed voor de gezondheid van de oudste zoon van Nabonidus, de koning van Babylon, te staan. De naam van deze zoon? Belsazar.

Er was dus een Belsazar! Maar was hij koning toen Babylon viel? De meeste nadien gevonden documenten duidden hem aan als de zoon van de koning, de kroonprins. Maar een spijkerschriftdocument beschreven als het „Nabonidusgedicht" wierp meer licht op Belsazars ware positie. Daarin stond: „Hij [Nabonidus] gaf het leger in handen van de erfzoon, zijn eerstgeborene, de troepen van alom stelde hij onder diens bevel. Hij legde de macht uit zijn handen en gaf die ander de koningsheerschappij." Het koningschap werd dus aan Belsazar toevertrouwd. Dat maakte hem beslist in alle opzichten een koning! Deze relatie tussen Belsazar en zijn vader, Nabonidus, verklaart waarom Belsazar tijdens het bewuste laatste feestmaal in Babylon aanbood Daniël tot de derde heerser in het koninkrijk te maken (Daniël 5:16). Aangezien Nabonidus de eerste heerser was, was Belsazar zelf slechts de tweede heerser van Babylon.

Ander ondersteunend bewijsmateriaal

Ja, veel archeologische ontdekkingen hebben de historische nauwkeurigheid van de bijbel aangetoond. De bijbel bericht bijvoorbeeld dat nadat koning Salomo het koningschap van zijn vader, David, had overgenomen, Israël grote voorspoed genoot. Wij lezen: „Juda en Israël waren talrijk, zo talrijk als de zandkorrels die aan de zee zijn, terwijl zij aten en dronken en zich verheugden" (1 Koningen 4:20). Ter ondersteuning van deze bewering lezen wij: „Het archeologische bewijsmateriaal onthult dat er gedurende en na de tiende eeuw v. Chr., toen de door David bewerkstelligde vrede en voorspoed het mogelijk maakte vele nieuwe steden te bouwen, in Juda een bevolkingsexplosie was."

Later werden Israël en Juda twee natiën, en Israël veroverde het naburige land Moab. Eens kwam Moab, onder koning Mesa, in opstand, waarop Israël zich met Juda en het naburige koninkrijk Edom verbond om tegen Moab te strijden (2 Koningen 3:4-27). Het is opmerkelijk dat er in 1868 in Jordanië een stèle (een stenen plaat met inscriptie) werd ontdekt waarop in de Moabitische taal Mesa’s eigen verslag van dit conflict stond.

Voorts stond God in het jaar 740 v.G.T. toe dat het opstandige noordelijke koninkrijk Israël door de Assyriërs werd vernietigd (2 Koningen 17:6-18). Sprekend over het bijbelse verslag van deze gebeurtenis, merkt de archeologe Kathleen Kenyon op: „Men zou het vermoeden kunnen hebben dat veel hiervan een hyperbool is." Maar is dat zo? Zij voegt eraan toe: „Hetgeen door het archeologische bewijsmateriaal over de val van het koninkrijk Israël wordt onthuld, is bijna nog levendiger dan het bijbelse verslag erover. . . . De volledige vernietiging van de Israëlitische steden Samária en Hazor, en de ermee gepaard gaande verwoesting van Megiddo, vormt het op feiten berustende archeologische bewijs dat de [bijbel]schrijver niet overdreef."

Weer later vertelt de bijbel ons dat Jeruzalem ten tijde van koning Jojachin door de Babyloniërs belegerd en overwonnen werd. Deze gebeurtenis wordt vermeld in de Babylonische Kroniek, een door archeologen ontdekt spijkerschrifttablet. Daarop lezen wij: „De koning van Akkad [Babylon] . . . belegerde de stad Juda (iahudu) en de koning nam de stad in op de tweede dag van de maand Addaru." Jojachin werd naar Babylon gevoerd en gevangengezet. Maar volgens de bijbel werd hij later uit de gevangenis ontslagen en werd hem een voedselrantsoen toegewezen (2 Koningen 24:8-15; 25:27-30). Dit wordt door in Babylon gevonden administratieve documenten gestaafd, die onder meer melding maken van de rantsoenen die gegeven werden aan „Jaukîn, koning van Juda".

Over de relatie tussen de archeologie en de historische verslagen van de bijbel merkte professor David Noel Freedman op: „In het algemeen staaft de archeologie echter de historische deugdelijkheid van het bijbelse verslag. Het globale chronologische schema vanaf de patriarchen tot de tijd van het N[ieuwe] T[estament] sluit aan bij archeologische gegevens. . . . Toekomstige ontdekkingen zullen waarschijnlijk de huidige bescheiden visie bevestigen dat de bijbelse overlevering geworteld is in de geschiedenis, en getrouw is doorgegeven, zij het dan niet geschiedenis in de kritische of wetenschappelijke zin."

Vervolgens zegt hij over de pogingen van de critici om de bijbel in diskrediet te brengen: „De pogingen die door hedendaagse geleerden zijn gedaan om de bijbelse geschiedenis te reconstrueren — b.v. Wellhausens opvatting dat het patriarchale tijdperk een weerspiegeling van de gesplitste monarchie was; of de verwerping van de historiciteit van Mozes en de exodus en de daaruit voortvloeiende herstructurering van de Israëlitische geschiedenis door Noth en zijn aanhangers — zijn door zowel de archeologische gegevens als het bijbelse verslag tenietgedaan."

De val van Jericho

Wil dit zeggen dat de archeologie in alle gevallen met de bijbel overeenstemt? Nee, soms is er geen overeenstemming. Eén zo’n geval is de in het begin van dit hoofdstuk beschreven dramatische verovering van Jericho. Volgens de bijbel was Jericho de eerste stad die door Jozua werd veroverd toen hij de Israëlieten aanvoerde bij de intocht in het land Kanaän. De bijbelse chronologie geeft te kennen dat de stad viel in de eerste helft van de vijftiende eeuw v.G.T. Na de verovering werd Jericho volledig met vuur verbrand en bleef toen honderden jaren onbewoond. — Jozua 6:1-26; 1 Koningen 16:34.

Voor de Tweede Wereldoorlog werd de plaats waar naar men aannam Jericho had gelegen, door professor John Garstang blootgelegd. Hij bemerkte dat hij te doen had met een zeer oude stad, die vele malen verwoest en herbouwd was. Garstang ontdekte dat tijdens een van deze verwoestingen de muren als door een aardbeving ingestort waren en de stad volledig met vuur verbrand was. Volgens Garstang had dit omstreeks 1400 v.G.T. plaatsgevonden, wat niet zoveel verschilt van de datum die in de bijbel voor de vernietiging van Jericho door Jozua te kennen wordt gegeven.

Na de oorlog werden de opgravingen te Jericho door de archeologe Kathleen Kenyon voortgezet. Zij kwam tot de conclusie dat de ingestorte muren die Garstang had geïdentificeerd, uit een honderden jaren vroegere tijd dateerden dan hij dacht. Wel stelde zij vast dat er een grote vernietiging van Jericho moest hebben plaatsgevonden in de zestiende eeuw v.G.T., maar zei dat er zich gedurende de vijftiende eeuw — toen volgens de bijbel Jozua het land binnenviel — geen stad op de plek van Jericho bevond. Vervolgens vermeldt zij mogelijke aanwijzingen voor nog een vernietiging die in 1325 v.G.T. aldaar plaatsgevonden zou kunnen hebben en oppert de gedachte: „Als de vernietiging van Jericho in verband gebracht moet worden met een invasie onder leiding van Jozua, dan is dit [laatstgenoemde datum] de datum die de archeologie te kennen geeft."

Betekent dit dat de bijbel het bij het verkeerde eind heeft? Volstrekt niet. Wij moeten bedenken dat hoewel de archeologie ons een kijkje in het verleden geeft, dit niet altijd een zuivere kijk is. Soms is het beeld beslist troebel. Zoals één commentator opmerkte: „Het archeologische bewijsmateriaal is helaas fragmentarisch en daarom beperkt." Dit geldt vooral voor de vroegere perioden van de Israëlitische geschiedenis, aangezien het archeologische bewijsmateriaal niet duidelijk is. Ja, het bewijsmateriaal is zelfs nog minder duidelijk te Jericho, want de plek is ernstig door erosie aangetast.

De beperkingen van de archeologie

Archeologen zelf geven de beperkingen van hun wetenschap toe. Yohanan Aharoni bijvoorbeeld legt uit: „Wanneer het op historische of historisch-geografische interpretatie aankomt, stapt de archeoloog uit het rijk der exacte wetenschappen en moet hij zich verlaten op waardeoordelen en hypothesen om een uitgebreid historisch beeld te krijgen." Met betrekking tot de datums die aan diverse ontdekkingen worden toegeschreven, voegt hij eraan toe: „Wij moeten daarom altijd bedenken dat niet alle datums absoluut zijn en dat ze in afwisselende mate twijfelachtig zijn", hoewel hij van mening is dat de hedendaagse archeologen meer vertrouwen in hun dateringen kunnen hebben dan in het verleden het geval was.

In The World of the Old Testament wordt de vraag gesteld: „Hoe objectief of werkelijk wetenschappelijk is de archeologische methode?" Dan volgt het antwoord: „Archeologen zijn objectiever bij het blootleggen van de feiten dan bij het interpreteren ervan. Maar hun menselijke vooroordelen zullen ook van invloed zijn op de methoden waarvan zij zich bij het ’graven’ bedienen. Zij kunnen niet vermijden dat zij bij het doorgraven van de aardlagen hun bewijsmateriaal vernietigen, zodat zij hun ’experiment’ nooit kunnen toetsen door het te herhalen. Dit maakt de archeologie tot iets unieks onder de wetenschappen. Bovendien maakt het de archeologische verslaggeving tot een uiterst veeleisende taak vol valkuilen."

De archeologie kan dus zeer nuttig zijn, maar is net als elke menselijke krachtsinspanning feilbaar. Hoewel wij archeologische theorieën met belangstelling beschouwen, dienen wij ze nooit als onomstotelijke waarheid te bezien. Als archeologen hun vondsten interpreteren op een wijze die in tegenspraak is met de bijbel, dient men niet automatisch aan te nemen dat de bijbel het bij het verkeerde eind heeft en de archeologen het bij het rechte eind hebben. Zoals iedereen weet, zijn hun interpretaties aan verandering onderhevig.

Het is interessant op te merken dat professor John J. Bimson in 1981 opnieuw een onderzoek naar de vernietiging van Jericho instelde. Hij bestudeerde nauwkeurig de vurige vernietiging van Jericho die — volgens Kathleen Kenyon — in het midden van de zestiende eeuw v.G.T. had plaatsgevonden. Volgens hem paste niet alleen die vernietiging in het bijbelse verslag van Jozua’s vernietiging van de stad, maar komt ook het archeologische beeld van Kanaän in zijn geheel volmaakt overeen met de bijbelse beschrijving van Kanaän toen de Israëlieten het land binnenvielen. Hij wijst er derhalve op dat de archeologische datering onjuist is en oppert dat deze vernietiging in werkelijkheid in het midden van de vijftiende eeuw v.G.T., tijdens het leven van Jozua, heeft plaatsgevonden.

De bijbel, een boek van ware geschiedenis

Dit illustreert het feit dat archeologen het onderling vaak oneens zijn. Het wekt dan ook geen verbazing dat sommigen het niet met de bijbel eens zijn en anderen wel. Niettemin zijn sommige geleerden de historiciteit van de bijbel in het algemeen, zij het niet in elk detail, gaan respecteren. William Foxwell Albright gaf één denkwijze weer toen hij schreef: „Er is een algemene terugkeer tot het besef dat de religieuze geschiedenis van Israël, zowel globaal genomen als in feitendetails, nauwkeurig is. . . . Kortom, wij kunnen de bijbel nu weer van begin tot eind als een authentiek document van religieuze geschiedenis beschouwen."

De bijbel draagt trouwens zelf het stempel van nauwkeurige geschiedenis. Gebeurtenissen worden, in tegenstelling tot die van de meeste oude mythen en legenden, in verband gebracht met specifieke tijden en datums. Vele in de bijbel opgetekende gebeurtenissen worden gestaafd door inscripties die uit die tijden dateren. Wanneer er een verschil bestaat tussen de bijbel en de een of andere oude inscriptie, kan de tegenstrijdigheid vaak toegeschreven worden aan het feit dat heersers uit de oudheid hun eigen nederlagen liever verzwegen en hun successen graag ophemelden.

Ja, veel van die oude inscripties zijn niet zozeer geschiedenis als wel officiële propaganda. De bijbelschrijvers daarentegen leggen een uitzonderlijke eerlijkheid aan de dag. Grote figuren als Mozes en Aäron komen voor het voetlicht met al hun zwakke en sterke punten. Zelfs de tekortkomingen van de grote koning David worden niet verheeld. De gebreken van de natie in haar geheel worden herhaaldelijk aan de kaak gesteld. Deze openhartigheid beveelt de Hebreeuwse Geschriften als waarachtig en betrouwbaar aan en verleent gewicht aan de woorden van Jezus, die in gebed tot God zei: „Uw woord is waarheid." — Johannes 17:17.

Albright zei verder nog: „In elk geval torent de bijbel wat de inhoud betreft uit boven alle vroegere religieuze literatuur; en hij torent net zo indrukwekkend uit boven alle daaropvolgende literatuur wat de rechtstreekse eenvoud van zijn boodschap en de katholiciteit [allesomvattende reikwijdte] van zijn aantrekkingskracht op mensen uit alle landen en tijden betreft." Deze ’boven alles uittorenende boodschap’, en niet het getuigenis van geleerden, vormt het bewijs voor de inspiratie van de bijbel, zoals wij in latere hoofdstukken zullen zien. Laten wij hier echter opmerken dat hedendaagse rationalistische denkers er niet in zijn geslaagd te bewijzen dat de Hebreeuwse Geschriften geen ware geschiedenis bevatten, terwijl deze geschriften zelf elk bewijs leveren dat ze nauwkeurig zijn. Kan hetzelfde gezegd worden van de christelijke Griekse Geschriften, het „Nieuwe Testament"? Dat zullen wij in het volgende hoofdstuk beschouwen.

[Voetnoten]

„Hogere kritiek" (of „de historisch-kritische methode") is een term die wordt gebruikt om de studie van de bijbel te beschrijven die ten doel heeft bepaalde details zoals auteurschap, bronnenmateriaal en datum van compositie van elk boek na te gaan.

De Engelse dichter John Milton bijvoorbeeld schreef zijn verheven epische gedicht „Paradise Lost" in een heel andere stijl dan zijn gedicht „L’Allegro". En zijn politieke pamfletten werden in weer een andere stijl geschreven.

De meeste intellectuelen in deze tijd hellen over tot het rationalisme. Volgens het woordenboek betekent rationalisme het „zich verlaten op de rede als de basis voor het vaststellen van wat religieuze waarheid is". Rationalisten trachten alles in menselijke termen te verklaren, in plaats van de mogelijkheid van goddelijk optreden in aanmerking te nemen.

Interessant is dat een in de jaren ’70 in Noord-Syrië gevonden standbeeld van een oude heerser liet zien dat het niet vreemd was een heerser als koning aan te duiden wanneer hij, strikt gesproken, een lagere titel had. Het standbeeld was van een heerser van Gozan en was beschreven in het Assyrisch en het Aramees. De Assyrische inscriptie noemde de man stadhouder van Gozan, maar de parallelle Aramese inscriptie noemde hem koning.9 Het zou dus niet zonder precedent zijn dat Belsazar in de officiële Babylonische inscripties als kroonprins wordt aangeduid, terwijl hij in het Aramese geschrift van Daniël koning wordt genoemd.

In tegenstelling tot oude wereldlijke geschiedverhalen vermeldt de bijbel eerlijk de menselijke tekortkomingen van gerespecteerde figuren als Mozes en David

[Kader]

De waarde van de archeologie

„De archeologie verschaft een verzameling van oude gereedschappen en vaten, muren en gebouwen, wapens en decoraties. De meeste hiervan kunnen chronologisch gerangschikt worden alsook betrouwbaar geïdentificeerd worden met passende termen en contexten die in de bijbel zijn vervat. In deze zin bewaart de bijbel nauwkeurig in geschreven vorm zijn oude cultuurmilieu. De details van bijbelse verhalen zijn niet aan de fantasie van een schrijver ontsproten, maar zijn veeleer authentieke weerspiegelingen van de wereld waarin de geboekstaafde gebeurtenissen, van het aardse tot het miraculeuze, hebben plaatsgevonden." The Archaeological Encyclopedia of the Holy Land.

[Kader]

Wat de archeologie wel en niet kan

„De archeologie bevestigt noch de juistheid noch de onjuistheid van de bijbel in afdoende termen, maar ze vervult andere, heel belangrijke functies. Ze haalt tot op zekere hoogte de materiële wereld terug die door de bijbel wordt voorondersteld. Als wij bijvoorbeeld te weten komen van welke materialen een huis werd gebouwd, of hoe een ’hoge plaats’ eruitzag, wordt ons begrip van de tekst ten zeerste vergroot. Ten tweede vult ze het historische bericht aan. De Moabitische Steen bijvoorbeeld geeft de andere versie van het verhaal dat in 2 Koningen 3:4 e.v. wordt behandeld. . . . Ten derde onthult ze hoe de naburen van het oude Israël leefden en dachten — hetgeen op zichzelf interessant is en bovendien licht werpt op de gedachtenwereld waarin de denkwijze van het oude Israël zich ontwikkelde." Ebla A Revelation in Archaeology.

 

 

De archeologie en het geïnspireerde verslag

Een studie van archeologische ontdekkingen en oude verslagen uit de wereldlijke geschiedenis die het bijbelse verslag bevestigen

BIJBELSE archeologie is de studie van de volken en gebeurtenissen uit bijbelse tijden aan de hand van geschriften, gebruiksvoorwerpen, bouwwerken en andere in de aarde aangetroffen overblijfselen. Het zoeken naar overblijfselen of artefacten op oude bijbelse plaatsen heeft veel wetenschappelijk onderzoekingswerk en de verplaatsing van miljoenen tonnen aarde gevergd. Een artefact is iets wat door mensenhanden gemaakt of bewerkt is en aan de hand waarvan men kan zien hoe mensen hebben geleefd en gewerkt. Artefacten kunnen bijvoorbeeld potscherven, ruïnes van bouwwerken, kleitabletten, inscripties, documenten, monumenten en in steen gegrifte kronieken zijn.

Al spoedig na het begin van de 20ste eeuw had de archeologie zich ontwikkeld tot een terrein van grondige studie, en met financiële steun van belangrijke universitaire instituten en musea in Europa en Amerika werden er expedities naar bijbelse landen ondernomen. Daardoor hebben archeologen een schat aan inlichtingen kunnen blootleggen die licht werpen op de levensomstandigheden in bijbelse tijden. Soms hebben archeologische vondsten aangetoond dat de bijbel authentiek en tot in de kleinste bijzonderheden nauwkeurig is.

DE ARCHEOLOGIE EN DE HEBREEUWSE GESCHRIFTEN

De toren van Babel. Volgens de bijbel was de toren van Babel een kolossaal bouwwerk (Gen. 11:1-9). Het is interessant dat archeologen in de ruïnes van het oude Babylon en in het omliggende gebied verscheidene zigurrats of piramidevormige, terrasgewijs gebouwde torentempels hebben blootgelegd, zoals bijvoorbeeld de ruïnes van de tempel Etemenanki, die binnen Babylons muren lag. Oude verslagen over zulke tempels bevatten vaak de woorden: „Zijn top zal tot aan de hemel reiken." Koning Nebukadnezar heeft naar verluidt gezegd: „Ik verhoogde de top van de terrasvormige toren te Etemenanki, zodat die met de hemel wedijverde." In één fragment wordt over de ineenstorting van zo’n zigurrat het volgende bericht: „De bouw van deze tempel krenkte de goden. Op een nacht haalden zij wat was gebouwd, omver. Zij verstrooiden hen naar alle kanten en maakten hun spraak vreemd. Zij belemmerden de vooruitgang."

De watertunnels bij de Gihonbron. In 1867 ontdekte Charles Warren in de omgeving van Jeruzalem een waterkanaal dat van de Gihonbron terugliep de heuvel in. Een schacht liep omhoog naar de Stad van David. Dit was kennelijk de weg waarlangs Davids mannen voor het eerst de stad binnendrongen (2 Sam. 5:6-10). In de jaren 1909–1911 werd het hele tunnelsysteem dat bij de Gihonbron begon, blootgelegd. Eén indrukwekkende tunnel van gemiddeld 1,8 m hoog was over een afstand van 533 m in de massieve rots uitgehouwen en voerde van de Gihonbron naar de vijver van Siloam in het Tyropeondal (binnen de stad). Blijkbaar is dit de door Hizkia gebouwde watertunnel. Op de wand van de smalle tunnel werd een inscriptie in Oudhebreeuws schrift gevonden. Deze luidt ten dele: „Dit nu is de geschiedenis van de doorboring. Terwijl de arbeiders nog voortdurend houweel na houweel ophieven in elkanders richting, en nog slechts drie el (= bijna anderhalve meter) doorboord moest worden, hoorden zij elkanders stemmen, terwijl zij elkander toeriepen, aangezien er aan de rechterkant een spleet in de rots was. En op de dag van de doorboring sloegen de steenhouwers houweel tegen houweel om elkander te ontmoeten; en het water stroomde naar de vijver over een afstand van 1200 el (= ca vijfhonderdveertig meter), en de rots verhief zich honderd el (= ca 45 meter) boven de hoofden der steenhouwers." Wat een opmerkelijk staaltje van bouwtechniek voor die tijd! — 2 Kon. 20:20; 2 Kron. 32:30.

Sisaks overwinningsreliëf. Sisak, de koning van Egypte, wordt zevenmaal in de bijbel genoemd. Omdat koning Rehabeam de wet van Jehovah had verlaten, liet Jehovah toe dat Sisak in 993 v.G.T. Juda binnenviel, zonder het echter volledig te verwoesten (1 Kon. 14:25-28; 2 Kron. 12:1-12). Tot voor kort scheen alleen het bijbelse verslag deze invasie te vermelden. Toen kwam er een omvangrijk document aan het licht dat afkomstig was van de farao die in de bijbel Sisak (Sjesjonk I) wordt genoemd: een imposant reliëf met hiërogliefen en afbeeldingen op de zuidelijke muur van een grote Egyptische tempel te Karnak (het oude Thebe). Op dit gigantische reliëf wordt de Egyptische god Amon afgebeeld, die in zijn rechterhand een sikkelvormig zwaard houdt. Hij brengt 156 geboeide Palestijnse gevangenen, die hij met touwen aan zijn linkerhand houdt, naar farao Sisak. Elke gevangene vertegenwoordigt een stad of dorp, waarvan de naam in hiërogliefen wordt vermeld. Enkele namen die nog gelezen en geïdentificeerd kunnen worden, zijn Rabbith (Joz. 19:20); Taänach, Beth-Sean en Megiddo (Joz. 17:11); Sunem (Joz. 19:18); Rehob (Joz. 19:28); Hafaraïm (Joz. 19:19); Gibeon (Joz. 18:25); Beth-Horon (Joz. 21:22); Ajalon (Joz. 21:24); Socho (Joz. 15:35) en Arad (Joz. 12:14). Het document maakt ook melding van het „Veld van Abram", en dit is de eerste keer dat Abraham in Egyptische verslagen wordt genoemd.

De Mesasteen. In 1868 deed de Duitse zendeling F. A. Klein een opmerkelijke ontdekking in Diban (Dibon). Hij vond een oude inscriptie op een steen die bekend kwam te staan als de Mesasteen. Er werd een afdruk van het schrift gemaakt, maar de steen zelf werd door de bedoeïenen in stukken gebroken voordat hij meegenomen kon worden. De meeste brokstukken werden echter weer gevonden, en de steen wordt nu in het Louvre te Parijs bewaard, terwijl een kopie ervan zich in het British Museum te Londen bevindt. De steen werd oorspronkelijk te Dibon in Moab opgericht en bevat koning Mesa’s versie van zijn opstand tegen Israël (2 Kon. 1:1; 3:4, 5). De tekst luidt gedeeltelijk: „Ik ben Mesa, zoon van Kamos, koning van Moab, de Diboniet. . . . Omri, koning van Israël, vernederde Moab vele dagen, want Kamos [de god van Moab] was boos op zijn land; en zijn zoon volgde hem op en zei eveneens: ’Ik zal Moab vernederen.’ In mijn dagen sprak hij aldus, maar ik heb hem en zijn huis overwonnen, terwijl Israël voor altijd is vergaan. . . . En Kamos zei mij: ’Ga, neem Nebo van Israël.’ En ik ging ’s nachts en bevocht hen van het ochtendgloren af tot de middag, terwijl ik allen nam en doodde . . . En ik nam de vaten van Jahwe en sleepte [ze] voor Kamos." Merk op dat in de laatste zin de goddelijke naam wordt genoemd. Men kan de naam op de bijgaande afbeelding van de Mesasteen zien. Hij heeft de vorm van het Tetragrammaton en staat aan de rechterkant van het document, op de 18de regel.

De Mesasteen vermeldt ook de volgende bijbelse plaatsen: Ataroth en Nebo (Num. 32:34, 38); de Arnon, Aroër, Medeba en Dibon (Joz. 13:9); Bamoth-Baäl, Beth-Baäl-Meon, Jahaz en Kirjathaïm (Joz. 13:17-19); Bezer (Joz. 20:8); Horonaïm (Jes. 15:5); Beth-Diblathaïm en Kerioth (Jer. 48:22, 24). Aldus getuigt hij van de historiciteit van deze plaatsen.

Koning Sanheribs prisma. De bijbel geeft een zeer uitvoerig verslag van de invasie door de Assyriërs onder koning Sanherib in 732 v.G.T. (2 Kon. 18:13–19:37; 2 Kron. 32:1-22; Jes. 36:1–37:38). In de jaren 1847–1851 heeft de Engelse archeoloog A. H. Layard in Nineve in het gebied van het oude Assyrië de ruïnes van Sanheribs grote paleis opgegraven. Men stelde vast dat het paleis ongeveer 70 kamers moet hebben gehad, met ruim 3000 m aan muren die met gebeeldhouwde panelen waren afgezet. Sanheribs annalen of jaarlijkse verslagen van gebeurtenissen werden op kleicilinders of prisma’s opgetekend. De kennelijk kort voor zijn dood gemaakte laatste uitgave van deze annalen komt voor op wat als het Taylorprisma bekendstaat, dat in het British Museum wordt bewaard, maar het Oriental Institute van de University of Chicago heeft een nog betere tekst op een prisma dat in de buurt van het oude Nineve, de hoofdstad van het Assyrische Rijk, werd gevonden.

In deze laatste annalen geeft Sanherib zijn eigen pocherige versie van zijn invasie in Juda: „Wat betreft Hizkia van Juda, die zich niet onder mijn juk had gebogen: 46 van zijn versterkte steden, vestingen, en talloze kleine steden in hun omgeving, heb ik belegerd en veroverd door het opwerpen van wallen, het benaderen met belegeringstorens, door de strijd van de stoottroepen, door bressen, mijnen en rammen. 200150 mensen, jong en oud, mannen en vrouwen, paarden, muildieren, ezels, kamelen, groot- en kleinvee zonder tal, heb ik uit hun midden weggevoerd en als buit gerekend. Hemzelf [Hizkia] heb ik als een vogel in een kooi in Jeruzalem, zijn residentie, opgesloten. . . . Zijn steden, die ik geplunderd had, heb ik van zijn land afgesneden, om ze aan Mitinti, koning van Asdod, Padi, koning van Ekron, en Sillibel, koning van Gaza, te geven . . . Hizkia zelf was zo overweldigd . . . dat hij . . . te zamen met 30 talenten goud, 800 talenten zilver, edelstenen, schmink, grote blokken rode steen, met ivoor ingelegde divans, met ivoor ingelegde staatsiezetels, olifantshuiden, olifantstanden, ahornhout, taxishout, alle soort van kostbare schatten, en zijn dochters, zijn hofdames, zangers en zangeressen, mij naar Nineve, de stad van mijn heerschappij, heeft laten nabrengen. Om de schatting te betalen en zijn onderwerping te betuigen, heeft hij zijn [persoonlijke] gezant gezonden." Wat deze door Sanherib aan Hizkia opgelegde schatting betreft, de bijbel bevestigt de 30 talenten goud maar noemt slechts 300 talenten zilver. Bovendien toont de bijbel aan dat dit gebeurde voordat Sanherib Jeruzalem met belegering bedreigde. In Sanheribs tendentieuze berichtgeving ten behoeve van de geschiedenis van Assyrië verzwijgt hij bewust zijn verpletterende nederlaag in Juda, toen Jehovah’s engel in één nacht 185.000 van zijn soldaten doodde, als gevolg waarvan Sanherib als een geslagen hond naar Nineve terug moest vluchten. Niettemin blijkt uit dit pocherige verslag op Sanheribs prisma dat er een geweldige invasie in Juda heeft plaatsgevonden voordat Jehovah de Assyriërs, toen zij Jeruzalem bedreigden, ertoe dwong terug te keren. — 2 Kon. 18:14; 19:35, 36.

De Lachisbrieven. De beroemde vestingstad Lachis wordt in de bijbel meer dan 20 maal genoemd. Ze lag 44 km ten westzuidwesten van Jeruzalem. Een aanzienlijk deel van de ruïnes is opgegraven. In 1935 vond men in een wachtlokaal van het dubbele poortgebouw 18 ostraka of beschreven potscherven (in 1938 werden er nog eens 3 gevonden). Het bleken een aantal brieven in Oudhebreeuws schrift te zijn. Deze verzameling van 21 ostraka staat thans bekend als de Lachisbrieven. Lachis was een van de vestingen van Juda die het langst standhielden tegen Nebukadnezar. In de jaren 609–607 v.G.T. werd ze in een hoop verkoolde ruïnes veranderd. De brieven weerspiegelen de benardheid van de tijd. Ze werden schijnbaar door overgebleven buitenposten van Judese troepen geschreven en zijn gericht aan Jaosj, een militaire bevelhebber te Lachis. Een van deze brieven (nr. IV) luidt gedeeltelijk: „Moge JHWH [Tetragrammaton, „Jehovah"] mijn heer zelfs nu goede tijdingen doen horen. . . . wij letten op de vuursignalen van Lachis, volgens alle tekens die mijn heer geeft, omdat wij Azeka niet zien." Dit vormt een treffende bevestiging van Jeremia 34:7, waar Lachis en Azeka als de twee laatste nog overgebleven versterkte steden worden genoemd. Deze brief schijnt te kennen te geven dat Azeka reeds gevallen was. De goddelijke naam, in de vorm van het Tetragrammaton, komt veelvuldig in de brieven voor, waaruit blijkt dat de joden destijds de naam Jehovah in het dagelijks leven gebruikten.

Een andere brief (nr. III) begint als volgt: „Moge JHWH [Jehovah] mijn heer vredesberichten doen horen! . . . En aan uw dienaar is het volgende gerapporteerd: ’De bevelhebber van het leger, Konjah, de zoon van Elnathan, is gekomen om naar Egypte te gaan en aan Hodavjah, de zoon van Ahia, en zijn mannen heeft hij bericht gezonden om [proviand] van hem te verkrijgen.’" Deze brief schijnt te bevestigen dat Juda in strijd met Jehovah’s bevel en tot zijn eigen vernietiging naar Egypte afdaalde om hulp (Jes. 31:1; Jer. 46:25, 26). De namen Elnathan en Hosaja, die in de volledige tekst van deze brief voorkomen, staan ook in Jeremia 36:12 en Jeremia 42:1. Drie andere namen die in de brieven worden genoemd, treft men ook aan in het bijbelboek Jeremia, namelijk Gemarja, Neria en Jaäzanja. — Jer. 32:12; 35:3; 36:10.

De Naboniduskroniek. In de tweede helft van de 19de eeuw hebben opgravingen in de buurt van Bagdad vele vondsten in de vorm van kleitabletten en cilinders opgeleverd die veel licht op de geschiedenis van het oude Babylon hebben geworpen. Onder de vondsten bevond zich het zeer waardevolle document dat als de Naboniduskroniek bekendstaat en zich thans in het British Museum bevindt. Koning Nabonidus van Babylon was de vader van Belsazar, zijn mederegent. Hij overleefde zijn zoon, die in de nacht van 5 oktober 539 v.G.T., toen de troepen van Cyrus de Pers Babylon innamen, werd gedood (Dan. 5:30, 31). De Naboniduskroniek, een opmerkelijk goed gedateerd verslag van de val van Babylon, is een hulp om vast te stellen op welke dag deze gebeurtenis zich heeft voorgedaan. Hier volgt een vertaling van een klein gedeelte van de Naboniduskroniek: „In de maand Tasjritu [Tisjri (september/oktober)], toen Cyrus het leger van Akkad in Opis aan de Tigris aanviel . . . op de 14de dag, werd Sippar zonder strijd ingenomen. Nabonidus vluchtte. Op de 16de dag [11 oktober 539 v.G.T., Juliaanse kalender, of 5 oktober, Gregoriaanse kalender] trokken Gobryas (Ugbaru), de stadhouder van Gutium, en het leger van Cyrus zonder strijd Babylon binnen. Nadien werd Nabonidus in Babylon gevangengenomen toen hij (daar) terugkeerde. . . . In de maand Arahsjamnu [Marchesvan (oktober/november)], op de derde dag [28 oktober, Juliaanse kalender], trok Cyrus Babylon binnen, groene twijgen werden voor hem uitgespreid — ’Vrede’ (sulmu) werd over de stad afgeroepen. Cyrus zond aan geheel Babylon groeten. Gobryas, zijn stadhouder, installeerde (onder-)stadhouders in Babylon."

Gelieve op te merken dat Darius de Meder niet in deze kroniek wordt genoemd, en tot dusver heeft men in geen enkele niet-bijbelse inscriptie, noch in andere documenten van de wereldlijke geschiedenis uit de tijd vóór Josephus (joodse geschiedschrijver uit de eerste eeuw G.T.), een vermelding van deze Darius gevonden. Sommigen vermoeden daarom dat hij de Gobryas zou kunnen zijn die in het bovenstaande verslag wordt genoemd. Hoewel dat wat men over Gobryas weet, overeen schijnt te komen met wat over Darius bekend is, kan toch niet met zekerheid worden gezegd dat het om dezelfde persoon gaat. In elk geval stelt de wereldlijke geschiedenis onomstotelijk vast dat Cyrus bij de verovering van Babylon een sleutelrol speelde en dat hij daarna in Babylon als koning heeft geregeerd.

De Cyruscilinder. Enige tijd nadat Cyrus als koning van de Perzische wereldmacht was begonnen te regeren, werd zijn verovering van Babylon in 539 v.G.T. schriftelijk vastgelegd op een kleicilinder. Dit bijzondere document wordt eveneens in het British Museum bewaard. Een gedeelte van de vertaalde tekst luidt als volgt: „Ik ben Cyrus, koning van de wereld, grote koning, rechtmatige koning, koning van Babylon, koning van Sumer en Akkad, koning van de vier hoeken (van de aarde), . . . Ik gaf aan [bepaalde eerder genoemde] heilige steden aan de overzijde van de Tigris, waarvan de heiligdommen reeds lange tijd in puin lagen, de beelden terug die daar (plachten) te staan en richtte er permanente heiligdommen voor op. Ik bracht (ook) al hun (vroegere) inwoners bijeen en gaf hun woonplaatsen (aan hen) terug."

De Cyruscilinder onthult aldus de gedragslijn van de koning om gevangengenomen volken naar hun geboortegrond terug te brengen. In overeenstemming hiermee vaardigde Cyrus zijn decreet uit waarin hij de joden verlof gaf naar Jeruzalem terug te keren om daar het huis van Jehovah te herbouwen. Interessant is dat Jehovah Cyrus reeds 200 jaar voordien met name had genoemd en omtrent hem had voorzegd dat hij Babylon zou innemen en Jehovah’s volk zou laten terugkeren. — Jes. 44:28; 45:1; 2 Kron. 36:23.

DE ARCHEOLOGIE EN DE CHRISTELIJKE GRIEKSE GESCHRIFTEN

Net als in het geval van de Hebreeuwse Geschriften heeft de archeologie ook vele interessante artefacten aan het licht gebracht waardoor het geïnspireerde verslag in de christelijke Griekse Geschriften wordt ondersteund.

Denariusmunt met de beeltenis van Tiberius. De bijbel toont duidelijk aan dat Jezus’ bediening plaatsvond tijdens de regering van Tiberius Caesar. Sommige van Jezus’ tegenstanders probeerden hem in de val te laten lopen door hem een vraag te stellen over het betalen van hoofdgeld aan caesar. Het verslag luidt: „Daar hij hun huichelarij doorzag, zei hij tot hen: ’Waarom stelt gij mij op de proef? Brengt mij een denarius, zodat ik die kan bekijken.’ Zij brachten er een. En hij zei tot hen: ’Wiens beeld en opschrift is dit?’ Zij zeiden tot hem: ’Van caesar.’ Daarop zei Jezus: ’Betaalt caesar terug wat van caesar, maar God wat van God is.’ En zij gingen zich over hem verwonderen" (Mark. 12:15-17). Archeologen hebben een zilveren denariusmunt gevonden met de kop van Tiberius Caesar! Deze munt werd omstreeks 15 G.T. in omloop gebracht. Dit stemt overeen met het feit dat Tiberius in 14 G.T. als keizer begon te regeren, en vormt een extra ondersteuning voor het verslag waarin wordt gezegd dat de bediening van Johannes de Doper in het 15de jaar van Tiberius, of in het voorjaar van 29 G.T., begon. — Luk. 3:1, 2.

Pontius-Pilatusinscriptie. De eerste archeologische vondst betreffende Pontius Pilatus werd in 1961 in Cesarea gedaan. Het betrof een stenen plaat waarop in het Latijn de naam Pontius Pilatus staat.

De Areopagus. In 50 G.T. hield Paulus in Athene (Griekenland) een van zijn beroemdste op schrift gestelde toespraken (Hand. 17:16-34). Dit was toen bepaalde Atheners Paulus grepen en hem naar de Areopagus voerden. De Areopagus of Aresheuvel (Marsheuvel) is de naam van een kale, rotsachtige, ongeveer 110 m hoge heuvel onmiddellijk ten noordwesten van de Acropolis van Athene. In de rots uitgehouwen treden leiden naar de top, waar men nog steeds ruwe, in de rots uitgehouwen zitbanken kan zien die drie zijden van een vierkant vormen. De Areopagus is er nog steeds, als een bevestiging van de in de bijbel beschreven omlijsting van Paulus’ historische toespraak.

De Titusboog. Jeruzalem en zijn tempel werden in 70 G.T. door de Romeinen onder Titus verwoest. Het jaar daarop vierde Titus te zamen met zijn vader, keizer Vespasianus, zijn overwinning in Rome. Zevenhonderd geselecteerde joodse gevangenen werden in de triomftocht meegevoerd. Ook werd een grote hoeveelheid aan oorlogsbuit, waaronder tempelschatten, in de optocht meegevoerd. Titus zelf werd keizer, in welke hoedanigheid hij van 79 tot 81 G.T. diende, en na zijn dood werd een groot monument, de Titusboog, voltooid en aan divo Tito (de vergoddelijkte Titus) opgedragen. Zijn triomftocht wordt aan beide zijden van de doorgang door de boog in bas-reliëf afgebeeld. Aan de ene kant ziet men de Romeinse soldaten afgebeeld, met een lauwerkrans om het hoofd. Zij hebben speren zonder punt bij zich en dragen het heilige gerei van de tempel in Jeruzalem, onder andere de zevenarmige lampestandaard en de tafel van het toonbrood, waarop men de heilige trompetten ziet liggen. Het reliëf aan de andere kant van de doorgang toont de zegevierende Titus, staande in een door vier paarden getrokken wagen die wordt geleid door een vrouw — een zinnebeeld van de stad Rome. Elk jaar bezichtigen duizenden toeristen deze triomfboog van Titus, die nog steeds in Rome staat als een stilzwijgend getuigenis van de vervulling van Jezus’ profetie en de verschrikkelijke voltrekking van Jehovah’s oordeel aan het opstandige Jeruzalem. — Matth. 23:37–24:2; Luk. 19:43, 44; 21:20-24.

Zoals de ontdekking van oude handschriften het mogelijk heeft gemaakt de zuivere, oorspronkelijke tekst van de bijbel te herstellen, heeft de ontdekking van de grote hoeveelheid artefacten vaak aangetoond dat wat in de bijbeltekst staat tot in de kleinste bijzonderheden betrouwbaar is, zowel in historisch als in chronologisch en geografisch opzicht. Het zou echter verkeerd zijn te concluderen dat de archeologie in elk afzonderlijk geval met de bijbel overeenstemt. Wij moeten in gedachte houden dat de archeologie geen onfeilbaar studieterrein is. Archeologische vondsten zijn onderhevig aan menselijke interpretaties, en sommige van deze interpretaties zijn van tijd tot tijd herzien. De archeologie heeft soms wat extra ondersteuning verschaft aan de betrouwbaarheid van Gods Woord. Ja, zoals eens is gezegd door wijlen Sir Frederic Kenyon, die jarenlang directeur en eerste bibliothecaris van het British Museum is geweest, heeft de archeologie de bijbel „door een vollediger kennis van de achtergrond en omlijsting van het daarin gebodene begrijpelijker gemaakt". Maar geloof moet op de bijbel gebaseerd zijn, niet op de archeologie. — Rom. 10:9; Hebr. 11:6.

De bijbel bevat in zichzelf onweerlegbare bewijzen dat hij inderdaad het authentieke „woord van de levende en blijvende God" is, zoals wij in de volgende studie zullen zien. — 1 Petr. 1:23.

[Voetnoten]

Bible and Spade, 1938, S. L. Caiger, blz. 29.

Algemene Bijbelse Encyclopaedie, Servire, blz. 668; Hulp tot begrip van de bijbel, blz. 465, 466; Insight on the Scriptures, Deel 1, blz. 1104.

Light From the Ancient Past, 1959, J. Finegan, blz. 91, 126.

Van Goor’s Geïllustreerde Encyclopedie van de Bijbel, 1976, blz. 481.

Atlas van de Bijbel, door Luc. H. Grollenberg, blz. 89.

Insight on the Scriptures, Deel 1, blz. 151, 152; Light From the Ancient Past, blz. 192-195.

Ancient Near Eastern Texts, blz. 306.

Insight on the Scriptures, Deel 1, blz. 581-583.

Ancient Near Eastern Texts, blz. 316.

Light From the Ancient Past, blz. 329.

The Bible and Archaeology, 1940, blz. 279.

 

                                                    ARCHEOLOGIE

Onder bijbelse archeologie verstaat men de studie van de in de bijbel genoemde volken en gebeurtenissen aan de hand van het boeiende getuigenismateriaal dat in de aarde verborgen ligt. De archeoloog legt gesteente, ruïnes van muren en bouwwerken alsook tot puin vervallen steden bloot en onderzoekt ze; hij graaft potscherven, kleitabletten, inscripties, grafsteden en andere oude overblijfselen — artefacten genaamd — op, waaruit hij inlichtingen verzamelt. Zulke studies dragen dikwijls bij tot een beter begrip van de omstandigheden waaronder de bijbel werd geschreven en waaronder gelovige mensen uit de oudheid leefden, alsook van de talen waarvan zij en de omliggende volken zich bedienden. Daardoor is ook onze kennis verruimd omtrent de landen en gebieden die in de bijbel worden vermeld, zoals Palestina, Egypte, Perzië, Assyrië, Babylonië, Klein-Azië, Griekenland en Rome.

De bijbelse archeologie is een betrekkelijk nieuwe wetenschap. Pas in 1822 maakte de Steen van Rosette de ontcijfering van de Egyptische hiërogliefen mogelijk. Het Assyrische spijkerschrift werd ruim twintig jaar later ontcijferd. In Assyrië werd in 1843 en in Egypte in 1850 met systematische opgravingen begonnen.

Belangrijke opgravingsplaatsen en vondsten. Met behulp van de archeologie zijn vele historische bijzonderheden van het bijbelse verslag over deze landen bevestigd en gegevens die eens door de hedendaagse critici in twijfel werden getrokken, gestaafd. Aangetoond is dat scepticisme betreffende de toren van Babel, ontkenning van het bestaan van een Babylonische koning genaamd Belsazar en een Assyrische koning genaamd Sargon (namen die tot de 19de eeuw G.T. niet in bronnen buiten het bijbelse verslag waren aangetroffen), en andere negatieve kritiek op bijbelse gegevens in verband met deze landen allemaal ongefundeerd is. Daarentegen is er een schat aan bewijsmateriaal opgegraven dat volledig met het bijbelse verslag overeenstemt.

Babylonië. Bij opgravingen in en om de oude stad Babylon werden verscheidene zigurrats — piramidevormige, terrasgewijs gebouwde torentempels — blootgelegd, onder andere ook de ruïnes van de tempel Etemenanki binnen de muren van Babylon. Verslagen en inscripties die men met betrekking tot zulke tempels heeft gevonden, bevatten dikwijls de woorden: „Zijn top zal tot aan de hemel reiken", en koning Nebukadnezar zou volgens een opgetekend bericht hebben gezegd: „Ik verhoogde de top van de terrasvormige toren te Etemenanki, zodat die met de hemel wedijverde." In één ten N van de Marduktempel in Babylon gevonden fragment wordt over de ineenstorting van zo’n zigurrat het volgende bericht: „De bouw van deze tempel krenkte de goden. Op een nacht haalden zij wat was gebouwd, omver. Zij verstrooiden hen naar alle kanten en maakten hun spraak vreemd. Zij belemmerden de vooruitgang" (Bible and Spade, door S. L. Caiger, 1938, blz. 29). De zigurrat te Uruk (het bijbelse Erech) bleek van leem, baksteen en asfalt te zijn gebouwd. — Vgl. Ge 11:1-9.

In de nabijheid van de Isjtarpoort in Babylon ontdekte men zo’n 300 spijkerschrifttabletten uit de regeringstijd van koning Nebukadnezar. Onder de daarop vermelde namen van de arbeiders en gevangenen die destijds in Babylon woonden en mondvoorraad kregen, komt de naam „Yaukin, koning van het land Yahud," voor. Daarmee wordt „Jojachin, de koning van Juda," bedoeld, die na de verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar in 617 v.G.T. naar Babylon werd gevoerd. Hij werd door Awil-Marduk (Evil-Merodach), Nebukadnezars opvolger, uit het huis van bewaring ontslagen en dagelijks van voedsel voorzien (2Kon 25:27-30). Ook worden op deze tabletten vijf van Jojachins zonen genoemd. — 1Kr 3:17, 18.

Er zijn talrijke bewijzen gevonden van Babylons pantheon van goden, onder wie de hoofdgod Marduk, later gewoonlijk als Bel aangeduid, en de god Nebo, die beiden in Jesaja 46:1, 2 worden genoemd. Veel van de inlichtingen in Nebukadnezars inscripties handelen over zijn uitgebreide bouwprogramma, waardoor Babylon tot zo’n prachtige stad werd gemaakt. (Vgl. Da 4:30.) De naam van zijn opvolger Awil-Marduk (in 2Kon 25:27 Evil-Merodach genoemd) komt op een in Susa (Elam) ontdekte vaas voor.

In de tweede helft van de 19de eeuw hebben opgravingen in de buurt van het hedendaagse Bagdad talrijke kleitabletten en -cilinders opgeleverd, waaronder de beroemd geworden Naboniduskroniek. Dit document weerlegt ontwijfelbaar alle bezwaren die worden geopperd tegen het bericht in Daniël hoofdstuk 5, waar staat dat Belsazar in Babylon regeerde toen het viel. De kroniek bewijst dat Belsazar, de oudste zoon van Nabonidus, mederegent met zijn vader was en dat Nabonidus in de tweede helft van zijn regering de heerschappij over Babylon aan deze zoon toevertrouwde.

Ook Ur, de oorspronkelijke woonplaats van Abraham (Ge 11:28-31), blijkt een belangrijke metropool met een hoogontwikkelde beschaving te zijn geweest. Deze Sumerische stad lag aan de Eufraat in de nabijheid van de Perzische Golf. Blijkens opgravingen die daar onder leiding van Sir Leonard Woolley werden verricht, stond Ur op het toppunt van zijn macht en roem toen Abraham (vóór 1943 v.G.T.) de stad verliet om naar Kanaän te gaan. De zigurrattempel van Ur is de best bewaarde die men gevonden heeft. De koningsgraven gaven een schat aan gouden voorwerpen en sieraden prijs die van zeer grote kunstvaardigheid getuigen; ook vond men muziekinstrumenten, zoals de harp. (Vgl. Ge 4:21.) Verder vond men ook een kleine bijl van staal (niet slechts van ijzer). (Vgl. Ge 4:22.) Ook hier werden duizenden kleitabletten ontdekt, die veel bijzonderheden uit het leven van bijna 4000 jaar geleden onthullen.

Op de plaats van het oude Sippar aan de Eufraat, ongeveer 32 km van Bagdad vandaan, werd een kleicilinder van koning Cyrus, de veroveraar van Babylon, gevonden. Deze cilinder vertelt met welk een gemak Cyrus de stad innam en onthult bovendien dat hij de gedragslijn volgde om de in Babylon gevangen gehouden volken naar hun respectieve landen te laten terugkeren. Dit strookt met het bijbelse verslag, waarin wordt verteld dat Cyrus de voorzegde veroveraar van Babylon was en dat hij tijdens zijn regering de joden toestond naar Palestina terug te keren. — Jes 44:28; 45:1; 2Kr 36:23.

Assyrië. In 1843 werd bij Chorsabad, aan een noordelijke zijrivier van de Tigris, het paleis van de Assyrische koning Sargon II ontdekt, op een platform van bijna 10 ha. Sindsdien hebben aldaar verrichte archeologische opgravingen deze in Jesaja 20:1 genoemde koning, die tot dusver in de wereldlijke geschiedenis zo goed als onbekend was, tot een beroemde historische figuur verheven. In een van zijn annalen beweert hij Samaria veroverd te hebben (740 v.G.T.). Hij bericht ook de in Jesaja 20:1 vermelde verovering van Asdod. Eens geloofden vele prominente geleerden dat Sargon II nooit had bestaan, maar thans behoort hij tot de meest bekende koningen van Assyrië.

Op de plaats van het oude Nineve, de hoofdstad van Assyrië, heeft men het reusachtige paleis van Sanherib opgegraven. Het had zo’n zeventig vertrekken met een totale muurlengte van ruim 3000 m waarop gebeeldhouwde reliëfs waren aangebracht. Een zo’n reliëf toonde joden die na de val van Lachis in 732 v.G.T. in gevangenschap werden gevoerd (2Kon 18:13-17; 2Kr 32:9. Nog interessanter waren de op prisma’s (kleicilinders) opgetekende annalen van Sanherib die men in Nineve vond. Op enkele prisma’s beschrijft Sanherib de veldtocht die de Assyriërs tijdens de regering van Hizkia tegen Palestina ondernamen (732 v.G.T.). Opmerkelijk is echter dat de pocherige monarch er geen aanspraak op maakt Jeruzalem te hebben ingenomen, waardoor hij het bijbelse verslag bevestigt. Ook de moord op Sanherib door zijn zonen wordt vermeld in een inscriptie van Esar-Haddon, de opvolger van Sanherib. In een inscriptie van de volgende koning wordt daar eveneens gewag van gemaakt (2Kon 19:37). Behalve koning Hizkia, die door Sanherib wordt vermeld, komen in spijkerschriftverslagen van verscheidene Assyrische heersers de namen voor van de Judese koningen Achaz en Manasse en de namen van de Israëlitische koningen Omri, Jehu, Joas, Menahem en Hosea, alsook de naam Hazaël van Damaskus.

Perzië. Bij Behistun in Iran (Perzië) liet koning Darius I (521–486 v.G.T.; Ezr 6:1-15) hoog op een rotswand van kalksteen een reusachtige inscriptie beitelen, waarin wordt beschreven hoe hij het Perzische Rijk verenigde en waarin hij zijn succes aan zijn god Ahura Mazda toeschrijft. Van groot belang is het feit dat de inscriptie in drie talen werd opgesteld: in het Babylonisch (Akkadisch), Elamitisch en Oudperzisch. Aldus kon ze als een sleutel dienen voor de ontcijfering van het Assyro-Babylonische spijkerschrift, dat tot op die tijd nog niet ontcijferd was. Als gevolg van dit werk kan men thans de duizenden kleitabletten en inscripties in de Babylonische taal lezen.

Susan, de plaats waar de in het boek Esther opgetekende gebeurtenissen zich afspeelden, werd tussen 1880 en 1890 door Franse archeologen opgegraven (Es 1:2). Toen het ongeveer 1 ha grote paleis van koning Xerxes werd blootgelegd, kwamen de schittering en de pracht aan het licht waarmee de Perzische koningen zich hadden omgeven. De vondsten bevestigden dat de schrijver van het boek Esther de bijzonderheden in verband met het bestuur van het Perzische koninkrijk en de bouw van het paleis, met grote nauwkeurigheid had opgetekend. In het boek The Monuments and the Old Testament, door I. M. Price (1946, blz. 408), wordt daarover het volgende opgemerkt: „Er is geen in het Oude Testament beschreven gebeurtenis waarvan de plaatselijke achtergrond met behulp van opgravingen zo levendig en nauwkeurig gereconstrueerd kan worden als ’de burcht Susan’."

Mari en Nuzi. In 1933 werd er een begin gemaakt met de opgravingen van de oude koningsstad Mari (Tell Hariri) aan de Eufraat, ongeveer 11 km ten NNW van Abu Kemal in ZO-Syrië. Er werd een reusachtig paleis ontdekt dat zo’n 6 ha besloeg en 300 vertrekken telde. Men vond er een archief met meer dan 20.000 kleitabletten. Het paleiscomplex omvatte niet alleen de woon- en slaapvertrekken van de koninklijke familie, maar ook kantoorruimten voor administratie en een school voor schrijvers. Veel muren waren versierd met grote wandschilderingen of fresco’s, de badkamers waren uitgerust met badkuipen en in de keukens werden bakvormen aangetroffen. De stad schijnt in het begin van het 2de millennium v.G.T. een van de opmerkelijkste en fraaiste steden van die tijd geweest te zijn. De teksten op de kleitabletten bevatten belangrijke gegevens, onder andere koninklijke decreten, openbare aankondigingen, rekeningen en opdrachten voor de bouw van kanalen, sluizen, dammen en andere irrigatieprojecten, evenals correspondentie betreffende import, export en buitenlandse betrekkingen. Er werden veelvuldig volkstellingen gehouden met het oog op belasting en militaire dienst. Religie speelde een voorname rol, vooral de aanbidding van Isjtar, de vruchtbaarheidsgodin. De aan haar gewijde tempel werd eveneens gevonden. Net als in Babylon werd ook hier met behulp van leverschouw, astronomie en soortgelijke methoden waarzeggerij beoefend. De stad werd door de Babylonische koning Hammurabi grotendeels verwoest. Bijzonder interessant was dat namen als Peleg, Serug, Nahor, Terah en Haran opdoken, die alle als steden van N-Mesopotamië worden genoemd en waarin de namen van Abrahams bloedverwanten terug te vinden zijn. — Ge 11:17-32.

Nuzi, een oude stad ten O van de Tigris en ten ZO van Nineve, die in de jaren 1925–1931 werd opgegraven, leverde een in klei getekende landkaart op, de oudste tot nu toe gevonden kaart, alsook documenten die tonen dat men reeds in de 15de eeuw v.G.T. het afbetalingsstelsel kende. Er werden zo’n 20.000 kleitabletten opgegraven, die, naar men aanneemt, door Hurritische schrijvers in de Babylonische taal werden geschreven. Ze bevatten een rijkdom aan bijzonderheden over de jurisprudentie in die tijd en behandelen kwesties als adoptie, huwelijkscontracten, erfrechten en testamenten. Bepaalde aspecten vertonen een betrekkelijk nauwe overeenkomst met zeden en gewoonten zoals die in het Genesisverslag in verband met de patriarchen beschreven worden. Het gebruik dat een kinderloos echtpaar een zoon, hetzij een vrijgeborene of een slaaf, adopteerde die tot aan hun dood en begrafenis voor hen kon zorgen en ook hun erfgenaam kon zijn, vertoont overeenkomst met Abrahams uitspraak betreffende zijn vertrouwde slaaf Eliëzer in Genesis 15:2. De verkoop van eerstgeboorterechten wordt beschreven, wat aan het geval van Jakob en Esau doet denken (Ge 25:29-34). Uit de teksten blijkt ook dat het bezit van de familiegoden — vaak kleifiguurtjes — beschouwd werd als had men een eigendomsbewijs in handen. Wie de goden bezat, had recht op de bezitting of was erfgerechtigd. Dit kan verklaren waarom Rachel de terafim van haar vader had meegenomen en waarom haar vader zoveel moeite deed om ze terug te krijgen. — Ge 31:14-16, 19, 25-35.

Egypte. De nauwkeurigste beschrijving die de bijbel van Egypte geeft, vindt men in het verslag over de komst van Jozef aldaar en de latere aankomst en het verblijf van de hele familie van Jakob in dat land. Archeologische vondsten tonen aan dat dit beeld uiterst nauwkeurig is en redelijkerwijs niet aldus geschilderd kon zijn door een schrijver uit een veel latere tijd (zoals sommige critici met betrekking tot de schrijver van dit deel van het Genesisverslag hebben willen beweren). In het boek New Light on Hebrew Origins, door J. G. Duncan (1936, blz. 174), wordt over de schrijver van het verslag omtrent Jozef gezegd: „Hij gebruikt de juiste titel die in zwang was en precies zoals deze in de genoemde periode werd gebezigd, en wanneer er geen Hebreeuws equivalent is, neemt hij eenvoudig het Egyptische woord over en transcribeert het in het Hebreeuws." Door de in Egypte gedane archeologische vondsten worden talrijke bijzonderheden van het bijbelse verslag bevestigd: de Egyptische namen, de positie van Jozef als Potifars huisbestuurder, de gevangenhuizen, de titels „overste der schenkers" en „overste der bakkers", de grote betekenis die de Egyptenaren aan dromen hechtten, de gewoonte van Egyptische bakkers om broodmanden op het hoofd te dragen (Ge 40:1, 2, 16, 17), de positie van eerste minister en voedselbeheerder die door Farao aan Jozef werd toegekend, de manier waarop hij in zijn ambt werd geïnstalleerd, de afschuw die de Egyptenaren van schaapherders hadden, de sterke invloed van magiërs aan het Egyptische hof, de vestiging van de nomadische Israëlieten in het land Gosen, de Egyptische begrafenisgebruiken en nog veel meer bijzonderheden. — Ge 39:1–47:27; 50:1-3.

Aan de zuidelijke muur van een reusachtige Egyptische tempel in Karnak (het oude Thebe) aan de Nijl prijkt een reliëf waardoor de in 1 Koningen 14:25, 26 en 2 Kronieken 12:1-9 beschreven veldtocht van de Egyptische koning Sisak (Sjesjonk I) tegen Palestina wordt bevestigd. Het gigantische reliëf waarop zijn overwinningen worden afgebeeld, toont 156 aan de handen geboeide gevangenen uit Palestina, die elk een stad of een dorp vertegenwoordigen, waarvan de naam in hiërogliefen verschijnt. Onder de identificeerbare namen bevinden zich Rabbith (Joz 19:20); Taänach, Beth-Sean en Megiddo (waar men een stuk van een stèle [zuil met inscriptie] van Sisak heeft opgegraven) (Joz 17:11); Sunem (Joz 19:18); Rehob (Joz 19:28); Hafaraïm (Joz 19:19); Gibeon (Joz 18:25); Beth-Horon (Joz 21:22); Ajalon (Joz 21:24); Socho (Joz 15:35) en Arad (Joz 12:14). Sisak vermeldt zelfs het „Veld van Abram" als een van zijn veroveringen. Dit is de vroegste vermelding van Abraham in Egyptische verslagen. Bij Karnak vond men ook een gedenksteen van Merenptah (Merneptah), de zoon van Ramses II, met een hymne waarin de enige vermelding van de naam Israël in Oudegyptische teksten te vinden is.

In Tell el-Amarna, ongeveer 270 km ten Z van Caïro, vond een boerin bij toeval kleitabletten. Dit leidde tot de ontdekking van vele in het Akkadisch opgetekende documenten uit de koninklijke archieven van Amenhotep III en zijn zoon Achnaton. De 379 gepubliceerde tabletten bevatten de correspondentie van de vazalvorsten van talrijke stadstaten van Syrië en Palestina met de farao, onder andere enkele brieven van de stadhouder van Urusalim (Jeruzalem). Het beeld dat ons in deze brieven wordt geschilderd van de vetes die destijds werden uitgevochten en van de intriges waarvan men zich bediende, strookt volledig met de bijbelse beschrijving van die tijd. De „Habiru", over wie men zich in de brieven dikwijls beklaagt, zijn door sommigen met de Hebreeën in verband gebracht. De aanwijzingen duiden er echter eerder op dat wij hier eenvoudig met diverse nomadenvolken te doen hebben, die in de destijds bestaande maatschappij een lage sociale positie innamen.

Op Elephantine, een eiland in de Nijl in het uiterste Z van Egypte (bij Aswan) met deze Griekse naam, ontstond na de val van Jeruzalem (607 v.G.T.) een joodse kolonie. In 1903 vond men hier een groot aantal in het Aramees geschreven documenten, hoofdzakelijk op papyrus, die uit de 5de eeuw v.G.T. stammen, de tijd van het Medo-Perzische Rijk. In deze documenten wordt melding gemaakt van Sanballat, de stadhouder van Samaria. — Ne 4:1.

Ongetwijfeld zijn de waardevolste papyrusvondsten die men in Egypte heeft gedaan, de fragmenten en gedeelten van bijbelboeken — zowel van de Hebreeuwse als de Griekse Geschriften — die helemaal terug te voeren zijn tot de 1ste eeuw v.G.T. Het droge klimaat van Egypte en de zanderige bodem maakten dit land tot een ideale bewaarplaats voor zulke papyrusdocumenten.

Palestina en Syrië. In Palestina en Syrië heeft men zo’n 600 dateerbare ruïneplaatsen opgegraven. Veel van de verkregen informatie is meer van algemene aard en ondersteunt het bijbelse verslag in grote trekken, in plaats van specifiek betrekking te hebben op bepaalde bijzonderheden of gebeurtenissen. Zo trachtte men bijvoorbeeld in het verleden het bijbelse verslag omtrent de volledige verwoesting en ontvolking van Juda tijdens de Babylonische ballingschap in diskrediet te brengen. De opgravingen in hun geheel bevestigen echter het bijbelse verslag. Zo verklaart W. F. Albright: „Er is geen enkel geval bekend waarin een stad van het eigenlijke Juda tijdens de verbanningsperiode voortdurend was bewoond. Als contrast kunnen we wijzen op Bethel, dat in de tijd voor de verbanning juist buiten de noordelijke grens van Juda lag en in de tijd van de wegvoering niet werd verwoest, maar voortdurend werd bewoond tot in het laatste gedeelte van de 6e eeuw." — Oude volken en culturen in het Heilige Land, 1960, blz. 126.

Bij Beth-San (Beth-Sean), een oude vestingstad die de oostelijke toegang tot het Dal van Jizreël beheerste, werden omvangrijke opgravingen verricht. Men vond daar achttien verschillende cultuur- of bewoningslagen waarvoor men 21 m diep moest graven. Volgens het bijbelse verslag behoorde Beth-San niet tot de steden die oorspronkelijk door de binnenvallende Israëlieten werden veroverd en werd het in de dagen van Saul door de Filistijnen bewoond (Joz 17:11; Re 1:27; 1Sa 31:8-12). De opgravingen ondersteunen in het algemeen dit verslag en geven te kennen dat Beth-San te eniger tijd na de nederlaag van de Israëlieten bij Silo werd verwoest (Jer 7:12). Van bijzonder belang was de ontdekking van zekere Kanaänitische tempels in Beth-San. In 1 Samuël 31:10 staat dat de Filistijnen de wapenrusting van koning Saul „in het huis van de Astorethbeelden [legden], en zijn dode lichaam . . . aan de muur van Beth-San" hechtten, terwijl in 1 Kronieken 10:10 staat dat „zij zijn wapenrusting in het huis van hun god [legden], en zijn schedel . . . aan het huis van Dagon" hechtten. Twee van de blootgelegde tempels behoren tot deze tijdsperiode. De ene is naar het schijnt de tempel van Astoreth, de andere houdt men voor de tempel van Dagon. Dat komt met de beide bovengenoemde teksten overeen, volgens welke er in Beth-San twee tempels stonden.

Ezeon-Geber was Salomo’s zeehaven aan de Golf van Akaba. Misschien was het het huidige Tell el-Kheleifeh, dat in de jaren 1937–1940 werd opgegraven. In een vlakke aardheuvel in deze streek vond men aanwijzingen van een kopersmelterij, alsook koperslakken en brokken kopererts. Maar in een artikel in het tijdschrift The Biblical Archaeologist (1965, blz. 73) herzag de archeoloog Nelson Glueck zijn aanvankelijke conclusies met betrekking tot de vindplaats drastisch. Hij had zijn mening dat er destijds een naar het hoogovenprincipe ingerichte smelterij in bedrijf was, op de ontdekking van vermeende „gaten voor luchtkanalen" in het opgegraven hoofdgebouw gebaseerd. Nu is hij tot de conclusie gekomen dat deze gaten in de muren van het gebouw zijn ontstaan doordat „houten balken, die ter versteviging of verankering tussen de muren in de breedterichting waren aangebracht, vermolmden en/of verbrandden". Het vroeger voor een smelterij gehouden gebouw zou nu een graanopslagplaats geweest zijn. Men gelooft weliswaar nog steeds dat er op deze plaats metaal verwerkt werd, alleen niet in de oorspronkelijk aangenomen omvang. Dit onderstreept het feit dat de betekenis die aan archeologische vondsten wordt toegeschreven, hoofdzakelijk van de interpretatie van de desbetreffende archeoloog afhangt, en deze interpretatie is geenszins onfeilbaar. De bijbel zelf vermeldt niets over een koperindustrie in Ezeon-Geber. Wij lezen alleen dat er op een plaats in het Jordaandal koperen gerei werd gegoten. — 1Kon 7:45, 46.

Hazor in Galilea werd in Jozua’s tijd als „het hoofd van al die koninkrijken" beschreven (Joz 11:10). Opgravingen brachten aan het licht dat de stad eens een oppervlakte van ongeveer 60 ha besloeg en een grote bevolking had, zodat het een van de belangrijkste steden in dat gebied was. Salomo versterkte de stad, en het bewijsmateriaal uit die periode geeft te kennen dat het een wagenstad geweest kan zijn. — 1Kon 9:15, 19.

Drie verschillende expedities hebben in Jericho opgravingen verricht (1907–1909; 1930–1936; 1952–1958), en de opeenvolgende interpretaties van de vondsten tonen opnieuw dat de archeologie net als elk ander terrein van de menselijke wetenschap niet onvoorwaardelijk een bron van betrouwbare inlichtingen is. Elk van de drie expedities heeft gegevens opgeleverd, maar alle drie zijn ze tot andersluidende conclusies gekomen aangaande de geschiedenis van de stad en vooral met betrekking tot het tijdstip van haar verovering door de Israëlieten. Er kan echter gezegd worden dat de gecombineerde resultaten het algemene beeld verschaffen dat in het boek De Bijbel ontdekt in aarde en steen, door G. E. Wright (1958, blz. 83) wordt uiteengezet: „De stad [heeft] tussen de 16e en de 13e eeuw v.C. een verschrikkelijke verwoesting, of misschien wel een reeks verwoestingen, . . . ondergaan, en [is] praktisch gedurende generaties onbewoond . . . gebleven." De verwoesting ging vergezeld van grote branden, zoals blijkt uit datgene wat opgegraven werd. — Vgl. Joz 6:20-26.

In Jeruzalem ontdekte men in 1867 een oude watertunnel, die van de Gihonbron terugliep de heuvel in. Dit kan licht werpen op het verslag in 2 Samuël 5:6-10 over Davids verovering van de stad. In de jaren 1909–1911 werd het hele met de Gihonbron verbonden tunnelsysteem blootgelegd. Eén tunnel, bekend als de Siloamtunnel, met een gemiddelde hoogte van 1,8 m, was over een afstand van 533 m in de massieve rots uitgehouwen en voerde van de Gihonbron naar de Vijver van Siloam in het Tyropeondal (binnen de stad). Dit schijnt derhalve het in 2 Koningen 20:20 en 2 Kronieken 32:30 beschreven project van koning Hizkia te zijn. Van bijzonder belang is de inscriptie in Oudhebreeuws monumentaal schrift die men op de wand van de tunnel heeft ontdekt. Ze bericht de doorboring en geeft de lengte van de tunnel aan. Men gebruikt deze inscriptie als basis voor de datering van andere Hebreeuwse inscripties die gevonden zijn.

Lachis, 44 km ten WZW van Jeruzalem, was een van de voornaamste vestingen ter bescherming van het Judese heuvelland. In Jeremia 34:7 vertelt de profeet dat Nebukadnezars strijdkrachten streden tegen „Jeruzalem en tegen al de steden van Juda die overgebleven waren, tegen Lachis en tegen Azeka; want die, de versterkte steden, waren het die overgebleven waren onder de steden van Juda". Opgravingen te Lachis hebben aan het licht gebracht dat de stad binnen enkele jaren tweemaal door vuur werd verwoest, naar men aanneemt bij twee aanvallen door de Babyloniërs (618/617 en 609–607 v.G.T.), waarna ze gedurende lange tijd onbewoond is gebleven.

In de as van de tweede brand werden 21 ostraka (beschreven potscherven) aangetroffen, die naar men aanneemt correspondentie bevatten uit de tijd kort voordat de stad bij Nebukadnezars laatste aanval werd verwoest. Deze documenten, bekend als de Lachisbrieven, weerspiegelen een tijd van benardheid en nood en werden schijnbaar vanuit overgebleven buitenposten van Judese troepen geschreven en zijn gericht aan Yaosh, een militaire bevelhebber in Lachis. Brief IV bevat de volgende woorden: „Moge JHWH [d.w.z. Jehovah] mijn heer zelfs nu goede tijdingen doen horen. . . . wij letten op de vuursignalen van Lachis, volgens alle tekens die mijn heer geeft, omdat wij Azeka niet zien." Deze passage brengt treffend de situatie tot uitdrukking die in de hierboven aangehaalde tekst van Jeremia 34:7 wordt beschreven en schijnt te kennen te geven dat Azeka reeds gevallen was of althans de verwachte vuur- of rooksignalen niet uitzond.

In brief III, geschreven door „Hosaja", staat onder andere: „Moge JHWH [d.w.z. Jehovah] mijn heer vredesberichten doen horen! . . . En aan uw dienaar is het volgende gerapporteerd: ’De bevelhebber van het leger, Konjah, de zoon van Elnathan, is gekomen om naar Egypte te gaan en aan Hodavjah, de zoon van Ahia, en zijn mannen heeft hij bericht gezonden om [proviand] van hem te verkrijgen.’" Dit gedeelte kan heel goed een aanwijzing zijn van het feit dat Juda zich voor hulp tot Egypte wendde, iets wat door de profeten werd veroordeeld (Jes 31:1; Jer 46:25, 26). De namen Elnathan en Hosaja, die in de volledige tekst van deze brief voorkomen, staan ook in Jeremia 36:12 en Jeremia 42:1. Andere namen die in de brieven worden genoemd, treft men ook aan in het boek Jeremia: Gemarja (36:10), Neria (32:12) en Jaäzanja (35:3). Of hierbij sprake is van dezelfde personen, is niet te zeggen, maar de overeenkomst op zich is frappant, te meer omdat Jeremia in dezelfde tijd leefde.

Van speciaal belang is het veelvuldig gebruik van het Tetragrammaton in deze brieven, waaruit blijkt dat de joden in die tijd er niets op tegen hadden de goddelijke naam te gebruiken. Interessant is bovendien de zegelafdruk in klei met de inscriptie „Gedalja, die over het huis gaat". Gedalja is de naam van de stadhouder die na de val van Jeruzalem door Nebukadnezar over Juda werd aangesteld. Velen achten het waarschijnlijk dat de zegelafdruk op hem betrekking heeft. — 2Kon 25:22; vgl. Jes 22:15; 36:3.

Megiddo was een strategisch gelegen vestingstad die een belangrijke pas beheerste die toegang verschafte tot het Dal van Jizreël. De stad werd door Salomo herbouwd en wordt in verband met zijn voorraad- en wagensteden vermeld (1Kon 9:15-19). Bij opgravingen op die plek (Tell el-Mutesellim), een aardheuvel met een oppervlakte van 5,3 ha, heeft men ontdekt wat volgens sommige (maar niet alle) geleerden stallen waren die aan zo’n 450 paarden plaats boden. Aanvankelijk werden deze gebouwen aan de tijd van Salomo toegeschreven, maar de herdatering door latere geleerden plaatst ze in een latere periode, misschien de tijd van Achab.

De Mesasteen was een van de vroegste ontdekkingen van betekenis in het gebied ten O van de Jordaan. De steen werd in 1868 te Dibon (thans Dhiban), ten N van het Arnondal, gevonden. Daarop bericht Mesa, de koning van Moab, zijn versie van zijn opstand tegen Israël. (Vgl. 2Kon 1:1; 3:4, 5.) De inscriptie luidt gedeeltelijk: „Ik ben Mesa, zoon van Kamos, koning van Moab, de Diboniet. . . . Omri, koning van Israël, vernederde Moab vele dagen, want Kamos [de god van Moab] was boos op zijn land; en zijn zoon volgde hem op en zei eveneens: ’Ik zal Moab vernederen.’ In mijn dagen sprak hij aldus, maar ik heb hem en zijn huis overwonnen, terwijl Israël voor altijd is vergaan. . . . En Kamos zei mij: ’Ga, neem Nebo van Israël.’ En ik ging ’s nachts en bevocht hen van het ochtendgloren af tot de middag, terwijl ik allen nam en doodde . . . En ik nam de vaten van Jahwe en sleepte [ze] voor Kamos" (Van Goor’s Geïllustreerde Encyclopedie van de Bijbel, 1976, blz. 481). De steen vermeldt dus niet alleen de naam van koning Omri van Israël, maar op de achttiende regel staat ook Gods naam in de vorm van het Tetragrammaton.

De Mesasteen vermeldt ook talrijke plaatsen die in de bijbel worden genoemd: Ataroth en Nebo (Nu 32:34, 38); de Arnon, Aroër, Medeba en Dibon (Joz 13:9); Bamoth-Baäl, Beth-Baäl-Meon, Jahaz en Kirjathaïm (Joz 13:17-19); Bezer (Joz 20:8); Horonaïm (Jes 15:5); Beth-Diblathaïm en Kerioth (Jer 48:22, 24). Aldus getuigt hij van de historiciteit van al deze plaatsen.

Ras-sjamra (het oude Ugarit), aan de kust van N-Syrië tegenover het eiland Cyprus, heeft inlichtingen verschaft over een vorm van aanbidding die sterke overeenkomst vertoont met die van Kanaän, met inbegrip van haar goden en godinnen, tempels, tempelprostituées, riten, offers en gebeden. Tussen een Baälstempel en een aan Dagon gewijde tempel vond men een vertrek dat een bibliotheek bevatte waarin zich honderden religieuze teksten bevonden, vermoedelijk uit de 15de en het begin van de 14de eeuw v.G.T. De poëtische teksten van mythologische inhoud onthullen veel omtrent de Kanaänitische godheden El, Baäl en Asjera en de ontaarde vorm van afgoderij die met hun aanbidding gepaard ging. Merrill F. Unger schrijft in zijn boek Archaeology and the Old Testament (1964, blz. 175): „De Ugaritische epische literatuur heeft ertoe bijgedragen de diepe ontaarding te onthullen waardoor de Kanaänitische religie werd gekarakteriseerd. De riten van de Kanaänitische cultus, een uitermate ontaarde soort van polytheïsme, waren barbaars en door en door losbandig." Beelden van Baäl en andere goden werden eveneens gevonden. Deze teksten onderscheidden zich door een tot dusver onbekende vorm van alfabetisch spijkerschrift (anders dan het Akkadische spijkerschrift). Het houdt dezelfde volgorde aan als het Hebreeuws, maar voegt er nog andere letters aan toe, zodat het er in totaal dertig zijn. Net als in Ur werd ook hier een stalen strijdbijl opgegraven.

Samaria, de sterk verschanste hoofdstad van het noordelijke koninkrijk Israël, werd op een heuvel gebouwd die zich zo’n 90 m boven het dal verheft. Dat de stad wegens haar versterkingen langdurige belegeringen kon weerstaan — zoals de in 2 Koningen 6:24-30 genoemde belegering door de Syriërs en de in 2 Koningen 17:5 vermelde belegering door het machtige Assyrische leger — daarvan getuigen nog de resten van massieve dubbele muren, die op enkele plaatsen een 10 m breed muurwerk vormen. Het stenen metselwerk dat men op de plaats aantrof en dat naar men vermoedt uit de tijd van de koningen Omri, Achab en Jehu stamt, getuigt van voortreffelijk vakmanschap. Het platform waar het paleis gestaan moet hebben, meet ongeveer 90 × 180 m. In het paleisgebied werden talrijke fragmenten van ivoorsnijwerk, alsook ivoren plaketten en panelen gevonden. Ze kunnen tot het in 1 Koningen 22:39 genoemde ivoren huis van Achab behoord hebben. (Vgl. Am 6:4.) Aan de NW-hoek op de top van de heuvel van Samaria ontdekte men een grote gecementeerde vijver, die zo’n 10 m lang en ongeveer 5 m breed was. Het zou „de vijver van Samaria" geweest kunnen zijn, waarin het bloed van Achab van zijn strijdwagen afgespoeld werd. — 1Kon 22:38.

Nog een belangwekkende vondst waren de 63 met inkt beschreven potscherven (ostraka), die naar men aanneemt uit de 8ste eeuw v.G.T. dateren. Het zijn ontvangstbewijzen voor wijn- en oliezendingen die vanuit andere steden naar Samaria werden gestuurd. Op de ostraka is een Israëlitisch systeem van getallennotering met gebruikmaking van verticale, horizontale en schuine streepjes te zien. Typerend is bijvoorbeeld het volgende ontvangstbewijs:

In het tiende jaar.

Aan Gaddiyau [waarschijnlijk de beheerder van de schatkamer].

Van Azah [misschien het dorp of het district dat de wijn

of de olie zond].

Abi-Ba`al 2

Achaz 2

Scheba 1

Meriba`al 1

Op deze ontvangstbewijzen staat vaak de naam Baäl als onderdeel van de namen. Op elke elf namen die een vorm van de naam Jehovah bevatten, komen er zeven samenstellingen met Baäl voor, hetgeen er waarschijnlijk op duidt dat de Baälaanbidding, zoals in het bijbelse verslag wordt beschreven, geleidelijk ingang had gevonden.

In de bijbel wordt de verwoesting van Sodom en Gomorra door vuur beschreven, en er wordt gezegd dat er in dat gebied asfaltputten waren (Ge 14:3, 10; 19:12-28). Veel geleerden zijn van mening dat de waterspiegel van de Dode Zee in het verleden wellicht gestegen is, zodat de zee zich naar het Z toe over een aanzienlijk grotere oppervlakte uitstrekte en het gebied waar deze twee steden gelegen zouden kunnen hebben, overstroomd werd. Onderzoekingen tonen aan dat het een uitgebrand olie- en asfaltgebied is. Betreffende deze kwestie verklaart het boek Light From the Ancient Past, door Jack Finegan (1959, blz. 147): „Een zorgvuldig onderzoek van de literaire, geologische en archeologische bewijzen leidt tot de conclusie dat de beruchte ’steden van het dal’ (Genesis 19:29) zich in het gebied bevonden dat thans onder water ligt . . . en dat hun verwoesting door een grote aardbeving werd veroorzaakt, waarschijnlijk gepaard gaande met explosies, bliksem, ontbranding van aardgas en een algemene brand."

Archeologie en de christelijke Griekse Geschriften. Jezus gebruikte een denarius met de beeltenis van Tiberius Caesar (Mr 12:15-17). Het bijbelse verslag hierover wordt bevestigd door de vondst van een zilveren denarius met de beeltenis van Tiberius. De munt was omstreeks het jaar 15 G.T. in omloop gebracht (AFB.: Deel 2, blz. 544). (Vgl. Lu 3:1, 2.) Dat Pontius Pilatus destijds de Romeinse bestuurder van Judea was, wordt ook bewezen door een in Cesarea gevonden stenen plaat waarop de Latijnse namen Pontius Pilatus en Tiberieum voorkomen. — Zie PILATUS; AFB.: Deel 2, blz. 741.

In het boek Handelingen van Apostelen, dat duidelijk door Lukas is geschreven, staan talrijke verwijzingen naar steden en hun provincies en naar diverse functionarissen en hun onderscheiden titels, met vermelding van de tijd waarin zij hun ambt bekleedden. Doordat er zulke gedetailleerde inlichtingen werden verschaft, hadden er heel goed fouten kunnen insluipen. (Neem ook nota van Lu 3:1, 2.) Maar het beschikbare archeologische bewijsmateriaal toont aan dat Lukas opmerkelijk nauwkeurig was. Zo rekent Lukas volgens Handelingen 14:1-6 Lystra en Derbe tot het gebied van Lykaonië, maar geeft hij te kennen dat Ikonium in een ander gebied lag. Volgens Cicero en andere Romeinse schrijvers behoorde Ikonium tot Lykaonië. In 1910 werd echter een monument ontdekt dat aantoont dat Ikonium inderdaad als een Frygische en niet als een Lykaonische stad werd beschouwd.

Evenzo bevestigt een in Delphi ontdekte inscriptie dat Gallio proconsul van Achaje was, waarschijnlijk in 51/52 G.T. (Han 18:12). Zo’n negentien inscripties, die uit de 2de eeuw v.G.T. tot de 3de eeuw G.T. dateren, bevestigen dat Lukas de titel stadsbestuurders (enkelvoud: po·li·tar´ches) correct gebruikt wanneer hij die op de beambten in Thessalonika toepast (Han 17:6, 8); vijf van deze inscripties vermelden deze stad met name. Ook in verband met Publius, die als „de voornaamste man" (pro´tos) van Malta wordt aangeduid (Han 28:7), wordt zijn exacte titel gebezigd, want deze titel verschijnt op twee Maltese inscripties, waarvan de ene in het Latijn en de andere in het Grieks geschreven is. In Efeze werden toverboeken gevonden en werd de tempel van Artemis opgegraven (Han 19:19, 27); ook werd daar een theater blootgelegd dat aan ongeveer 25.000 bezoekers plaats bood. Verder kwamen er inscripties aan het licht waarin gesproken wordt over „hen die de feesten en spelen organiseerden", zoals degenen die ten behoeve van Paulus ingrepen; in deze inscripties wordt ook melding gemaakt van een „stadsschrijver", zoals degene die bij die gelegenheid het gepeupel tot bedaren bracht. — Han 19:29-31, 35, 41.

Enkele van deze vondsten bewogen Charles Gore ertoe in A New Commentary on Holy Scripture het volgende over de nauwkeurigheid van Lukas te schrijven: „Men dient natuurlijk te erkennen dat de moderne archeologie de critici van St.-Lukas bijna het oordeel opdringt dat hij in al zijn zinspelingen op wereldlijke feiten en gebeurtenissen opmerkelijk nauwkeurig is." — Onder redactie van Gore, Goudge en Guillaume, 1929, blz. 210.

De betrekkelijke waarde van archeologie. De archeologie heeft nuttige inlichtingen verschaft aan de hand waarvan (dikwijls slechts voorlopig) bijbelse plaatsen geïdentificeerd konden worden, heeft geschreven documenten aan het licht gebracht die tot een beter begrip bijdragen van de oorspronkelijke talen waarin de bijbel werd geschreven, en heeft licht geworpen op de levensomstandigheden en het doen en laten van de in de bijbel genoemde oude volken en heersers. Maar wat haar waarde met betrekking tot de authenticiteit en betrouwbaarheid van de bijbel betreft, alsook met betrekking tot het geloof in de bijbel, de leringen van de bijbel en de daarin vervatte openbaring van Gods voornemens en beloften, moet er worden gezegd dat de extra inlichtingen die de archeologie verschaft, niet van wezenlijk belang zijn en dat de waarheid van Gods Woord een dergelijke bevestiging niet nodig heeft. De apostel Paulus brengt deze gedachte als volgt tot uitdrukking: „Geloof is de verzekerde verwachting van dingen waarop wordt gehoopt, de duidelijke demonstratie van werkelijkheden die echter niet worden gezien. Door geloof bemerken wij dat de samenstelsels van dingen door Gods woord geordend werden, zodat hetgeen gezien wordt, ontstaan is uit dingen die niet zichtbaar zijn" (Heb 11:1, 3). „Wij wandelen door geloof, niet door aanschouwen." — 2Kor 5:7.

Dit wil echter niet zeggen dat het christelijke geloof niet ook door zichtbare dingen wordt ondersteund of dat het zich uitsluitend met ontastbare dingen bezighoudt. In elk tijdperk hebben de mensen veeleer over voldoende bewijzen uit hun omgeving beschikt, en hebben zij ook hun eigen innerlijke belevenissen gehad en hun persoonlijke ervaringen opgedaan, die hen ervan hadden kunnen overtuigen dat de bijbel de ware bron van goddelijke openbaring is en dat daarin niets staat wat in strijd met bewijsbare feiten is (Ro 1:18-23). De kennis van het verleden in het licht van archeologische ontdekkingen is interessant en wordt naar waarde geschat, maar is niet doorslaggevend. Alleen de kennis van het verleden in het licht van de bijbel is onontbeerlijk en absoluut betrouwbaar. De bijbel, al dan niet door de archeologie bevestigd, geeft ware betekenis aan het heden en werpt licht op de toekomst (Ps 119:105; 2Pe 1:19-21). Een geloof dat op afbrokkelende stenen, gebroken vazen en ingestorte muren moet steunen als kruk om stand te kunnen houden, is in werkelijkheid een zwak geloof.

De onzekerheid van de conclusies. Hoewel archeologische ontdekkingen het nu en dan mogelijk hebben gemaakt degenen die kleingeestige aanmerkingen maken op de bijbelse verslagen of kritiek uitoefenen op de historische echtheid van bepaalde gebeurtenissen, een passend antwoord te geven, en hoewel zulke vondsten ertoe hebben bijgedragen de geest van oprechte personen die al te zeer onder de indruk waren gekomen van de argumenten van zulke critici, van een last te bevrijden, heeft de archeologie bijbelcritici niet tot zwijgen kunnen brengen, noch is ze een werkelijk betrouwbare grondslag voor geloof in het bijbelse bericht. De conclusies die men uit de meeste opgravingen heeft getrokken, berusten hoofdzakelijk op de deductieve en inductieve redenaties van de onderzoekers, die, als een soort detectives, proberen een zaak rond te krijgen. Zelfs als een geval zich in onze tijd heeft afgespeeld, kunnen detectives wel een indrukwekkende reeks indirecte bewijzen en ook concrete feiten aan het licht brengen en vergaren, maar zal toch een zaak die uitsluitend op zulk bewijsmateriaal is gegrond en niet wordt ondersteund door van geloofwaardige getuigen afkomstige uitspraken die rechtstreeks met de kwestie verband houden, als zeer zwak worden beschouwd indien ze voor het gerecht wordt gebracht. Vonnissen die alleen op zulk bewijsmateriaal waren gebaseerd, hebben reeds tot grove fouten en groot onrecht geleid. Hoeveel te meer moet dit het geval zijn wanneer er 2000 of 3000 jaar tussen de gebeurtenis en de onderzoekingen liggen!

Een soortgelijke parallel wordt getrokken door de archeoloog R. J. C. Atkinson, die zegt: „Men hoeft zich alleen maar in te denken hoe moeilijk de opgaaf van toekomstige archeologen zou zijn wanneer zij de rituelen, de dogma’s en de leringen van de christelijke kerken uitsluitend uit de ruïnes van de kerkgebouwen moesten reconstrueren, zonder de hulp van geschreven documenten of inscripties. Wij hebben dus de paradoxale situatie dat de archeologie, de enige methode om het verleden van de mens te onderzoeken wanneer schriftelijke getuigenissen ontbreken, als middel van onderzoek aan doeltreffendheid inboet hoe dichter ze de aspecten van het menselijk leven benadert die tot het specifiek menselijke behoren." — Stonehenge, Londen, 1956, blz. 167.

Dat archeologen klaarblijkelijk hoogstens slechts met benaderende nauwkeurigheid licht kunnen werpen op het verre verleden, is niet het enige probleem. Wat de zaak nog gecompliceerder maakt, is het feit dat zij ondanks hun pogingen om bij het beschouwen van het opgegraven bewijsmateriaal objectief te zijn, niettemin net als andere geleerden ook aan menselijke zwakheden, persoonlijke neigingen en ambities onderworpen zijn, die verkeerde redeneringen kunnen bevorderen. Professor W. F. Albright onderstreept het probleem, wanneer hij schrijft: „Anderzijds schuilt er een gevaar in om ten koste van vroegere, solidere arbeid naar nieuwe ontdekkingen en nieuwe gezichtspunten te zoeken. Dit is vooral zo op terreinen als de bijbelse archeologie en de bijbelse geografie, waar de beheersing van de werktuigen en de onderzoekmethoden met zo veel moeite gepaard gaat dat altijd de verleiding bestaat de beproefde methode achterwege te laten, doordat men langzamer en systematischer arbeid tracht te vervangen door knappe combinaties en briljante gissingen." — The Westminster Historical Atlas to the Bible, onder redactie van G. E. Wright, 1956, blz. 9.

Dateringsverschillen. Het is belangrijk dit te beseffen wanneer men de datums beschouwt die de archeologen voor hun vondsten aangeven. Merrill F. Unger licht dit als volgt toe: „Garstang bijvoorbeeld dateert de val van Jericho op ca. 1400 v.Chr. . . .; Albright onderschrijft de datum ca. 1290 v.Chr. . . .; Hugues Vincent, de beroemde Palestijnse archeoloog, is voor de datum 1250 v.Chr. . . .; H. H. Rowley houdt Ramses II voor de farao der verdrukking en gelooft dat de exodus omstreeks 1225 v.Chr. onder zijn opvolger Marniptah [Merenptah] heeft plaatsgevonden" (Archaeology and the Old Testament, blz. 164, vtn. 15). Hoewel professor Albright gronden aanvoert voor de betrouwbaarheid van de moderne archeologische werkwijze en analyse, erkent hij dat „het voor de niet-specialist nog altijd moeilijk [is] zijn weg te vinden tussen de elkaar tegensprekende dateringen en conclusies van archeologen". — Oude volken en culturen in het Heilige Land, blz. 219.

Men heeft zich weliswaar van de radiokoolstofklok en van andere moderne methoden bediend om gevonden artefacten te dateren, maar dat deze methode niet volledig nauwkeurig is, blijkt uit de volgende woorden van G. Ernest Wright in The Biblical Archaeologist (1955, blz. 46): „Er zij opgemerkt dat de nieuwe koolstof-14-methode voor het dateren van oude overblijfselen niet, zoals men gehoopt had, onfeilbaar is gebleken. . . . Bepaalde metingen hebben klaarblijkelijk, waarschijnlijk om een aantal redenen, verkeerde uitkomsten geleverd. Op het ogenblik kan men zich ongetwijfeld slechts op de uitkomsten verlaten wanneer er verscheidene metingen zijn gedaan die praktisch dezelfde uitkomsten leveren en wanneer de datum ook volgens andere dateringsmethoden correct schijnt te zijn [wij cursiveren]." Een meer recente uitspraak is te vinden in The New Encyclopædia Britannica (Macropædia, 1976, Deel 5, blz. 508), waar staat: „Wat de reden ook moge zijn, . . . het is duidelijk dat koolstof-14-dateringen niet zo nauwkeurig zijn als de traditionele geschiedkundigen zouden wensen." — Zie CHRONOLOGIE (Archeologische datering).

Betrekkelijke waarde van inscripties. Duizenden en nog eens duizenden oude inscripties zijn gevonden en worden geïnterpreteerd. Albright verklaart: „Geschreven documenten behoren tot verreweg de belangrijkste van alle vondsten die de archeologen doen. Daarom is het uitermate belangrijk een duidelijk idee te krijgen van hun karakter en van ons vermogen ze te interpreteren" (The Westminster Historical Atlas to the Bible, blz. 11). De inscripties kunnen op potscherven, kleitabletten of papyrus geschreven zijn of in granietrotsen ingebeiteld zijn. Ongeacht het materiaal waarop ze aangetroffen zijn, de meegedeelde inlichtingen moeten toch nog afgewogen en op hun betrouwbaarheid en waarde worden getoetst. Dwaling of klinkklaar bedrog kan zowel op steen als op papier gezet zijn, wat inderdaad dikwijls het geval is geweest. .

Om een voorbeeld te noemen: In het bijbelse bericht staat dat koning Sanherib van Assyrië door zijn beide zonen Adrammelech en Sarezer werd vermoord en dat een andere zoon, Esar-Haddon, hem op de troon opvolgde (2Kon 19:36, 37). Daarentegen staat in een Babylonische kroniek dat Sanherib op 20 Tebeth bij een opstand door zijn zoon werd gedood. Ook Berossos, een Babylonische priester uit de 3de eeuw v.G.T., en Nabonidus, een Babylonische koning uit de 6de eeuw v.G.T., berichten dat Sanherib slechts door één van zijn zonen werd vermoord. Meer recent heeft men echter een fragment ontdekt van het prisma van Esar-Haddon, de zoon die Sanherib opvolgde. Daarop verklaart Esar-Haddon duidelijk dat zijn broers (meervoud) in opstand kwamen, hun vader doodden en toen de vlucht namen. Philip Biberfeld schrijft hierover in zijn boek Universal Jewish History (1948, Deel I, blz. 27): „De Babylonische kroniek, Nabonidus en Berossos hadden het bij het verkeerde eind; alleen het bijbelse verslag bleek juist te zijn. Het werd in alle kleinere details bevestigd door de inscriptie van Esar-Haddon en bleek met betrekking tot deze gebeurtenis uit de Babylonisch-Assyrische geschiedenis nauwkeuriger te zijn dan de Babylonische bronnen zelf. Dit is een feit van uitermate groot belang voor de beoordeling van zelfs contemporaine bronnen die niet met de bijbelse overlevering stroken."

Problemen bij het ontcijferen en vertalen. Een christen dient ook de nodige voorzichtigheid te betrachten met het voetstoots aannemen van de interpretatie van de vele inscripties die in de diverse oude talen zijn gevonden. In sommige gevallen, zoals bij de Steen van Rosette en de Behistuninscriptie, konden de geleerden die het schrift ontcijferden, aanzienlijk veel inzicht krijgen in een vroeger onbekende taal omdat parallel aan het inschrift in deze taal de tekst in een andere, bekende taal stond. Toch dient men niet te verwachten dat zulke hulpmiddelen alle problemen oplossen of een volledig begrip van de taal met al haar betekenisnuances en idiomatische uitdrukkingen mogelijk maken. Zelfs het begrip van de oorspronkelijke talen van de bijbel — Hebreeuws, Aramees en Grieks — is in de laatste jaren aanzienlijk toegenomen, en er wordt nog steeds een studie van deze talen gemaakt. In het geval van het geïnspireerde Woord van God kunnen wij terecht verwachten dat de Auteur van de bijbel ons in staat zou stellen door middel van vertalingen die in de huidige talen beschikbaar zijn, het juiste begrip van de daarin vervatte boodschap te verkrijgen. Dit geldt echter niet voor de niet-geïnspireerde geschriften van de heidense natiën.

De volgende inlichtingen uit het boek Smal ravijn en zwarte berg door C. W. Ceram maken duidelijk hoe noodzakelijk een dergelijke voorzichtigheid is en bewijzen bovendien opnieuw dat problemen bij het ontcijferen van oude inscripties dikwijls niet zo objectief worden benaderd als men geneigd is te denken. In dit boek kan men over een bekende assyrioloog, die aan de ontcijfering van de „Hetietische" taal werkte, het volgende lezen (1955, blz. 94-97): „Zijn werk is een fenomeen: het is een mengsel van in elkaar grijpende volstrekte vergissingen en uitmuntende juiste inzichten, . . . er kwamen bij hem vergissingen voor die zo scherpzinnig verantwoord waren dat het tientallen jaren werk kostte om ze uit te roeien. Het is volkomen uitgesloten hier ook maar in hoofdlijnen de van filologische geleerdheid overvloeiende gedachtengangen te volgen." Vervolgens beschrijft de auteur de hardnekkige weigering van deze geleerde zijn bevindingen ook maar in de geringste mate te herzien; pas na vele jaren stemde hij er ten slotte in toe enkele wijzigingen aan te brengen — maar hij veranderde uitgerekend die lezingen die later de juiste bleken te zijn! Toen de auteur melding maakte van het heftige dispuut tussen deze geleerde en nog een ontcijferaar van het „Hetietische" spijkerschrift, waarbij deze twee geleerden elkaar steeds weer persoonlijke beschuldigingen naar het hoofd slingerden, zei hij: ’De onderzoekers werden daarbij door fanatisme gedreven (maar moesten daar ook door gedreven worden)’ (blz. 97). Hoewel de wetenschap er in de loop van de tijd in geslaagd is vele abuizen bij het begrijpen van oude inscripties te elimineren, doen wij er dus goed aan te beseffen dat verdere onderzoekingen nog meer correcties noodzakelijk kunnen maken.

Deze feiten onderstrepen de superioriteit van de bijbel als bron van betrouwbare kennis, waarheidsgetrouwe inlichtingen en zekere leiding. Als een verzameling geschreven documenten geeft de bijbel ons het duidelijkste beeld van het verleden van de mens. Dat wij dit Boek thans bezitten, hebben wij niet aan opgravingen te danken, maar aan zijn Auteur, Jehovah God, die het bewaard heeft. De bijbel is „levend en oefent kracht uit" (Heb 4:12) en is „het woord van de levende en blijvende God". „Alle vlees is als gras, en al zijn heerlijkheid is als een bloesem van het gras; het gras verdort, en de bloem valt af, maar wat Jehovah zegt, blijft in eeuwigheid." — 1Pe 1:23-25.

 

Moet de archeologie u aan de bijbel doen twijfelen?

WAAROM is de archeologie in deze tijd belangwekkend? Omdat ze een waardevol instrument is bij het onderzoek naar het verleden. Er wordt daardoor bijvoorbeeld meer licht geworpen op de geografie en de geschiedenis van de bijbelse landen en hun volken. De archeologie steunt zwaar op de exacte wetenschappen en streeft ernaar hetzelfde peil van nauwkeurigheid te bereiken. Maar er is één voorname factor die het moeilijk maakt dit te verwezenlijken — de menselijke factor. Elke archeoloog heeft zijn overtuiging, of hij of zij nu atheïst, agnosticus, christen, jood of moslem is. In welke mate zal die overtuiging of dat vooroordeel van invloed zijn op zijn of haar interpretaties? Zou dit een belemmering kunnen zijn om tot nauwkeurige conclusies te komen?

Archeologisch onderzoek is een vorm van speurwerk. Er worden aanwijzingen in de vorm van artefacten en overblijfselen opgegraven: aardewerk, scherven, ruïnes, restanten van vroegere beschavingen, skeletten, enzovoort. Dan begint de deductiefase: Van welk origineel is de scherf afkomstig? In welke periode zou de vorm, de kleur en de samenstelling passen? Waar werd het voor gebruikt? Waar komt het oorspronkelijk vandaan — van de plek waar het werd ontdekt of ergens anders vandaan? Vond het zijn oorsprong in de grondlaag waarin het is gevonden of is het met het verstrijken van de tijd door plaatselijke omstandigheden naar een lager niveau gezakt? Deze en nog veel meer factoren kunnen een interpretatie beïnvloeden. De conclusies zijn dan ook gebaseerd op aanwijzingen en een mengeling van objectieve en subjectieve interpretatie.

De Hebreeuwse archeoloog Yohanan Aharoni had het beslist bij het rechte eind toen hij schreef: „Als het op een historische of historisch-geografische interpretatie aankomt, stapt de archeoloog het rijk der exacte wetenschappen uit en moet hij zich verlaten op waardebepalingen en hypothesen [voorlopige veronderstellingen] om tot een algeheel historisch beeld te komen."

Wat zijn enkele van de valkuilen die zich kunnen voordoen bij het bepalen van de waarde van bij opgravingen gedane vondsten? Professor Aharoni antwoordt: „De opgraver moet zorgvuldig onderscheid maken tussen de verschillende lagen van zijn tell [een heuvel die de oude ruïnes van een stad bedekt] . . . Dit is gewoonlijk geen gemakkelijke taak, want de feitelijke lagen in een bepaalde tell zijn niet uniform boven op elkaar gelegd. . . . Gewoonlijk verschaffen inscripties alleen een terminus a quo [beginpunt] voor hun eigen laag omdat de mogelijkheid altijd bestaat dat de voorwerpen waarop de inscripties staan, een lange periode van gebruik, of zelfs hergebruik, hebben doorgemaakt na door de oorspronkelijke eigenaars afgedankt te zijn. . . . Een vergelijking met andere landen is soms ook gevaarlijk, want wanneer de voorwerpen in de andere cultuur gedateerd zijn op grond van hun relatie tot de Palestijnse, zonder dat de omstandigheden van de ontdekking en de erbij betrokken relatieve chronologieën voldoende in aanmerking zijn genomen, kan men in een vicieuze cirkel terechtkomen. Het spreekt vanzelf dat historische overwegingen bijzonder riskant zijn, omdat daarbij altijd bepaalde vooronderstellingen en subjectieve zienswijzen een rol spelen. Wij moeten daarom altijd in gedachte houden dat niet alle datums absoluut zijn en in variërende graden verdacht." Wij cursiveren.

Hoe zijn de Israëlieten aan de overkant van de Rode Zee gekomen?

De voorgaande waarschuwingen zijn thans zeer op hun plaats nu zoveel archeologen hun met elkaar strijdige bevindingen, theorieën en chronologieën in gedrukte vorm laten verschijnen. Laten wij als voorbeeld de uittocht van de Israëlieten uit Egypte en de ontsnapping door de Rode Zee eens nemen. Het bijbelverslag geeft duidelijk te kennen dat de Egyptische strijdwagens en ruiterij Israël nazetten en hun dicht genaderd waren toen zij de Rode Zee bereikten. Hoe konden de Israëlieten ontkomen met de zee als obstakel op hun weg? Het bijbelverslag antwoordt:

„Nu strekte Mozes zijn hand uit over de zee, waarop Jehovah de zee door een sterke oostenwind, die de hele nacht waaide, deed teruggaan en het zeebekken in droge grond veranderde, en de wateren werden in tweeën gespleten. Ten slotte trokken de zonen van Israël midden door de zee over droog land, terwijl de wateren aan hun rechter- en aan hun linkerzijde voor hen als een muur waren." — Ex. 14:21, 22.

Let eens op de specifieke details in dit verslag. Het spreekt niet slechts van een sterke wind, maar van een „sterke oostenwind". De wateren werden in tweeën gespleten, waardoor het zeebekken in droge grond veranderde. Deze aandacht voor details pleit voor een ooggetuigenverslag, net als de poëtische versie van de gebeurtenis in het lied van Mozes, dat in Exodus hoofdstuk 15 verhaald wordt. Toen Farao’s wagens en strijdkrachten zich achter de Israëlieten aan in dezelfde doorgang stortten, bedekten „de woelige wateren . . . hen ten slotte; zij zonken in de diepten als een steen". — Ex. 15:5.

De manier waarop de wateren werden gescheiden, wordt bevestigd in het lied: „En door de adem van uw neusgaten werden wateren opgehoopt; ze bleven staan als een dam van stromen; de woelige wateren stolden in het hart van de zee." — Ex. 15:8.

Wat zeggen de geleerden?

Verscheidene deskundigen zijn met uiteenlopende theorieën op de proppen gekomen om dit wonder verstandelijk te verklaren. Zij willen niet per se zeggen dat de Israëlieten de Rode Zee niet doorgetrokken zijn, maar trachten de goddelijke tussenkomst weg te redeneren. De Hebreeuwse woorden voor Rode Zee zijn bijvoorbeeld jam soef, „zee van biezen of riet". Daarom zeggen sommigen dat de Israëlieten slechts een moerassig gebied zijn doorgetrokken. Maar een moerassig gebied kan moeilijk een verklaring zijn voor een muur van water rechts en links, zoals het verslag zegt. De wateren van een moeras zouden beslist niet ’de strijdwagens en de ruiters van Egyptes strijdkrachten bedekken’. — Ex. 14:28.

Een andere theorie werd onlangs geopperd door Hans Goedicke, een egyptoloog. Zijn verklaring voor het Exodusverslag is, dat er in 1477 v.G.T. een enorme vulkanische uitbarsting plaatsvond op het eiland Thera, zo’n 800 km ten noordwesten van de plek waar de Israëlieten verondersteld worden door de zee getrokken te zijn. Daardoor ontstond een tsoenami, of enorme vloedgolf, die over het zuidoostelijk deel van de Middellandse Zee geslagen kan zijn en de Nijldelta binnenrolde tot aan de rand van het woestijnplateau. Daardoor zouden, in theorie, de Egyptenaren die zich op laag terrein bevonden, verdronken zijn, terwijl de Israëlieten, die vermoedelijk op hoger gelegen grond waren, gespaard bleven.

Het is zonneklaar dat deze theorie amper de feiten in aanmerking neemt die de bijbel vermeldt. Maar wat is het oordeel van andere geleerden over Dr. Goedickes theorie? Charles Krahmalkov van de Universiteit van Michigan verwerpt ze, ten dele omdat „in geen van de bijbelse beschrijvingen van de Exodus iets voorkomt dat ook maar in de verste verte aan een enorme golf doet denken". Vervolgens presenteert hij een alternatieve theorie, die erop neerkomt dat de Israëlieten per boot zee kozen en dat de Egyptenaren hen volgden en verdronken door winden met stormkracht die hun schuiten tot zinken brachten! Hij voegt eraan toe: „Overbodig te zeggen dat de reconstructie op pure gissing berust. Maar ze heeft veel meer basis in de bijbelse tekst dan de versie van professor Goedicke." Daarover kan men natuurlijk van mening verschillen.

Een derde geleerde, Eliezer D. Oren van de Ben-Goerion Universiteit van de Negeb, sprak zich krachtig tegen de theorie van een vloedgolf uit en opperde weer een andere theorie, die hij realistischer vond. Hij voegde er echter de volgende veelzeggende verklaring aan toe: „Wij mogen niet vergeten dat [deze theorie] . . . geenszins te staven valt met archeologisch bewijsmateriaal. Ik persoonlijk geloof dat het Wonder van de Zee — een literair meesterwerk — heel weinig te maken heeft met de geschiedenis of . . . ’feitelijke belevenissen’."

Wie heeft er gelijk?

De opmerking van Dr. Oren voert ons tot de kern van de zaak. Moeten christenen geloven dat grote delen van de bijbel louter ’literaire meesterwerken’ zijn die niets te maken hebben met „feitelijke belevenissen"? Of kunnen zij zich op de bijbel verlaten als het geïnspireerde Woord van God? Moeten wij ons laten leiden door de tegenstrijdige theorieën van archeologen en geleerden? Of dienen wij het getuigenis van de bijbelschrijvers en Jezus Christus zelf als betrouwbaar te aanvaarden?

De apostel Paulus schreef aan zijn medechristen Timótheüs: „Gij [hebt] van kindsbeen af de heilige geschriften gekend, die u wijs kunnen maken tot redding door middel van het geloof in verband met Christus Jezus. De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig om . . . dingen recht te zetten." Eerder had hij tegenover de gelovigen in Rome verklaard: „Wat dan is het geval? Indien sommigen geen geloof tot uitdrukking hebben gebracht, zal hun ongeloof de getrouwheid van God dan soms tenietdoen? Dat geschiede nooit! Maar God worde waarachtig bevonden, ook al wordt ieder mens een leugenaar bevonden." — 2 Tim. 3:15, 16; Rom. 3:3, 4.

Waarom geloven Jehovah’s Getuigen dan dat de bijbel geïnspireerd is? Is hun geloof afhankelijk van archeologische vondsten? Kort gezegd, het bewijs voor inspiratie vindt men in de bijbel zelf, niet in de archeologie. Nauwkeurige geschiedenis schrijven is één ding; nauwkeurige geschiedenis van tevoren schrijven, is iets heel anders. Dat is profeteren. De bijbel bevat honderden vervulde profetieën die getuigen van zijn goddelijk auteurschap. Men schat bijvoorbeeld dat alleen al 332 verschillende profetieën in de Hebreeuwse Geschriften in Jezus Christus in vervulling zijn gegaan.

Nog een krachtige ondersteuning voor de authenticiteit van de bijbel is dat het getuigenis is gebaseerd op verslagen van echte ooggetuigen van de gebeurtenissen, vaak de schrijver zelf. Dit is het geval met het door Mozes geschreven Exodusverslag. Hebben wij enige reden om aan zijn eerlijkheid als getuige te twijfelen? Nee, niet als wij ook erkennen dat hij door God geïnspireerd werd om te schrijven (2 Tim. 3:16). Zijn openhartige zelfkritiek pleit ook krachtig voor zijn betrouwbaarheid. Hij verheelt het feit niet dat hij een Egyptenaar doodde ter verdediging van een mede-Israëliet. Ook verbloemt hij niet zijn gebrek aan nederigheid en zijn straf ervoor toen hij water uit de rots liet komen (Ex. 2:11, 12; Num. 20:9-13; vergelijk het geval van David in 2 Samuël 11; Psalm 51). Lees voor gedetailleerder bewijzen eens Is de bijbel werkelijk het Woord van God? — een uitgave van het Wachttorengenootschap.

Wordt uw geloof door theorieën aan het wankelen gebracht?

Voor christenen is het positieve bewijsmateriaal dat door geduldige en bekwame archeologen wordt opgegraven aanmoedigend. Vaak betreft het materiaal dat de inhoud van de bijbel bevestigt en verheldert. Feiten en artefacten kunnen ons heel wat vertellen over het leven in vroeger tijden. Inscripties kunnen waardevolle inlichtingen aan het licht brengen. Omdat heel weinig mensen ooit een autobiografie schrijven die henzelf in een ongunstig daglicht stelt, moeten inscripties natuurlijk wel zeer zorgvuldig worden geanalyseerd.

Beginnen deskundigen echter hun interpretaties en gissingen en theorieën over de betekenis van een archeologische ontdekking of de datering van een artefact te berde te brengen, dan doet een christen er verstandig aan voorzichtig te zijn. Jehovah heeft getrouwe mannen geïnspireerd om zijn Woord voor ons op te schrijven maar niet om ons met literaire fantasieën te misleiden. Yohanan Aharoni had gelijk toen hij verklaarde: „Verscheidene passages [van de bijbel] worden door sommige geleerden als zuiver utopische of literaire scheppingen beschouwd waaraan elke politieke, geografische of praktische basis ontbreekt. Wij trekken de juistheid van deze mening ernstig in twijfel; de meeste geografische teksten blijken ontleend te zijn aan situaties uit het leven, terwijl alleen ons gebrekkige inzicht en onvoldoende informatie ons belemmeren het historisch gehalte ervan vast te stellen." — Wij cursiveren.

De huidige bijbelse archeologie is klaarblijkelijk verdeeld in twee niet al te scherp afgebakende kampen. Aan de ene kant hebben wij de vrome en patriottische onderzoekers die steun zoeken voor het bijbelverslag en voor hun eigen nationale of etnische beweringen. En aan de andere kant is er het kamp van degenen die, om de woorden van professor J. E. Barrett te gebruiken, geneigd zijn „de vroomheid, het patriottisme of de algemeen aanvaarde wijsheid van (gewoonlijk oudere) collega’s te ontluisteren". Deze zelfde hoogleraar in de archeologie voegt eraan toe: „Er heerst een vreemd soort zelfrechtvaardigheid (om niet te spreken van sadistisch leedvermaak) onder degenen die ons verzekeren dat zij niet vroom zijn. . . . De student in de huidige archeologie dient zich bewust te zijn van deze professionele spelletjes die onder vakbroeders gespeeld worden om elkaar de loef af te steken."

Wij mogen niet vergeten dat archeologen ook maar mensen zijn en dus behept zijn met alle zwakheden van de onvolmaakte menselijke aard. Ambitie, eerzucht, wedijver, sterke subjectieve betrokkenheid — deze en andere factoren kunnen de mening of interpretatie van een deskundige beïnvloeden.

Ter illustratie van dit punt: een vooraanstaand 19de-eeuws archeoloog maakte zich aan ernstige overdrijving schuldig in verband met oude sieraden die hij in Troje had ontdekt en gouden gezichtsmaskers die in Mycene waren gevonden. Met betrekking tot deze overdrijving maakte een hoogleraar in de huidige archeologie de volgende rake opmerking: „Deze twee gevallen zijn illustratief voor de invloed die een romantische belangstelling voor de wereld der oudheid kan hebben op het oordeel van een archeoloog — de verleiding om dat wat wij vinden, te vereenzelvigen met dat wat wij willen vinden. Misschien speelt het probleem nog sterker bij de bijbelse archeoloog, wiens vroomheid en patriottisme vaak de romantische belangstelling voeden en hernieuwen die hem of haar er in eerste instantie toe bewogen heeft archeoloog te worden." (Wij cursiveren.) En natuurlijk kan hetzelfde probleem ook de agnostische of de atheïstische archeoloog beïnvloeden, hoe oprecht hij of zij ook mag zijn.

Mag het christelijke geloof dan wankelen vanwege de theorieën die veel geleerden en archeologen te berde brengen? Houd in gedachte dat het slechts theorieën en meningen van mensen zijn, onderhevig aan veranderingen en aan de grillen van tijd en wetenschap. Het menselijk element, trots en ambitie inbegrepen, speelt ook een grote rol. Wat professor Barrett in Biblical Archaeology Review (januari/februari 1981) schreef, is waar: „Vroomheid, patriottisme, ideologie, opleiding, en het tegenovergestelde van al deze dingen, beïnvloeden het oordeel van de archeoloog, net als dat van de geschiedkundige. De momenten dat hij oprecht is, weet elke professionele archeoloog dit — de beste geleerden weten het van zichzelf; anderen weten het alleen van hun collega’s." — Wij cursiveren.

De redelijke christen zal dan ook geen absolute bewijzen van de archeologie verwachten voor alles wat in de bijbel staat, vooral niet in dit onvolmaakte samenstel van dingen. Niettemin weet hij dat de tijd spoedig zal komen dat het mogelijk zal zijn heel veel personen en gebeurtenissen die in de bijbel ter sprake komen, volmaakt te verifiëren. Hoe dat zo? Omdat „het uur komt waarin allen die in de herinneringsgraven zijn, zijn [Jezus Christus’] stem zullen horen en te voorschijn zullen komen" (Joh. 5:28, 29). Ja, in de opstanding zal het mogelijk zijn degenen die werkelijk de bijbelse geschiedenis beleefd hebben, vragen te stellen. Wat zal het fascinerend zijn hen de bijzonderheden te horen invullen van zoveel verslagen die ons nu intrigeren! Dan zullen wij voor die details niet meer aangewezen zijn op menselijke theorieën en speculaties. De ooggetuigen van de gebeurtenissen zullen ons dan de feiten laten horen! Zult u er zijn om naar hen te luisteren?

 

                            De archeologie bevestigt de bijbel

TOT trotse mensen die hardnekkig weigerden hem als Messías te erkennen en die zijn discipelen verachtten, zei Jezus: „Indien dezen bleven zwijgen, zouden de stenen het uitroepen" (Luk. 19:40). Gelukkig had Jezus, en heeft hij nog steeds, discipelen die weigeren te zwijgen. Toch heeft men in zekere zin stenen die stille getuigen van bijbelse gebeurtenissen waren, het laten uitroepen doordat ze het bewijs leveren dat de bijbel betrouwbaar is. De wetenschap die zulke stenen ten gunste van de bijbel heeft laten spreken, heet archeologie en wordt gedefinieerd als „de wetenschappelijke studie van de stoffelijke overblijfselen van het verleden."

Jack Finegan vertelt ons in zijn wetenschappelijke werk Light from the Ancient Past dat „men kan zeggen dat de moderne archeologie haar begin heeft gehad in 1798, toen bijna honderd Franse geleerden en kunstenaars Napoleon op zijn invasie in Egypte vergezelden". In 1822 slaagde de Franse Egyptoloog Champollion erin de hiërogliefen op de steen van Rosette te ontcijferen. Tegen het einde van de 19de eeuw werden in Egypte, Assyrië, Babylon en Palestina systematisch archeologische opgravingen verricht, en deze zijn tot in deze tijd voortgezet. Heeft de spade van de archeoloog het bijbelse verslag bevestigd?

DE OORSPRONG VAN DE WERELD EN VAN DE MENS

Eén ontdekking die men in Egyptische graftomben heeft gedaan, stelt ons in staat de bijbelse verklaring van de oorsprong van de mens te vergelijken met het scheppingsverslag in een oud Egyptisch Dodenboek, waarvan één exemplaar te zien is in een lange vitrine in het Louvre te Parijs. Louis Speleers, curator van het Cinquantenaire Museum in Brussel, verklaart in het gezaghebbende Supplément au Dictionnaire de la Bible: „Het Dodenboek vertelt dat [de zonnegod] Ra op een dag zijn goddelijke Oog, schijnend in de hemel, achterliet. Sjoe en Tefnet brachten hem zijn Oog terug, dat begon te huilen, en uit de tranen van Ra kwamen mensen te voorschijn."

Nog een archeologische ontdekking die een interessante vergelijking met het bijbelse verslag mogelijk maakt, is een reeks van zeven kleitabletten die de Enuma elisj, of het Sumerisch-Babylonische „Scheppingsepos" bevatten. Volgens dit oude verslag behaalde Mardoek, de god van de stad Babylon, de overwinning op Tiamat, de godin van de oerzee, en hakte haar in tweeën. „Van de ene helft vormde hij het hemelgewelf, van de andere het vaste aardoppervlak. Na dat gedaan te hebben, organiseerde hij de wereld. . . . Vervolgens, ’opdat de goden in een wereld zouden leven die hun hart vreugde zou schenken’, schiep Mardoek de mensheid." — Larousse Encyclopedia of Mythology.

Gelooft u dat de mens uit de tranen van Ra is ontstaan? Vele Egyptenaren, die op een hoog peil van beschaving en ontwikkeling stonden, geloofden dit wel. Of kunt u de bewering aanvaarden dat de hemel en de aarde uit het gespleten lichaam van een godin zijn ontstaan? Dit zijn slecht twee voorbeelden van de scheppingsmythen waarin opeenvolgende generaties in voorbijgegane tijden hebben geloofd.

In deze tijd vragen vele zeer ontwikkelde mensen ons te geloven dat het universum en alle levensvormen spontaan zijn ontstaan, zonder tussenkomst van een levend Opperwezen, en dat ondanks het feit dat de Franse geleerde Louis Pasteur afdoend heeft bewezen dat leven uit leven ontstaat. Is het niet logischer het bijbelse verslag te aanvaarden, waarin heel eenvoudig staat dat het stoffelijke universum een uitdrukking is van Gods „dynamische energie" (want Einstein en anderen hebben aangetoond dat materie een vorm van energie is)? En is het niet redelijker de Heilige Schrift te geloven, die laat zien dat alle levensvormen hun bestaan te danken hebben aan God, de grote Bron van het leven, en dat de mens „naar Gods beeld" werd geschapen? — Gen. 1:27; Ps. 36:9; Jes. 40:26-28; Jer. 10:10-13.

DE ARCHEOLOGIE EN ABRAHAM

Abraham speelt in de bijbel een belangrijke rol. Hij is niet alleen de voorvader van alle bijbelschrijvers, van de joden en van vele Arabieren, maar hij wordt ook ’de vader van allen die geloof hebben’ genoemd (Rom. 4:11). Bovendien zouden mensen van alle natiën er belangstelling voor moeten hebben te weten of het bijbelse verslag omtrent Abraham authentiek is. Waarom? Omdat hij degene was aan wie God beloofde: „Door bemiddeling van uw zaad zullen alle natiën der aarde zich stellig zegenen" (Gen. 22:16-18). Indien wij tot degenen wensen te behoren „die geloof hebben" en die door bemiddeling van Abrahams zaad gezegend zullen worden, dan dienen wij de grootste belangstelling te hebben voor bewijsmateriaal dat de nauwkeurigheid aantoont van details die de bijbel over het leven en de dagen van Abraham verschaft.

De bijbel vertelt ons dat Abraham (die toen Abram werd genoemd) opgroeide in „Ur der Chaldeeën" (Gen. 11:27, 28). Is dit een legendarische plaats? Wat hebben de houwelen en de spaden van de archeologen onthuld? Reeds in 1854 werd Ur door J. E. Taylor voorlopig geïdentificeerd als Tell Muqayyir („Asfaltheuvel"), slechts een paar kilometer ten westen van de Eufraat. In 1869 bracht de Franse oriëntalist Jules Oppert verslag uit aan het Collège de France in Parijs en op grond van met spijkerschrift beschreven kleicilinders die daar door Taylor waren gevonden, identificeerde hij de plaats definitief als Ur. Veel later, van 1922 tot 1934, bevestigde de Britse archeoloog Sir Leonard Woolley niet alleen deze identificatie, maar ontdekte hij ook dat het Ur waaruit Abraham wegtrok, een bloeiende stad was met een hoog peil van beschaving, comfortabele huizen en een enorme tempeltoren of zigurrat, gewijd aan de aanbidding van de maangod Nanna of Sin. Historici hadden lange tijd twijfels geuit ten aanzien van de stad Ur waarvan de bijbel in verband met Abraham melding maakt. Maar de spade van de archeoloog heeft bewezen dat de bijbel waar is.

Ook vele gebruiken waarnaar in het bijbelse verslag omtrent Abraham wordt verwezen, zijn door archeologen bevestigd. In Nuzu, of Nuzi, een oude Hoerritische stad ten zuidoosten van Ninevé, zijn bijvoorbeeld kleitabletten gevonden die onder andere de volgende destijds bestaande gebruiken bevestigen: Slaven werden de erfgenaam van kinderloze echtparen (vergelijk Abrahams opmerkingen met betrekking tot zijn slaaf Eliëzer — Genesis 15:1-4); een onvruchtbare vrouw was verplicht haar man een concubine te geven (Sara, of Sarai, gaf Hagar aan Abraham — Genesis 16:1, 2); en zakelijke transacties vonden plaats bij de poort van een stad (vergelijk hoe Abraham het veld en de grot van Machpéla, bij Hebron, kocht — Genesis 23:1-20). Voorbeelden van de wijze waarop de opgravingen in Nuzi de bijbel ondersteunen, beslaan meer dan acht kleingedrukte kolommen in het wetenschappelijke Franse werk Supplément au Dictionnaire de la Bible (Deel VI, kolom 663-672). De Encyclopædia Britannica verklaart: „Dit materiaal uit Nuzi heeft vele moeilijke passages in de patriarchenverhalen van Genesis . . . opgehelderd."

EIGENNAMEN BEVESTIGD

De Franse archeoloog André Parrot heeft uitgebreide opgravingen verricht op de plaats waar in de oudheid de koninklijke stad Mari, aan de Midden-Eufraat, heeft gelegen. De stadstaat Mari was in het begin van het tweede millennium v.G.T. een van de heersende mogendheden in Opper-Mesopotamië, totdat de stad door de Babylonische koning Hammurabi werd ingenomen en vernietigd. In de ruïnes van het enorme paleis dat daar werd ontdekt, vond het Franse team van archeologen meer dan 20.000 kleitabletten. Sommige van deze spijkerschrifttabletten vermelden steden met de namen Peleg, Serug, Nahor, Terah en Haran. Het is interessant dat al deze namen in het Genesisverslag voorkomen als de namen van Abrahams familieleden. — Gen. 11:17-26.

John Bright geeft in zijn boek History of Israel commentaar op deze overeenkomst van vroegere eigennamen. Hij schrijft: „In geen van deze gevallen gaat het om . . . een vermelding van de bijbelse patriarchen zelf. Maar de overvloed van dergelijke bewijzen in documenten uit die tijd toont duidelijk aan dat hun namen volledig passen in de nomenclatuur van de Amoritische bevolking aan het begin van het tweede millennium, en niet in die van enige latere datum. In dit opzicht zijn de patriarchenverhalen dus volkomen authentiek."

Onlangs, in 1976, identificeerden Italiaanse en Syrische archeologen de oude stadstaat Ebla, in het noorden van Syrië. Net als Mari wordt Ebla niet in de bijbel vermeld, maar beide namen komen voor in oude teksten die uit de patriarchentijd dateren. Wat heeft de spade van de opgraver derhalve op deze nieuwe plaats aan het licht gebracht? In de bibliotheek van het koninklijke paleis werden duizenden kleitabletten gevonden, die uit het einde van het derde of het begin van het tweede millennium vóór de gewone tijdrekening dateren. Het Franse nieuwsweekblad Le Point bevatte in de uitgave van 19 maart 1979 een reportage over deze ontdekking, waarin het volgende werd gezegd: „De eigennamen vertonen een verbazingwekkende overeenkomst [met die in de Schrift]. In de bijbel vinden wij ’Abraham’, in de Ebla-tabletten ’Ab-ra-um’; Esau — E-sa-um; Michaël — Mi-ki-ilu; David — Da-u-dum; Ismaël — Isj-ma-ilum; Israël — Isj-ra-ilu. De archieven van Ebla bevatten ook de namen Sodom en Gomorra, steden die in de bijbel worden vermeld, maar waarvan de historiciteit lang door geleerden in twijfel is getrokken. . . . Bovendien vermelden de tabletten de steden in precies dezelfde volgorde als waarin ze in het Oude Testament worden genoemd: Sodom, Gomorra, Adama, Zeboïm en Bela [Gen. 14:2]." Boyce Rensberger schrijft in de New York Times dat „sommige bijbelgeleerden geloven dat [de Ebla-tabletten] wedijveren met de Dode-Zeerollen wat betreft het verifiëren en vermeerderen van de kennis omtrent het leven in bijbelse . . . tijden".

GEBRUIKEN EN WETTEN

De archeologie heeft er veel toe bijgedragen gewoonten die in de bijbel worden vermeld, te verklaren, waardoor de nauwkeurigheid van het bijbelse verslag werd aangetoond. Eén voorbeeld hiervan is het verslag in Genesis hoofdstuk 31, waar wordt gezegd dat Jakobs vrouw Rachel „de terafim [stal] die haar vader [Laban] toebehoorden" (vs. 19). Het verslag vertelt waarom Laban er zoveel moeite voor deed zijn dochter en haar man zeven dagen lang te achtervolgen: hij deed dit om zijn „goden" terug te krijgen (vs. 23, 30). Een interessante archeologische ontdekking in de oude stad Nuzi in Opper-Mesopotamië heeft onthuld dat er een patriarchale wet bestond op grond waarvan een man die in het bezit was van de familiegoden recht kon doen gelden op het grondbezit van zijn overleden schoonvader. Wanneer wij ons herinneren dat Laban een oorspronkelijke bewoner van Noordwest-Mesopotamië was en hoe verraderlijk hij Jakob had behandeld, werpt kennis van deze wet licht op de ongewone diefstal van Rachel en op Labans verwoede pogingen om zijn „goden" terug te krijgen. In het Louvre in Parijs staan verschillende van zulke „huisgoden" ten toon gesteld die in verscheidene steden van Mesopotamië zijn gevonden. Hun geringe afmeting (10 à 15 cm) verklaart ook hoe Rachel de terafim kon verbergen door op een zadelmand, waarin zij ze had gelegd, te gaan zitten en te weigeren op te staan toen Laban zijn speurtocht verrichtte.

Een van de kostbaarste bezittingen van het Louvre is een rechtopstaande zwarte stenen plaat van precies 2,25 m hoog, die algemeen bekend is als de „Codex Hammurabi". Onder een reliëf waarop koning Hammurabi van Babylon te zien is die autoriteit ontvangt van de zonnegod Sjamasj, staan kolommen met 282 in spijkerschrift geschreven wetten. Aangezien Hammurabi volgens zeggen van 1728 tot 1686 v.G.T. heeft geregeerd, hebben sommige bijbelcritici beweerd dat Mozes, die de wetten van Israël meer dan anderhalve eeuw later heeft opgetekend, deze wetten gewoon uit het wetboek van deze Babylonische koning heeft overgenomen en dus plagiaat heeft gepleegd. W. J. Martin logenstraft deze beschuldiging door in het boek Documents from Old Testament Times het volgende te schrijven:

„Ondanks vele overeenkomsten bestaat er geen reden om aan te nemen dat er in de Hebreeuwse wet ook maar iets rechtstreeks uit de Babylonische wet is overgenomen. Zelfs waar de twee wetstelsels naar de letter weinig van elkaar verschillen, zijn ze naar de geest zeer verschillend. In de Codex Hammurabi werden diefstal en heling bijvoorbeeld met de dood gestraft (Wet 6 en 22), maar in de wetten van Israël moest men als straf het gestolene vergoeden (Ex. 22:1; Lev. 6:1-5). Terwijl de Mozaïsche wet het verbood een ontvluchte slaaf aan zijn meester uit te leveren (Deut. 23:15, 16), werd onder de Babylonische wetten een ieder die een voortvluchtige slaaf in huis nam, met de dood gestraft. — Wet 15, 16, 19."

In het Supplément au Dictionnaire de la Bible schreef de Franse oriëntalist Joseph Plessis het volgende: „De Hebreeuwse wetgever schijnt geen gebruik te hebben gemaakt van de verschillende wetboeken van Babylonië en Assyrië. Van niets in zijn werk kan worden bewezen dat het overgenomen is. Hoewel er interessante overeenkomsten bestaan, zijn ze van dien aard dat ze gemakkelijk verklaard kunnen worden als het codificeren van gebruiken die mensen met een gemeenschappelijke oorsprong gemeen hadden."

Terwijl de Codex Hammurabi een geest van vergelding ademt, zegt de Mozaïsche wet: „Gij moogt uw broeder in uw hart niet haten. . . . Gij moogt geen wraak nemen, noch een wrok koesteren tegen de zonen van uw volk; en gij moet uw naaste liefhebben als uzelf" (Lev. 19:17, 18). Er is dus niet alleen bewezen dat Mozes niets van Hammurabi heeft overgenomen, maar bovendien blijkt uit een vergelijking van de bijbelse wetten met die welke op de door archeologen opgegraven tabletten en zuilen geschreven staan, dat de bijbelse wetten verre superieur zijn aan die van andere volken.

DE ARCHEOLOGIE EN DE GRIEKSE GESCHRIFTEN

Wat valt er te zeggen over de Griekse Geschriften, algemeen bekend als het „Nieuwe Testament"? Heeft de archeologie de nauwkeurigheid van dit belangrijke gedeelte van de bijbel bevestigd? Er zijn hele boeken geschreven die aantonen dat dit inderdaad het geval is. Reeds in 1890 publiceerde de Franse bijbelgeleerde F. Vigouroux een boek van meer dan 400 bladzijden, getiteld: „Le Nouveau Testament et les découvertes archéologiques modernes" (Het Nieuwe Testament en de hedendaagse archeologische ontdekkingen). In dit boek verschafte hij een overvloed aan bewijzen waardoor de Evangeliën, de Handelingen der Apostelen en de in de Griekse Geschriften vervatte brieven worden ondersteund. In 1895 publiceerde W. M. Ramsay zijn nu klassieke boek St. Paul the Traveller and the Roman Citizen (St. Paulus de reiziger en de Romeinse burger), waarin hij veel waardevol materiaal verschafte waardoor de authenticiteit van de christelijke Griekse Geschriften wordt aangetoond.

In meer recente tijd zijn er vele andere boeken en wetenschappelijke artikelen gepubliceerd die laten zien hoe de archeologie de waarachtigheid van de gehele bijbel heeft aangetoond. E. M. Blaiklock schrijft in zijn boek The Archaeology of the New Testament, dat in 1970 voor het eerst werd gepubliceerd: „Door de frappante wijze waarop de bijbelse geschiedschrijving steeds weer in het gelijk is gesteld, hebben geschiedkundigen geleerd de autoriteit van zowel het Oude als het Nieuwe Testament te respecteren en bewondering te hebben voor de nauwkeurigheid, de intense belangstelling voor waarheid en het geïnspireerde historische inzicht van de verschillende schrijvers die de geschiedenisboeken van de bijbel hebben geschreven."

Ja, de archeologie vormt duidelijk een ondersteuning van de bijbel. Maar wat valt er over andere terreinen van de wetenschap te zeggen?

 

 

Abraham — Gods profeet en vriend

DE GECOMBINEERDE legers van vier oosterse koningen steken de Eufraat over. Hun marsroute is de koningsweg ten oosten van de Jordaanvallei. Onderweg behalen zij overwinningen op de Refaïeten, de Zuzieten, de Emieten en de Horieten. Dan veranderen de invallers van richting en verslaan alle bewoners van de zuidelijke Negeb.

Wat is het doel van deze veldtocht? Waar zij op uit zijn, ligt tussen de binnengevallen gebieden van Transjordanië en de Negeb. Het is een begeerlijke vallei die het Jordaandistrict wordt genoemd (Genesis 13:10). Hier leiden de inwoners van vijf stadstaten, Sodom, Gomorra, Adma, Zeboïm en Bela, een zorgeloos leven van materiële welstand (Ezechiël 16:49, 50). Vroeger zijn zij onderworpen geweest aan Kedorlaomer, de koning van Elam en kennelijk ook de leider van de gecombineerde legers. Maar zij zijn tegen hem in opstand gekomen. Nu, zonder steun van buurstaatjes, moeten zij zich verantwoorden. Als het tot een strijd komt, winnen Kedorlaomer en zijn bondgenoten, en beladen met buit beginnen zij hun lange mars huiswaarts.

Onder de gevangenen bevindt zich een rechtvaardig man, Lot. Hij is de neef van Abraham, die in tenten in de nabijgelegen heuvels van Hebron woont. Wanneer Abraham het verontrustende nieuws hoort, verzamelt hij onmiddellijk 318 van zijn mannen. Met grote moed en gesteund door enkele naburige bewoners jagen zij de vier koningen na en verrassen hun legers in een nachtelijke overval. De indringers vluchten. Lot en zijn huisgezin worden gered, samen met de andere gevangenen en alle have.

Welke reden hebben wij om geloof te stellen in dit verslag in het veertiende hoofdstuk van Genesis? Werd het verhaal verzonnen om van de voorvader van een aantal natiën, met inbegrip van de joden, een nationale held te kunnen maken? Hoe staat het met andere gebeurtenissen in het leven van Abraham?

Wat geestelijken hebben gezegd

In het begin van de negentiende eeuw beweerde de lutherse theoloog Peter von Bohlen dat Abraham een mythe was en dat het verhaal van Kedorlaomers invasie geen historische basis had. Een ander, professor Julius Wellhausen, verklaarde: „Wij zullen geen historische kennis verkrijgen van de patriarchen." Hij suggereerde: „[Abraham] zou met meer waarschijnlijkheid opgevat kunnen worden als een vrije creatie van onbewuste kunst."

Engelse theologen volgden het voorbeeld van hun Duitse collega’s. „De grote patriarchenverhalen in het boek Genesis zijn prehistorisch, net zomin in historische zin waar als de verhalen van . . . koning Arthur", schreef een geestelijke, Stopford Brooke, in zijn boek The Old Testament and Modern Life. „Uit . . . Genesis . . . krijgen wij slechts een geschonden en vertekend beeld van het leven en karakter van wie maar ook van de patriarchen", schreef John Colenso, anglicaans bisschop van de vroegere Britse kolonie Natal. „Het is onmogelijk", voegde hij eraan toe, „om onvoorwaardelijk vertrouwen te stellen in ook maar een van deze verhalen."

Dit soort kritiek verbreidde zich als gangreen (2 Timótheüs 2:17). In deze tijd nemen miljoenen kerkgangers het leven van de patriarchen niet meer serieus. Maar tot schande van de theologen van de christenheid verklaren atheïsten nu dat de bijbelkritiek te ver is gegaan. Zo schrijft de Bol´shaia Sovetskaia Entsiklopediia (Grote Sovjet-Encyclopedie): „In recente jaren zijn een reeks beweringen van de bijbelkritiek opnieuw bezien in het licht van nieuw onderzoek, vooral op basis van gegevens van de zogeheten bijbelse archeologie. Sommige bijbelse tradities die als mythen waren beschouwd . . . schijnen een historische kern te bevatten." Zie maar eens hoe de archeologie licht heeft geworpen op het bericht omtrent Abraham.

Ur der Chaldeeën

Volgens de bijbel werd Abraham grootgebracht in „Ur der Chaldeeën" (Genesis 11:27-31; 15:7). Eeuwenlang is de ligging van Ur een mysterie geweest. Critici geloofden dat Ur, als het al had bestaan, een onbeduidende, achtergebleven plaats was geweest. Toen kwam de voor hen pijnlijke ontwikkeling dat ruïnes tussen Babylon en de Perzische Golf onmiskenbaar werden geïdentificeerd als die van Ur. Er kwamen duizenden kleitabletten aan het licht die onthulden dat Ur een wereldhandelscentrum was, met een grote kosmopolitische bevolking. In de tijd van Abraham had de stad zelfs scholen waar jongens werden onderwezen in de schrijf- en rekenkunst.

Opgravingen te Ur onthulden verder dat het bouwmeesters had die de zuil, de boog, het gewelf en de koepel wisten toe te passen. Urs handwerkslieden vervaardigden verfijnde juwelen, rijkversierde harpen en dolken met een lemmer van puur goud. In ettelijke huizen legden archeologen rioolbuizen van gebakken klei bloot die afliepen in grote afwateringsputten van wel twaalf meter diep.

Deze ontdekkingen gaven vele geleerden een nieuwe kijk op Abraham. „Wij waren gewoon om Abraham te zien als een eenvoudige bewoner van tenten, maar komen nu tot de ontdekking dat hij wellicht een heel gerieflijk bakstenen huis in een stad bewoonde", schreef Sir Leonard Woolley in zijn boek Digging Up the Past. „Abraham", verklaarde de archeoloog Alan Millard in zijn boek Treasures From Bible Times, „verliet de ver ontwikkelde stad met al haar zekerheid en comfort om een van de verachte nomaden te worden!"

Kedorlaomers invasie

Wat valt er te zeggen over Abrahams overwinning op Kedorlaomer, de koning van Elam? In het begin van de negentiende eeuw was er weinig bekend over de Elamieten. Bijbelcritici verwierpen de gedachte dat Elam ooit invloed had gehad op Babylonië, laat staan op Palestina. Nu heeft men een andere kijk op de Elamieten. De archeologie onthult dat zij een machtige oorlogvoerende natie zijn geweest. Funk & Wagnalls Standard Reference Encyclopedia verklaart: „De Elamieten verwoestten de stad Ur in ongeveer 1950 v.Chr. . . . Vervolgens oefenden zij aanzienlijke invloed uit op de heersers van Babylonië."

Bovendien zijn op oude inscripties de namen van Elamitische koningen gevonden. Sommige ervan beginnen met de uitdrukking „Koedoer", hetgeen overeenkomst vertoont met „Kedor". Een belangrijke Elamitische godin was Lagamar, wat lijkt op „laomer". Zo komt het dat Kedorlaomer nu in sommige wereldse werken wordt aanvaard als een historisch heerser, wiens naam mogelijk „Dienstknecht van Lagamar" betekent. Eén verzameling Babylonische inscripties bevat namen die lijken op drie van de binnendringende koningen — Toedhoela (Tideal), Eri-akoe (Arioch) en Koedoer-lahmil (Kedorlaomer) (Genesis 14:1). In zijn boek Hidden Things of God’s Revelation vermeldt dr. A. Custance bovendien: „Naast deze namen waren er ook details die schenen te verwijzen naar de gebeurtenissen die plaatsvonden in Babylonië toen de Elamieten hun soevereiniteit over het land vestigden. . . . Deze kleitabletten vormden zo’n krachtige bevestiging van de Schrift dat de hogere critici erbovenop doken en hun uiterste best deden om de betekenis ervan bewust te verdoezelen."

En de invasie van de vier koningen? Is er enig archeologisch bewijsmateriaal in Transjordanië en de Negeb dat een ondersteuning vormt? Ja. In zijn boek The Archaeology of the Land of Israel verwijst professor Yohanan Aharoni naar het verdwijnen van een pre-Israëlitische beschaving met „indrukwekkende" nederzettingen in Transjordanië en de Negeb, „omstreeks 2000 v.G.T." Andere archeologen zeggen dat dit omstreeks 1900 v.G.T. plaatshad. „Het aardewerk van zowel Transjordanië als de Negeb is voor deze periode gelijk en uit beide blijkt een plotselinge, catastrofale beëindiging van de beschaving", verklaart dr. Harold Stigers in zijn Commentary on Genesis. Zelfs bijbelcritici, zoals John Van Seters, aanvaarden het bewijsmateriaal hiervoor. „Eén onopgelost probleem is waar deze mensen aan het einde van de periode heen gingen, als zij al voortbestonden", verklaart hij in zijn boek Abraham in History and Tradition.

Genesis hoofdstuk 14 verschaft een mogelijke oplossing voor het probleem. Volgens de bijbelse chronologie viel Abrahams aankomst in Kanaän in 1943 v.G.T., en Kedorlaomers verwoestende invasie moet kort daarna hebben plaatsgehad. Later in diezelfde eeuw bracht God een vurige vernietiging over de immorele steden Sodom en Gomorra. Hiermee kwam definitief een verandering in de ecologie van het eens vruchtbare benedendeel van de Jordaanvallei (Genesis 13:10-13; 19:24, 25). Het gebied werd niet langer door buitenlandse indringers begeerd.

Er zijn nog vele andere voorbeelden waarin de archeologie nauw overeenstemt met de Schrift en zo licht werpt op gebeurtenissen in het leven van Abraham. Maar de archeologie heeft haar beperkingen. De bewijzen die ze verschaft, zijn vaak indirect en afhankelijk van de interpretatie van onvolmaakte mensen.

Het betrouwbaarste getuigenis

Het sterkste bewijs dat Abraham echt heeft bestaan, is het getuigenis van ’s mensen Schepper, Jehovah God. In Psalm 105:9-15 sprak God met goedkeuring over Abraham, Isaäk en Jakob als zijn „profeten". Meer dan duizend jaar na Abrahams dood verwees Jehovah God naar Abraham bij monde van ten minste drie profeten, en noemde hem zelfs zijn „vriend" (Jesaja 41:8; 51:2; Jeremia 33:26; Ezechiël 33:24). Evenzo heeft Jezus Christus Abraham tot een voorbeeld gesteld. Gedurende zijn voormenselijke bestaan in de hemel had Gods Zoon persoonlijk zijn Vaders bemoeienissen met de patriarch gadegeslagen. Daarom kon hij tot de joden zeggen:

„’Indien gij Abrahams kinderen zijt, doet dan de werken van Abraham. Maar nu zoekt gij mij, een mens die u de waarheid heeft gezegd, welke ik van God heb gehoord, te doden. Abraham heeft dit niet gedaan. Abraham, uw vader, verheugde zich zeer over het vooruitzicht mijn dag te zien, en hij heeft hem gezien en zich verheugd.’ Daarop zeiden de joden tot hem: ’Gij zijt nog geen vijftig jaar, en toch hebt gij Abraham gezien?’ Jezus zei tot hen: ’Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Vóór Abraham tot bestaan kwam, was ik er al.’" — Johannes 8:39, 40, 56-58.

Het getuigenis en de aanmoediging van de twee grootste Personen in het universum verschaffen ons wel de krachtigste redenen om alles te aanvaarden wat de bijbel over Abraham zegt (Johannes 17:5, 17). Hoewel de bijbel Abraham tot een voorbeeld stelt, maakt dat boek hem niet op ongepaste wijze tot een soort nationale held. Dit ziet men bij een beschouwing van het verslag van zijn overwinning op de vier verbonden koningen. Toen Abraham van het gevecht terugkeerde, werd hij begroet door Melchizédek, de koning van Salem, die zei: „Gezegend zij de Allerhoogste God, die uw onderdrukkers in uw hand heeft geleverd!" Jehovah kreeg de eer voor die bevrijding. — Genesis 14:18-20.

Er is echter een veel grootsere overwinning ophanden! Spoedig zal deze zelfde glorierijke God een nederlaag toebrengen aan „de koningen van de gehele bewoonde aarde", en dat in de wereldomvattende oorlog die Armageddon wordt genoemd (Openbaring 16:14, 16). Dan krijgt Gods belofte aan Abraham, zijn profeet en vriend, haar volledige vervulling: „Door bemiddeling van uw zaad zullen alle natiën der aarde zich stellig zegenen." Miljoenen genieten reeds een voorproefje van zulke zegeningen. Ook u kunt tot hen behoren, zoals de artikelen op de bladzijden 18-28 in dit tijdschrift zullen aantonen. — Genesis 22:18.

 

                                  Wat heeft men ontdekt in Jizreël?

EEUWENLANG heeft de plaats van de oude stad Jizreël woest gelegen. Eens speelde ze een voorname rol in de bijbelse geschiedenis. Thans, ontdaan van haar vroegere heerlijkheid en bedekt met lagen aarde, is ze niets meer dan een puinheuvel of tell. In recente jaren zijn archeologen een onderzoek gestart naar de overblijfselen van Jizreël. Wat onthullen deze ruïnes over de bijbelse verslagen?

Jizreël in de bijbel

Jizreël lag in het oostelijke deel van het Dal van Jizreël, een van de vruchtbaardere gebieden in het land Israël uit de oudheid. Ten noorden ervan, pal aan de overkant van het dal, ligt de heuvel More waar de Midianieten zich legerden terwijl zij voorbereidingen troffen om rechter Gideon en zijn troepen aan te vallen. Iets naar het oosten ligt de bron Harod, aan de voet van de berg Gilboa. Hier bracht Jehovah Gideons leger van duizenden tot slechts 300 man terug, teneinde zijn vermogen te demonstreren om zijn volk zonder een machtig leger te bevrijden (Rechters 7:1-25; Zacharia 4:6). Op de nabijgelegen berg Gilboa werd Saul, de eerste koning van Israël, door de Filistijnen verslagen in een dramatische strijd, waarin Jonathan en twee andere zonen van Saul werden gedood en Saul zelf zich van het leven beroofde. — 1 Samuël 31:1-5.

Bijbelse verwijzingen naar de oude stad Jizreël verschaffen opvallende contrasten. Ze spreken over het machtsmisbruik en de afval van Israëls regeerders en ook over de getrouwheid en de ijver waarvan Jehovah’s dienstknechten blijk gaven. In Jizreël vestigde koning Achab — de heerser van het noordelijke tienstammenrijk Israël in de tweede helft van de tiende eeuw v.G.T. — zijn koninklijke residentie, hoewel Samaria de officiële hoofdstad was (1 Koningen 21:1). Vanuit Jizreël werd Jehovah’s profeet Elia door Achabs buitenlandse vrouw Izebel met de dood bedreigd. Zij was vertoornd omdat Elia onbevreesd de profeten van Baäl liet terechtstellen na de test die Elia op de berg Karmel liet verrichten en die uitwees wie de ware God was. — 1 Koningen 18:36–19:2.

Vervolgens werd er in Jizreël een misdaad gepleegd. De Jizreëliet Naboth werd vermoord. Koning Achab had zijn zinnen gezet op Naboths wijngaard. Toen de koning het land voor zich opeiste, gaf Naboth hem loyaal ten antwoord: „Het is wat mij betreft, van Jehovah’s standpunt uit bezien, ondenkbaar u de erfelijke bezitting van mijn voorvaders te geven." Dit op beginselen gebaseerde antwoord beviel Achab helemaal niet. Toen koningin Izebel opmerkte in welke sombere gemoedstoestand de koning verkeerde, trof zij regelingen voor een schijnproces waarbij Naboth van lastering werd beschuldigd. De onschuldige Naboth werd schuldig bevonden en doodgestenigd, waarop de koning zijn wijngaard in bezit nam. — 1 Koningen 21:1-16.

Wegens deze goddeloze daad profeteerde Elia: „De hònden zullen Izebel opeten op het stuk land van Jizreël." De profeet verklaarde verder: „Al wie van Achab in de stad sterft, die zullen de honden opeten . . . Zonder uitzondering heeft niemand er blijk van gegeven als Achab te zijn, die zich verkocht heeft om te doen wat kwaad was in de ogen van Jehovah, die door zijn vrouw Izebel werd opgehitst." Omdat Achab zich echter verootmoedigde toen Elia Jehovah’s oordeel uitsprak, verklaarde Jehovah dat deze straf niet tijdens Achabs leven zou komen (1 Koningen 21:23-29). Het bijbelse verslag vertelt verder dat Jehu in de dagen van Elia’s opvolger, Elisa, tot koning over Israël werd gezalfd. Toen Jehu Jizreël binnenreed, beval hij om Izebel uit een venster van haar paleis te gooien, waarop zij door de paarden werd vertrapt. Later bleek dat aasvretende honden alleen haar schedel, haar voeten en haar handpalmen hadden overgelaten (2 Koningen 9:30-37). De laatste bijbelse gebeurtenis die rechtstreeks verband hield met Jizreël volgt op de terechtstelling van zeventig zonen van Achab. Jehu stapelde hun hoofden in twee grote hopen op bij de stadspoort van Jizreël, waarna hij andere vooraanstaande mannen en priesters die betrokken waren bij Achabs afvallige regering neersloeg. — 2 Koningen 10:6-11.

Wat hebben archeologen ontdekt?

In 1990 begon men met een gezamenlijk project van opgravingen op de plaats waar Jizreël heeft gelegen. Er werd aan deelgenomen door het Institute of Archaeology van de Universiteit van Tel Aviv (vertegenwoordigd door David Ussishkin) en de British School of Archaeology in Jeruzalem (vertegenwoordigd door John Woodhead). In de jaren 1990–1996 hebben gedurende zeven periodes (van elk zes weken) tussen de tachtig en honderd vrijwilligers op het terrein gewerkt.

De moderne benadering in de archeologie is dat men het bewijsmateriaal van een opgravingsterrein op zich onderzoekt, zonder vooropgezette ideeën en theorieën in aanmerking te nemen. Voor de archeoloog die de landen van de bijbel bestudeert, is het bijbelse verslag derhalve niet het laatste woord over het onderwerp. Alle andere bronnen en tastbare bewijzen moeten beschouwd en zorgvuldig beoordeeld worden. Maar zoals John Woodhead vertelt is er geen oud geschreven bewijsmateriaal betreffende Jizreël voorhanden buiten enkele hoofdstukken in de bijbel. De bijbelse verslagen en chronologie dienen dus een onderdeel te vormen van elk onderzoek. Wat heeft het werk van de archeologen onthuld?

Terwijl versterkingen en voorwerpen van aardewerk werden opgegraven, werd al meteen duidelijk dat de ruïnes teruggingen tot de zogenaamde IJzertijd, hetgeen ze precies in de tijdsperiode van het bijbelse Jizreël plaatste. Maar terwijl de opgravingen voortgang vonden, kwam men voor een aantal verrassingen te staan. De eerste was de omvang van het terrein en zijn enorme vestingwerken. De archeologen verwachtten er een terrein aan te treffen met vestingwerken die te vergelijken waren met die van het oude Samaria, de hoofdstad van het koninkrijk Israël. Terwijl het graafwerk echter voortgang vond, werd duidelijk dat Jizreël veel groter was. Met afmetingen van zo’n 300 bij 150 meter, gemeten langs de muren, bedroeg de totale oppervlakte binnen de vestingwerken meer dan driemaal de omvang van elke andere stad die in Israël uit die periode ontdekt is. De stad was omgeven door een droge gracht, zodat er vanaf de vestingwerken een hoogteverschil van 11 meter gecreëerd was. Volgens professor Ussishkin was deze gracht een ongekend verschijnsel voor bijbelse tijden. „Wij vinden in Israël verder niets van deze aard tot de periode van de kruisvaarders", zei hij.

Nog een onverwacht verschijnsel was de afwezigheid van omvangrijke bouwwerken in het centrum van de stad. Grote hoeveelheden roodbruine aarde die tijdens de bouw van de stad naar binnen waren gebracht, waren gebruikt om een opgehoogd terras — een soort groot verhoogd podium of platform — binnen de omsloten ruimte te creëren. Het Second Preliminary Report over de opgravingen bij Tel Jizreël zegt dat dit in het oog vallende podium erop kan duiden dat Jizreël meer was dan een koninklijke residentie. Daarin stond: „Wij zouden de mogelijkheid willen opperen dat Jizreël de centrale militaire basis voor het koninklijke Israëlitische leger was ten tijde van de Omride [Omri en zijn nakomelingen] koningen . . . waar de koninklijke cavalerie met haar strijdwagens was ondergebracht en werd opgeleid." Te oordelen naar de afmetingen van dit verhoogde podium, alsook van de omsloten ruimte zelf, oppert Woodhead dat dit een soort paradeplaats geweest kan zijn om te pronken met de militaire sterkte van de destijds met het grootste aantal strijdwagens uitgeruste krijgsmacht in het Midden-Oosten.

De opgegraven overblijfselen van de stadspoort zijn bijzonder interessant voor archeologen. Ze tonen een ingang van een poort met ten minste vier kamers. Maar aangezien veel stenen op het terrein in de loop der eeuwen ten prooi zijn gevallen aan plundering, leiden de vondsten niet tot duidelijke conclusies. Woodhead is van mening dat de overblijfselen wijzen op een poort met zes kamers met soortgelijke afmetingen als die welke in Megiddo, Hazor en Gezer zijn gevonden.

De archeologische vondsten wijzen op een verbazingwekkend kort bestaan voor een zo ideaal gelegen stad, zowel van militair als van geografisch oogpunt uit bezien. Woodhead beklemtoont dat Jizreël als een grote versterkte stad niet lang heeft bestaan — en maar enkele decennia bewoond werd. Dit staat in schril contrast met veel andere belangrijke bijbelse plaatsen in Israël, zoals Megiddo, Hazor en de hoofdstad Samaria, die in verschillende periodes herhaaldelijk werden herbouwd, uitgebreid en bewoond. Waarom raakte deze ideale plaats zo snel in onbruik? Woodhead veronderstelt dat Achab en zijn dynastie wegens hun verkwisting van de staatsmiddelen bijna een economische ineenstorting veroorzaakten. Dit bleek uit de buitensporige afmetingen en sterkte van Jizreël. Het nieuwe regime onder Jehu wilde zich waarschijnlijk distantiëren van de herinnering aan Achab en verliet derhalve de stad.

Al het tot nu toe opgegraven bewijsmateriaal bevestigt dat de plaats Jizreël in de IJzertijd een belangrijk Israëlitisch centrum was. Haar omvang en vestingwerken komen overeen met de beschrijving die de bijbel ervan geeft als een vooraanstaande koninklijke residentie voor Achab en Izebel. De aanwijzingen voor haar beperkte bewoning gedurende deze periode stemmen overeen met de bijbelse verslagen over de stad: ze nam tijdens Achabs regering al snel een prominente positie in, waarvan ze vervolgens op Jehovah’s bevel blijkbaar beroofd werd toen Jehu ermee „voort[ging] allen neer te slaan die te Jizreël van het huis van Achab waren overgebleven en al zijn aanzienlijken en zijn kennissen en zijn priesters, totdat hij niemand van hem in leven had gelaten". — 2 Koningen 10:11.

De chronologie van Jizreël

„Het is in de chronologie heel moeilijk een precieze basis voor de datering te vinden", geeft John Woodhead toe. Als de archeologen de resultaten van de zeven jaar van opgravingen dus overzien, vergelijken zij deze met vondsten op andere archeologische vindplaatsen. Dit heeft tot herwaardering en discussie geleid. Waarom? Omdat vanaf de tijd dat de Israëlische archeoloog Yigael Yadin tijdens de jaren ’60 en het begin van de jaren ’70 opgravingen te Megiddo had verricht, het door velen in de archeologische wereld als vaststaand werd beschouwd dat hij vestingwerken en stadspoorten had ontdekt die uit de tijd van koning Salomo dateren. Nu brengen de in Jizreël gevonden vestingwerken, aardewerken voorwerpen en poorten sommigen ertoe deze conclusies in twijfel te trekken.

De aardewerken voorwerpen bijvoorbeeld die in Jizreël zijn gevonden, zijn identiek aan die van het stratum te Megiddo dat Yadin met Salomo’s regering in verband bracht. Het poortgebouw en de afmetingen ervan zijn voor beide vergelijkbaar, zo niet identiek. Woodhead zegt: „Al het bewijsmateriaal plaatst hetzij Jizreël terug naar de tijd van Salomo of haalt de datering van de bouwsels op de andere vindplaatsen [Megiddo en Hazor] naar voren naar de periode van Achab." Aangezien de bijbel duidelijk verband legt tussen Jizreël en de tijd van Achab, beziet hij het als redelijker om te aanvaarden dat deze strata de tijd van Achabs regering weerspiegelen. David Ussishkin stemt hiermee in: „De bijbel zegt dat Salomo aan Megiddo bouwde — hij zegt niet dat hij juist die poorten bouwde."

Kan men de geschiedenis van Jizreël te weten komen?

Werpen deze archeologische vondsten en de daaropvolgende discussie twijfel op het bijbelse verslag van Jizreël of Salomo? In feite heeft dit archeologische geschil weinig rechtstreekse betekenis voor het bijbelse verslag. De archeologie onderzoekt de geschiedenis op een andere basis dan die van het bijbelse verhaal. Ze stelt andere vragen en legt de nadruk op andere dingen. Men zou de bijbelstudent en de archeoloog kunnen vergelijken met reizigers op nagenoeg parallelle routes. Eén reiziger rijdt op straat, de ander loopt op het trottoir. Zij concentreren zich op en bekommeren zich om andere dingen. Toch zijn hun perspectieven vaak veeleer aanvullend dan tegenstrijdig. De indrukken van de twee reizigers met elkaar vergelijken kan tot fascinerende inzichten leiden.

De bijbel bevat een geschreven verslag van gebeurtenissen en mensen uit de oudheid; de archeologie tracht inlichtingen over deze gebeurtenissen en mensen te verkrijgen door te onderzoeken wat er in de grond nog aan sporen over is. Maar deze overblijfselen zijn gewoonlijk zeer onvolledig en kunnen op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. In zijn boek Archaeology of the Land of the Bible 10,000—586 B.C.E. zegt Amihai Mazar: „Archeologisch opgravingswerk . . . is grotendeels een kunst alsook een combinatie van opleiding en vakkundigheid. Geen starre methodiek kan succes verzekeren, en flexibiliteit en creatief denken zijn voor leiders van opgravingswerkzaamheden een vereiste. Het karakter, de begaafdheid en het gezonde verstand van de archeoloog zijn niet minder belangrijk dan zijn opleiding en de middelen waarover hij beschikt."

De archeologie heeft het bestaan van een groot koninklijk en militair centrum te Jizreël bevestigd, een centrum dat gedurende de historische periode die met Achabs regering samenvalt een verbazingwekkend korte tijd heeft bestaan — precies zoals de bijbel verhaalt. Er zijn vele andere intrigerende vragen opgeworpen waar archeologen wellicht nog jaren mee bezig zullen zijn. Toch blijven de bladzijden van Gods Woord, de bijbel, zich duidelijk uitspreken en verschaffen ze ons het volledige relaas op een wijze waar archeologen nooit toe in staat zijn.

 

Sponsors

Jeruzalem in bijbelse tijden — Wat onthult de archeologie?

ER ZIJN in Jeruzalem interessante grote archeologische projecten uitgevoerd, in het bijzonder sinds 1967. Veel van de opgegraven locaties zijn nu opengesteld voor het publiek, dus laten wij er eens enkele bezoeken en zien hoe de archeologie met de bijbelse geschiedenis overeenstemt.

Het Jeruzalem van koning David

Het gebied dat in de bijbel wordt aangeduid als de berg Sion, waarop de oude Stad van David werd gebouwd, maakt in de wereldstad die het hedendaagse Jeruzalem is een tamelijk nietige indruk. Opgravingen van de Stad van David die tussen 1978 en 1985 onder leiding van wijlen professor Yigal Shiloh zijn verricht, hebben aan de oostzijde van de heuvel een enorm trapvormig bouwwerk of een steunmuur blootgelegd.

Professor Shiloh verklaarde dat het de resten moeten zijn van een enorme onderbouw van terrasmuren waarop de Jebusieten (inwoners van vóór de verovering door David) een citadel bouwden. Hij legde uit dat het trapvormige bouwwerk dat hij boven op deze terrasmuren aantrof tot de nieuwe vesting behoorde die door David op de plaats van de Jebusitische citadel werd gebouwd. In 2 Samuël 5:9 lezen wij: „David ging in de vesting wonen, en ze werd de Stad van David genoemd; voorts bouwde David rondom, van de Wal af binnenwaarts."

In de buurt van dit bouwwerk bevinden zich de ingangen van de watersystemen van de oude stad, waarvan delen uit Davids tijd lijken te stammen. Sommige uitspraken in de bijbel over Jeruzalems stelsel van watertunnels hebben aanleiding gegeven tot vragen. David zei bijvoorbeeld tegen zijn mannen: „Laat al wie de Jebusieten slaat, door middel van de watertunnel in contact komen" met de vijand (2 Samuël 5:8). Davids bevelhebber Joab deed dat. Wat wordt precies bedoeld met de uitdrukking „watertunnel"?

Andere vragen zijn opgeworpen over de beroemde Siloamtunnel, die vermoedelijk in de achtste eeuw v.G.T. door de werklieden van koning Hizkia is uitgehouwen en in 2 Koningen 20:20 en 2 Kronieken 32:30 wordt vermeld. Hoe zagen de twee ploegen van tunnelbouwers, die van tegengestelde kanten begonnen te hakken, kans elkaar te ontmoeten? Waarom kozen zij voor een slingerend verloop, waardoor de tunnel aanzienlijk langer werd dan een rechte geweest zou zijn? Hoe kregen zij genoeg lucht om te ademen, vooral omdat zij waarschijnlijk olielampen hebben gebruikt?

Het tijdschrift Biblical Archaeology Review heeft mogelijke antwoorden op deze vragen voorgelegd. Dan Gill, geologisch consulent bij de opgraving, heeft naar verluidt gezegd: „Onder de Stad van David bevindt zich een goed ontwikkeld natuurlijk karstsysteem. Karst is een geologische term voor een onregelmatig gebied met holtes, grotten en kanalen, veroorzaakt door grondwater dat door ondergrondse rotsformaties sijpelt en stroomt. . . . Uit ons geologische onderzoek van de onderaardse waterwerken onder de Stad van David valt op te maken dat ze in wezen tot stand gekomen zijn doordat mensen op bekwame wijze natuurlijke karstverschijnselen, door erosie ontstane kanalen en schachten, hebben verbreed en in functionele watervoorzieningssystemen hebben geïntegreerd."

Wellicht helpt dit te verklaren hoe de Siloamtunnel uitgehouwen is. Mogelijk heeft men de kronkelende loop van een natuurlijk kanaal onder de heuvel gevolgd. Ploegen die vanaf de beide uiteinden werkten zouden een voorlopige tunnel hebben kunnen uithouwen door bestaande holtes aan te passen. Vervolgens werd een aflopend kanaal gegraven zodat het water van de Gihonbron naar de Vijver van Siloam kon stromen, die waarschijnlijk binnen de stadsmuren lag. Dit was een opmerkelijk staaltje van bouwtechniek, want het hoogteverschil tussen de twee uiteinden bedraagt ondanks de lengte van 533 meter slechts 32 centimeter.

Geleerden erkennen al lange tijd dat de voornaamste watervoorziening van de oude stad de Gihonbron was. Deze lag buiten de stadsmuren, maar dicht genoeg in de buurt om het mogelijk te maken een tunnel en een elf meter diepe schacht uit te hakken, die het de inwoners mogelijk zou maken water te putten zonder zich buiten de beschermende muren te begeven. Deze staat bekend als Warrens schacht, genoemd naar Charles Warren, die het stelsel in 1867 heeft ontdekt. Maar wanneer werden de tunnel en de schacht aangelegd? Bestonden ze al in Davids tijd? Was dit de watertunnel die door Joab werd gebruikt? Dan Gill antwoordt: „Om te toetsen of Warrens schacht feitelijk een natuurlijke holte was, hebben wij een fragment van de kalkhoudende laag op haar onregelmatige wanden op koolstof-14 geanalyseerd. Dat hebben wij er niet in aangetroffen, waaruit op te maken valt dat de laag meer dan 40.000 jaar oud is: Dit levert het onweerlegbare bewijs dat de schacht niet door mensen gegraven kan zijn."

Overblijfselen uit Hizkia’s tijd

Koning Hizkia leefde toen de natie Assyrië alles wat op haar weg kwam onder de voet liep. In het zesde jaar van zijn regering veroverden de Assyriërs Samaria, de hoofdstad van het tienstammenrijk. Acht jaar later (732 v.G.T.) waren de Assyriërs weer terug en bedreigden Juda en Jeruzalem. Twee Kronieken 32:1-8 beschrijft Hizkia’s verdedigingsstrategie. Zijn er zichtbare bewijzen van deze periode?

Ja: In 1969 ontdekte professor Nahman Avigad overblijfselen uit deze periode. Opgravingen brachten een deel van een massieve muur aan het licht, waarvan het eerste deel veertig meter lang, zeven meter breed en naar schatting acht meter hoog was. De muur stond gedeeltelijk op de rotsbodem en gedeeltelijk op kort daarvoor gebouwde huizen. Wie heeft de muur gebouwd en wanneer? „Twee passages in de bijbel hielpen Avigad de muur te dateren en het doel ervan te bepalen", bericht een archeologisch tijdschrift. Deze passages luiden: „Voorts vatte hij moed en bouwde de gehele neergehaalde muur op en liet er torens op verrijzen en bouwde daarbuiten nog een andere muur" (2 Kronieken 32:5). „Ook zult gij de huizen afbreken om de muur ontoegankelijk te maken" (Jesaja 22:10). Hedendaagse bezoekers kunnen in de joodse wijk van de Oude Stad een gedeelte van deze zogenaamde Brede Muur zien.

Verschillende opgravingen brengen tevens aan het licht dat Jeruzalem in die tijd veel groter was dan men tot dan toe had gedacht, waarschijnlijk door de toeloop van vluchtelingen uit het noordelijke koninkrijk nadat dit door de Assyriërs was verslagen. Professor Shiloh schatte dat de stad van de Jebusieten een oppervlakte van ongeveer zes hectare besloeg. In Salomo’s tijd besloeg ze bijna zestien hectare. Tegen de tijd van koning Hizkia, 300 jaar later, was het versterkte deel van de stad uitgegroeid tot ongeveer zestig hectare.

De begraafplaatsen uit de periode van de eerste tempel

Begraafplaatsen uit de tijd van de eerste tempel, dat wil zeggen van vóór de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs in 607 v.G.T., vormen ook een bron van inlichtingen. Er werden opzienbarende vondsten gedaan toen er in 1979/1980 een groep rotsgraven op de hellingen van het Dal van Hinnom werd blootgelegd. „In de hele geschiedenis van het archeologisch onderzoek in Jeruzalem is dit een van de zeer weinige grafkamers uit de periode van de eerste tempel die met de inhoud intact werden aangetroffen. Ze bevatte meer dan duizend voorwerpen", zegt archeoloog Gabriel Barkay. Hij vervolgt: „De wensdroom van iedere archeoloog die in Israël, en in het bijzonder in Jeruzalem, werkt, is geschreven materiaal te ontdekken." Er werden twee zilveren rolletjes gevonden, en wat stond erop?

Barkay zet uiteen: „Toen ik het ontrolde strookje zilver zag en het onder het vergrootglas legde, kon ik zien dat het oppervlak bedekt was met fijne lettertekens, die met een scherp instrument op het heel dunne en broze blaadje zilver waren gekrast. . . . De Goddelijke Naam, die duidelijk in de inscriptie staat, is samengesteld uit de vier Hebreeuwse letters, geschreven in Oudhebreeuws schrift, jod-he-waw-he." In een latere publikatie voegt Barkay hieraan toe: „Tot onze verrassing waren beide zilveren plaatjes beschreven met zegenspreuken die vrijwel identiek zijn met de bijbelse priesterlijke zegen" (Numeri 6:24-26). Dit was de eerste keer dat Jehovah’s naam werd aangetroffen in een in Jeruzalem ontdekte inscriptie.

Hoe hebben geleerden deze zilveren rolletjes gedateerd? Voornamelijk aan de hand van de archeologische context waarin ze werden ontdekt. In de grafkamer werden meer dan 300 stuks dateerbaar aardewerk gevonden, die op de zevende en zesde eeuw v.G.T. duiden. Het schrift wijst, wanneer het vergeleken wordt met andere gedateerde inscripties, op dezelfde periode. De rolletjes worden tentoongesteld in het Israel Museum in Jeruzalem.

De verwoesting van Jeruzalem in 607 v.G.T.

De bijbel bericht in 2 Koningen hoofdstuk 25, 2 Kronieken hoofdstuk 36 en Jeremia hoofdstuk 39 over de verwoesting van Jeruzalem in 607 v.G.T. en vermeldt dat Nebukadnezars leger de stad in brand stak. Hebben recente opgravingen dit historische verslag bevestigd? Volgens professor Yigal Shiloh „wordt het bewijsmateriaal [van de Babylonische verwoesting] in de bijbel . . . aangevuld door de eenduidige archeologische bewijzen; de totale verwoesting van de verschillende gebouwen, en een brand die de diverse houten delen van de huizen heeft verteerd". Verder merkte hij op: „Sporen van deze verwoesting zijn aangetroffen in elk van de opgravingen die in Jeruzalem zijn gedaan."

Bezoekers kunnen overblijfselen van deze verwoesting, die meer dan 2500 jaar geleden heeft plaatsgehad, bezichtigen. De „Israëlitische toren", de „verbrande kamer" en het „bullae huis" zijn namen van populaire archeologische vindplaatsen die behouden zijn en openstaan voor het publiek. De archeologen Jane M. Cahill en David Tarler geven in het boek Ancient Jerusalem Revealed de volgende samenvatting: „De massale verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs treedt niet alleen aan het licht in de dikke lagen verkoolde overblijfselen die zijn opgegraven in bouwwerken zoals de ’verbrande kamer’ en het ’bullae huis’, maar ook in de dikke laag steenpuin van ingestorte gebouwen waarmee de oostelijke helling bedekt bleek te zijn. De bijbelse beschrijvingen van de verwoesting van de stad . . . vullen het archeologische bewijsmateriaal aan."

Het beeld dat de bijbel verschaft van Jeruzalem in Davids tijd tot aan haar verwoesting in 607 v.G.T. is dus op vele manieren door archeologische opgravingen van de afgelopen 25 jaar bevestigd. Maar hoe staat het met het Jeruzalem uit de eerste eeuw G.T.?

Jeruzalem in Jezus’ tijd

Opgravingen, de bijbel, de eerste-eeuwse joodse geschiedschrijver Josephus en andere bronnen helpen geleerden zich een beeld te vormen van Jeruzalem in Jezus’ tijd, voordat het in 70 G.T. door de Romeinen werd verwoest. Een maquette die achter een groot hotel in Jeruzalem wordt tentoongesteld, wordt geregeld bijgewerkt aan de hand van de ontdekkingen bij nieuwe opgravingen. Het voornaamste punt van de stad was de Tempelberg, die door Herodes in omvang was verdubbeld vergeleken bij Salomo’s tijd. Het was het grootste door mensen gemaakte platform in de oude wereld, ongeveer 480 bij 280 meter. Sommige bouwstenen wogen 50 ton, één woog zelfs bijna 400 ton en was „zonder weerga in heel de oude wereld", volgens een geleerde.

Geen wonder dat sommige mensen geschokt waren toen zij Jezus hoorden zeggen: „Breekt deze tempel af en in drie dagen zal ik hem oprichten." Zij dachten dat hij het reusachtige tempelgebouw bedoelde, terwijl hij „de tempel van zijn lichaam" bedoelde. Daarom zeiden zij: „Deze tempel werd in zesenveertig jaar gebouwd, en zult gij hem in drie dagen oprichten?" (Johannes 2:19-21) Als gevolg van opgravingen in de omgeving van de Tempelberg kunnen bezoekers nu delen van muren en andere bouwwerken uit Jezus’ tijd zien en kunnen zelfs de treden bewandelen die hij vermoedelijk naar de zuidelijke tempelpoorten heeft bestegen.

Niet ver van de westelijke muur van de Tempelberg, in de joodse wijk van de Oude Stad, bevinden zich twee fraai gerestaureerde opgravingsplaatsen uit de eerste eeuw G.T., die bekendstaan als het „verbrande huis" en de „Herodiaanse wijk". Na de ontdekking van het „verbrande huis" schreef archeoloog Nahman Avigad: „Het was nu geheel duidelijk dat dit gebouw door de Romeinen in 70 A.D., tijdens de verwoesting van Jeruzalem, in de as werd gelegd. Voor het eerst in de geschiedenis van de opgravingen in de stad was er aanschouwelijk en duidelijk archeologisch bewijsmateriaal aan het licht gekomen dat de stad door brand is verwoest."

Sommige van deze ontdekkingen werpen licht op enkele van de gebeurtenissen in Jezus’ leven. De gebouwen lagen in de Bovenstad, waar de rijke mensen van Jeruzalem, onder wie de hogepriesters, woonden. In de huizen is een groot aantal rituele baden aangetroffen. Een geleerde merkt op: „Het grote aantal baden getuigt van de strikte inachtneming van de rituele reinigingswetten door de inwoners van de Bovenstad in de periode van de tweede tempel. (Deze wetten staan opgetekend in de misjna, die tien hoofdstukken wijdt aan de bijzonderheden van het mikwe.)" Deze inlichtingen geven ons meer inzicht in Jezus’ opmerkingen tot de Farizeeën en schriftgeleerden over deze rituelen. — Mattheüs 15:1-20; Markus 7:1-15.

Ook is in Jeruzalem een verrassend groot aantal stenen vaten gevonden. Nahman Avigad merkt op: „Waarom verschenen ze dan zo plotseling en in zulke hoeveelheden in de huishoudens van Jeruzalem? Het antwoord ligt op het gebied van de halacha, de joodse rituele reinheidswetten. De misjna vertelt ons dat stenen vaten tot de voorwerpen behoren die niet voor onreinheid vatbaar zijn . . . Steen was eenvoudig niet vatbaar voor rituele bezoedeling." Men vermoedt dat dit verklaart waarom het water dat Jezus in wijn veranderde in stenen vaten werd bewaard in plaats van in aardewerken vaten. — Leviticus 11:33; Johannes 2:6.

Een bezoek aan het Israel Museum zal twee ongewone beenderurnen te zien geven. Biblical Archaeology Review legt uit: „Beenderurnen werden voornamelijk gebruikt in de ruwweg honderd jaar voorafgaand aan de Romeinse verwoesting van Jeruzalem in 70 G.T. . . . De dode werd in een in de muur van een rotsgraf uitgehouwen nis gelegd; nadat het vlees vergaan was, werden de beenderen verzameld en in een beenderurn geplaatst — gewoonlijk een vat van versierde kalksteen." De twee die tentoongesteld staan, zijn in november 1990 in een rotsgraf gevonden. De archeoloog Zvi Greenhut bericht: „Het woord . . . ’Kajafa’ op twee van de beenderurnen in het graf verschijnt hier voor het eerst in een archeologische context. Vermoedelijk is het de naam van de familie van de hogepriester Kajafas, die . . . in het Nieuwe Testament wordt genoemd . . . Vanuit diens huis in Jeruzalem werd Jezus aan de Romeinse procurator Pontius Pilatus overgeleverd." Eén beenderurn bevatte het gebeente van een man van ongeveer zestig jaar. Geleerden speculeren dat dit werkelijk de beenderen van Kajafas zijn. Eén geleerde brengt de vondsten met de tijd van Jezus in verband: „Een muntstuk dat in een van de andere beenderurnen werd aangetroffen, was geslagen door Herodes Agrippa (37–44 G.T.). De twee beenderurnen van Kajafas zouden uit het begin van de eeuw kunnen stammen."

William G. Dever, hoogleraar in de archeologie van het Midden-Oosten aan de Universiteit van Arizona, merkte betreffende Jeruzalem op: „Het is geen overdrijving te zeggen dat wij in de afgelopen 15 jaar meer over de archeologische geschiedenis van deze betekenisvolle plaats hebben geleerd dan in de voorgaande 150 jaar bij elkaar." Veel van de grote archeologische projecten in Jeruzalem gedurende de afgelopen decennia hebben beslist vondsten opgeleverd die de bijbelse geschiedenis verhelderen.

 

              Het „Nieuwe Testament", geschiedenis of mythe?

’Het Nieuwe Testament kan vandaag de dag worden aangemerkt als veruit het best onderzochte boek van de wereldliteratuur.’ Dit zei Hans Küng in zijn boek „Christen zijn". En hij had gelijk. In de afgelopen 300 jaar zijn de christelijke Griekse Geschriften terdege onderzocht. Ze zijn grondiger ontleed en minutieuzer geanalyseerd dan enige andere literatuur.

SOMMIGE onderzoekers zijn tot bizarre conclusies gekomen. In de negentiende eeuw concludeerde Ludwig Noack in Duitsland dat het Evangelie van Johannes in 60 G.T. geschreven werd door de geliefde discipel — die, volgens Noack, Judas was! De Fransman Joseph Ernest Renan opperde dat de opstanding van Lazarus waarschijnlijk een door Lazarus zelf verzonnen bedrog was om Jezus’ bewering dat hij een wonderwerker was te staven, terwijl de Duitse theoloog Gustav Volkmar hardnekkig volhield dat de historische Jezus onmogelijk met Messiaanse aanspraken voor de dag had kunnen komen.

Bruno Bauer daarentegen kwam tot de conclusie dat Jezus zelfs nooit had bestaan! „Hij beweerde dat de werkelijke scheppende krachten in het vroege christendom Philo, Seneca en de gnostici waren. Ten slotte verklaarde hij dat er nooit een historische Jezus was geweest . . . dat de christelijke religie laat in de tweede eeuw was ontstaan uit een judaïsme waarin het stoïcisme een overheersende invloed had gekregen."

Tegenwoordig houden nog maar weinigen er zulke extreme opvattingen op na. Maar als u de werken van hedendaagse bijbelgeleerden leest, zult u bemerken dat velen nog steeds geloven dat de christelijke Griekse Geschriften legenden, mythen en overdrijvingen bevatten. Is dat zo?

Wanneer werden ze geschreven?

De ontwikkeling van mythen en legenden kost tijd. Belangrijk is dus de vraag: Wanneer werden deze boeken geschreven? Michael Grant, een geschiedschrijver, zegt dat er met het optekenen van de historische geschriften van de christelijke Griekse Geschriften „dertig of veertig jaar na Jezus’ dood" een aanvang werd gemaakt. De bijbelse archeoloog William Foxwell Albright citeerde C. C. Torrey, die concludeerde „dat alle Evangeliën vóór 70 n. Chr. geschreven werden en dat er niets in staat wat niet binnen twintig jaar na de Kruisiging geschreven kon zijn". Albrights eigen opinie was dat het op schrift stellen ervan „niet later dan omstreeks 80 n. Chr." voltooid was. Anderen brengen iets andere schattingen naar voren, maar de meesten zijn het erover eens dat het op schrift stellen van het „Nieuwe Testament" tegen het einde van de eerste eeuw voltooid was.

Wat betekent dit? Albright besluit met te zeggen: „Wij kunnen alleen maar zeggen dat een periode tussen de twintig en vijftig jaar te gering is om enige waarneembare verbastering van de wezenlijke inhoud of zelfs van de specifieke bewoording van de uitspraken van Jezus toe te staan." Professor Gary Habermas voegt eraan toe: „De Evangeliën staan vrij dicht bij de tijdsperiode die erin opgetekend staat, terwijl oude geschiedverhalen vaak gebeurtenissen beschrijven die veel vroeger hebben plaatsgevonden. Toch zijn hedendaagse geschiedschrijvers in staat om met succes de gebeurtenissen zelfs uit deze oude tijdsperioden na te gaan."

Met andere woorden, de historische gedeelten van de christelijke Griekse Geschriften zijn op z’n minst even geloofwaardig als wereldlijke geschiedverhalen. Stellig was het tijdsbestek van enkele tientallen jaren die er tussen de gebeurtenissen van het vroege christendom en het op schrift stellen ervan lagen, niet voldoende dat er zich mythen en legenden konden ontwikkelen die universeel werden aanvaard.

De verklaringen van ooggetuigen

Dit is vooral zo aangezien veel van de verslagen ooggetuigenverklaringen bevatten. De schrijver van het Evangelie van Johannes zei: „Dit is de discipel [de discipel van wie Jezus veel hield] die getuigenis over deze dingen aflegt en die deze dingen heeft geschreven" (Johannes 21:24). De schrijver van het boek Lukas zegt: „Deze [zijn] aan ons . . . overgeleverd door hen die van het begin af ooggetuigen en dienaren van de boodschap zijn geworden" (Lukas 1:2). De apostel Paulus sprak over degenen die getuige waren geweest van de opstanding van Jezus en zei: „De meesten [van hen zijn] tot op dit ogenblik nog in leven . . ., maar sommigen zijn ontslapen." — 1 Korinthiërs 15:6.

In dit verband maakt professor F. F. Bruce een scherpzinnige opmerking: „Het kan onder geen beding zo gemakkelijk zijn geweest als sommige schrijvers schijnen te denken om in die vroege jaren, toen er nog zo vele van Zijn discipelen in leven waren, die zich konden herinneren wat er wel en niet was gebeurd, woorden en daden van Jezus te verzinnen. . . . De discipelen konden zich geen onnauwkeurigheden (om nog maar niet te spreken van opzettelijke manipulatie van de feiten) veroorloven, hetgeen terstond aan de kaak gesteld zou worden door degenen die dit maar al te graag zouden willen doen. Integendeel, een van de sterke punten in de originele apostolische prediking is het overtuigde beroep dat gedaan werd op de kennis van de toehoorders; zij zeiden niet alleen: ’Wij zijn getuigen van deze dingen’, maar ook: ’Zoals gij ook zelf weet’ (Handelingen 2:22)."

Is de tekst betrouwbaar?

Is het mogelijk dat deze ooggetuigenverklaringen nauwkeurig werden opgetekend maar later werden vervalst? Met andere woorden, werden er nadat het oorspronkelijke op schrift stellen was voltooid, mythen en legenden geïntroduceerd? Wij hebben reeds gezien dat de tekst van de christelijke Griekse Geschriften beter bewaard is gebleven dan enige andere oude literatuur. Kurt en Barbara Aland, geleerden op het gebied van de Griekse tekst van de bijbel, vermelden bijna 5000 handschriften die sedert de oudheid tot op deze tijd zijn blijven bestaan, waarvan sommige reeds uit de tweede eeuw G.T. dateren.8 Het algemene getuigenis van deze overstelpende hoeveelheid bewijsmateriaal is dat de tekst in wezen deugdelijk is. Bovendien zijn er veel oude vertalingen — de vroegste dateert van omstreeks het jaar 180 G.T. — die mede bewijzen dat de tekst nauwkeurig is.

Alle factoren in aanmerking genomen, kunnen wij er dus zeker van zijn dat er geen legenden en mythen in de christelijke Griekse Geschriften zijn geslopen nadat de oorspronkelijke schrijvers hun werk hadden voltooid. De tekst waarover wij beschikken, is in hoofdzaak dezelfde als die welke door de oorspronkelijke schrijvers op schrift werd gesteld, en de nauwkeurigheid ervan wordt bevestigd door het feit dat christenen uit die tijd hem aanvaardden. Kunnen wij de historiciteit van de bijbel dan verifiëren door hem met andere oude geschiedverhalen te vergelijken? Tot op zekere hoogte wel.

Het documentaire bewijsmateriaal

Voor gebeurtenissen in het leven van Jezus en zijn apostelen is, afgezien van de bijbel, het documentaire bewijsmateriaal in feite tamelijk schaars. Dit is alleen maar te verwachten, aangezien christenen in de eerste eeuw een betrekkelijk kleine groep vormden die zich niet met de politiek inliet. Maar het weinige bewijsmateriaal dat de wereldlijke geschiedenis verschaft, strookt met wat wij in de bijbel lezen.

De joodse geschiedschrijver Josephus, die in 93 G.T. schreef, zei bijvoorbeeld nadat Herodes Antipas een verpletterende militaire nederlaag had geleden: „Daar waren echter eenige Joden, die den ondergang van Herodes’ leger aan den toorn Gods toeschreven, als een gerechte straf voor de terechtstelling van Johannes, bijgenaamd den Dooper. Dezen had namelijk Herodes ter dood doen brengen, hoewel hij een deugdzaam man was en de Joden vermaande, de deugd te beoefenen, jegens elkander de rechtvaardigheid en jegens God de vroomheid te betrachten." Josephus bevestigt dus het bijbelse verslag dat Johannes de Doper een rechtvaardig man was die berouw predikte en die door Herodes ter dood gebracht werd. — Matthéüs 3:1-12; 14:11.

Josephus maakt ook gewag van Jakobus, de halfbroer van Jezus, die, zoals de bijbel ons vertelt, Jezus aanvankelijk niet volgde maar later een vooraanstaand ouderling in Jeruzalem werd (Johannes 7:3-5; Galaten 1:18, 19). Hij documenteert Jakobus’ gevangenneming met de volgende woorden: „[De hogepriester Ananus] riep den Hoogen Raad bijeen om recht te spreken. Voor deze rechtbank bracht hij Jakobus, den broeder van Jezus, bijgenaamd den Christus, met eenige anderen." Door deze woorden op te tekenen, bevestigt Josephus bovendien dat „Jezus, bijgenaamd den Christus," een werkelijk bestaand, historisch persoon was.

Andere vroege schrijvers maken eveneens melding van dingen die in de Griekse Geschriften staan. In de Evangeliën wordt ons bijvoorbeeld verteld dat Jezus’ prediking in Palestina overal weerklank vond. Toen hij door Pontius Pilatus ter dood veroordeeld werd, waren zijn volgelingen verbijsterd en ontmoedigd. Niet lang daarna vervulden deze zelfde discipelen Jeruzalem moedig met de boodschap dat hun Heer was opgewekt. In enkele jaren had het christendom zich over het gehele Romeinse Rijk verbreid. — Matthéüs 4:25; 26:31; 27:24-26; Handelingen 2:23, 24, 36; 5:28; 17:6.

De Romeinse geschiedschrijver Tacitus, die geen vriend van het christendom was, getuigt dat dit inderdaad zo was. In zijn geschiedwerken, die hij niet lang na 100 G.T. schreef, vertelt hij over Nero’s wrede vervolging van de christenen en voegt eraan toe: „De man van wie deze benaming kwam, Christus, was onder Tiberius’ regering door de procurator [stadhouder] Pontius Pilatus terechtgesteld. Het verderfelijk bijgeloof werd voor het ogenblik onderdrukt, maar begon zich opnieuw uit te breiden, niet alleen in Judea, het vaderland van dat kwaad, maar ook te Rome."

In Handelingen 18:2 maakt de bijbelschrijver melding van het feit dat „[de Romeinse keizer] Claudius bevolen had dat alle joden uit Rome moesten vertrekken". De tweede-eeuwse Romeinse geschiedschrijver Suetonius maakt eveneens gewag van deze verbanning. In zijn werk over Claudius zegt de geschiedschrijver: „Aangezien de joden op instigatie van Chrestus voortdurend opschudding veroorzaakten, verdreef hij [Claudius] hen uit Rome." Indien hier met Chrestus gedoeld wordt op Jezus Christus en indien de gebeurtenissen in Rome een weerspiegeling waren van wat er in andere steden plaatsvond, dan deden de ongeregeldheden zich in werkelijkheid niet op instigatie van Christus (dat wil zeggen Christus’ volgelingen) voor. Ze waren veeleer een gewelddadige reactie van de joden op de getrouwe predikingsactiviteit van christenen.

Justinus Martyr, die in het midden van de tweede eeuw schreef, zei met betrekking tot de dood van Jezus: „Dat deze dingen werkelijk gebeurd zijn, kan men vaststellen aan de hand van de Acta [Handelingen] van Pontius Pilatus." Volgens Justinus Martyr maken deze zelfde verslagen bovendien melding van Jezus’ wonderen, waarover hij zegt: „Dat Hij die dingen deed, kan men vernemen uit de Acta van Pontius Pilatus." Zeker, deze „Acta", of officiële verslagen, bestaan niet meer. Maar kennelijk bestonden ze wel in de tweede eeuw, en Justinus Martyr daagde zijn lezers vol vertrouwen uit ze te onderzoeken om na te gaan of hij de waarheid sprak.

Het archeologische bewijsmateriaal

Archeologische ontdekkingen hebben eveneens geïllustreerd of bevestigd wat wij in de Griekse Geschriften lezen. Zo werd in 1961 in de ruïnes van een Romeins theater te Cesarea de naam Pontius Pilatus in een inscriptie aangetroffen. Tot op deze ontdekking was er, afgezien van de bijbel zelf, slechts beperkt bewijsmateriaal voorhanden dat deze Romeinse regeerder had bestaan.

In het Evangelie van Lukas lezen wij dat Johannes de Doper met zijn bediening begon „toen . . . Lysánias districtsregeerder van Abiléne [was]" (Lukas 3:1). Sommigen hebben die bewering in twijfel getrokken omdat Josephus melding maakte van een Lysánias die Abiléne bestuurde en die stierf in 34 v.G.T., lang voor de geboorte van Johannes. Archeologen hebben echter in Abiléne een inscriptie blootgelegd waarin melding wordt gemaakt van een andere Lysánias, die tetrarch (districtsregeerder) was tijdens de regering van Tiberius, die als caesar in Rome regeerde toen Johannes met zijn bediening begon. Dit zou gemakkelijk de Lysánias geweest kunnen zijn van wie Lukas melding maakte.

In Handelingen lezen wij dat Paulus en Barnabas werden uitgezonden om zendingswerk op Cyprus te verrichten en daar een proconsul genaamd Sergius Paulus, „een intelligent man", ontmoetten (Handelingen 13:7). In het midden van de negentiende eeuw werd bij opgravingen op Cyprus een inscriptie blootgelegd die dateert van 55 G.T. en waarin deze man wordt vermeld. Hierover zegt de archeoloog G. Ernest Wright: „Het is buiten de bijbel de enige vermelding die wij van deze proconsul hebben, en het is interessant dat Lukas ons zijn naam en titel correct geeft."

Paulus zei dat hij tijdens zijn verblijf in Athene een altaar had opgemerkt dat opgedragen was „Aan een onbekende God" (Handelingen 17:23). Altaren die in het Latijn opgedragen waren aan anonieme goden, zijn in gebiedsdelen van het Romeinse Rijk ontdekt. Eén altaar werd in Pérgamum gevonden en daarop stond, net zoals bij het altaar in Athene het geval geweest zal zijn, de inscriptie in het Grieks.

Later, toen Paulus in Éfeze was, werd hij gewelddadig tegengestaan door zilversmeden, die inkomsten verkregen uit het vervaardigen van tempeltjes en beelden van de godin Artemis. Éfeze werd aangeduid als ’de tempelbewaarster van de grote Artemis’ (Handelingen 19:35). In overeenstemming hiermee zijn er op de plaats waar het oude Éfeze lag, een aantal terracotta en marmeren beeldjes van Artemis ontdekt. Gedurende de afgelopen eeuw werden de overblijfselen van de grote tempel zelf blootgelegd.

De klank der waarheid

De geschiedenis en de archeologie illustreren derhalve, en bevestigen tot op zekere hoogte, de historische elementen van de Griekse Geschriften. Maar weer is het krachtigste bewijs voor de waarheid van deze geschriften in de boeken zelf te vinden. Wanneer u ze leest, klinken ze niet als mythen. Ze hebben de klank der waarheid.

In de eerste plaats zijn ze heel openhartig. Denk eens aan hetgeen er over Petrus wordt bericht. Zijn beschamende onvermogen om op het water te lopen, wordt uitvoerig verhaald. Vervolgens zegt Jezus tot deze zeer gerespecteerde apostel: „Ga achter mij, Satan!" (Matthéüs 14:28-31; 16:23) Bovendien viel Petrus, na hevig geprotesteerd te hebben dat ook al zouden alle anderen Jezus verlaten, hij dit nooit zou doen, tijdens zijn nachtelijke waken in slaap en verloochende hij vervolgens zijn Heer driemaal. — Matthéüs 26:31-35, 37-45, 73-75.

Maar Petrus is niet de enige wiens zwakheden worden onthuld. Het openhartige verslag verdoezelt niet het geruzie van de apostelen over wie de grootste onder hen was (Matthéüs 18:1; Markus 9:34; Lukas 22:24). Evenmin verzuimt het ons te vertellen dat de moeder van de apostelen Jakobus en Johannes aan Jezus vroeg haar zonen de meest begunstigde posities in zijn koninkrijk te geven (Matthéüs 20:20-23). De „scherpe uitbarsting van toorn" tussen Barnabas en Paulus wordt eveneens getrouw gedocumenteerd. — Handelingen 15:36-39.

Ook opmerkenswaardig is het feit dat het boek Lukas ons vertelt dat „de vrouwen, die uit Galiléa met hem waren meegekomen," het eerst over Jezus’ opstanding vernamen. Dit is een zeer ongewoon detail in de mannenmaatschappij van de eerste eeuw. Ja, volgens het verslag kwam datgene wat de vrouwen zeiden, bij de apostelen als „onzin" over (Lukas 23:55–24:11). Als de geschiedenis in de Griekse Geschriften niet waar is, moet ze verzonnen zijn. Maar waarom zou iemand een verhaal verzinnen waarin zulke gerespecteerde figuren zo ongeflatteerd worden afgeschilderd? Deze details zouden er alleen in opgenomen zijn als ze waar waren.

Jezus een werkelijk bestaand persoon

Velen hebben de beschrijving die in de bijbel van Jezus wordt gegeven, als een geïdealiseerd verdichtsel beschouwd. Maar de geschiedschrijver Michael Grant merkt op: „Indien wij op het Nieuwe Testament dezelfde criteria toepassen, en dit behoren wij te doen, als wij op andere oude geschriften die historisch materiaal bevatten zouden toepassen, kunnen wij Jezus’ bestaan net zomin verwerpen als wij het bestaan van talloze heidense personages kunnen verwerpen wier werkelijke bestaan als historische figuren nooit in twijfel is getrokken."

Niet alleen Jezus’ bestaan maar ook zijn persoonlijkheid heeft in de bijbel een onmiskenbare klank van waarheid. Het is niet gemakkelijk om een ongewone figuur te verzinnen en dan door een heel boek heen een consequente persoonsbeschrijving van hem te geven. Het is nagenoeg onmogelijk dat vier verschillende schrijvers over dezelfde figuur schrijven en consequent hetzelfde beeld van hem schilderen als die figuur nooit werkelijk bestaan heeft. Het feit dat de in alle vier de Evangeliën beschreven Jezus kennelijk dezelfde persoon is, vormt het overtuigende bewijs van de waarachtigheid van de Evangeliën.

Michael Grant citeert een zeer toepasselijke vraag: „Hoe komt het dat zonder uitzondering alle Evangelie-overleveringen een opmerkelijk duidelijke persoonsbeschrijving geven van een aantrekkelijke jonge man die zich vrij in het gezelschap van allerlei vrouwen beweegt, ook die met een uitgesproken slechte reputatie, zonder een spoor van sentimentaliteit, onnatuurlijkheid of preutsheid, en toch in elk opzicht een ongekunstelde integriteit van karakter behoudt?" Het enige antwoord is dat zo’n man werkelijk bestaan heeft en zich gedroeg zoals de bijbel zegt dat hij deed.

Waarom hun ongeloof

Aangezien er op grond van overtuigend bewijsmateriaal gezegd kan worden dat de Griekse Geschriften ware geschiedenis bevatten, waarom wordt dit door sommigen dan ontkend? Hoe komt het dat velen, ofschoon zij gedeelten ervan als waar aanvaarden, niettemin weigeren alles te aanvaarden wat erin staat? Hoofdzakelijk omdat de bijbel dingen vermeldt die hedendaagse intellectuelen niet willen geloven. Er wordt bijvoorbeeld in verteld dat Jezus zowel profetieën vervulde als uitte. Ook wordt erin verteld dat hij wonderen verrichtte en dat hij na zijn dood werd opgewekt.

In deze sceptische twintigste eeuw zijn zulke dingen ongeloofwaardig. Met betrekking tot wonderen merkt professor Ezra P. Gould op: „Er is één voorbehoud dat sommige critici terecht menen te kunnen maken . . . dat er geen wonderen geschieden." Sommigen aanvaarden dat Jezus misschien genezingen heeft verricht, maar slechts van het psychosomatische, ’geest over materie’, soort. Wat de andere wonderen betreft, die worden door de meesten weggeredeneerd als hetzij verzinsels of werkelijke gebeurtenissen die bij het oververtellen verdraaid zijn.

Beschouw als een voorbeeld hiervan eens de gelegenheid waarbij Jezus een schare van meer dan 5000 personen met slechts enkele broden en twee vissen spijzigde (Matthéüs 14:14-22). De negentiende-eeuwse bijbelgeleerde Heinrich Paulus opperde dat in werkelijkheid het volgende had plaatsgevonden: Jezus en zijn apostelen bevonden zich in het gezelschap van een grote menigte die honger kreeg. Hij besloot dus de rijken onder hen een goed voorbeeld te geven. Hij nam het weinige voedsel dat hij en zijn apostelen hadden en deelde dit met de menigte. Weldra volgden anderen die voedsel hadden meegebracht zijn voorbeeld en gingen ook uitdelen. Ten slotte werd de hele menigte gevoed.

Als dàt echter in werkelijkheid had plaatsgevonden, was het een opmerkelijk bewijs van de kracht van een goed voorbeeld. Waarom zou zo’n interessant en veelbetekenend verhaal verdraaid zijn om het als een bovennatuurlijk wonder te doen klinken? Ja, al zulke pogingen om de wonderen weg te redeneren als iets anders dan wonderbaar, werpen meer problemen op dan erdoor opgelost worden. En ze zijn alle gebaseerd op een verkeerde vooronderstelling. Er wordt bij voorbaat reeds aangenomen dat wonderen onmogelijk zijn. Maar waarom zou dat zo zijn?

Volgens de meest redelijke maatstaven bevatten zowel de Hebreeuwse als de Griekse Geschriften ware geschiedenis, maar toch vindt men in beide geschriften voorbeelden van profetieën en wonderen. (Vergelijk 2 Koningen 4:42-44.) En als de profetieën nu eens waar zijn, en als er werkelijk wonderen zijn gebeurd? Dan heeft God inderdaad achter het schrijven van de bijbel gestaan en is de bijbel werkelijk zíjn woord en niet dat van mensen. In een later hoofdstuk zullen wij de kwestie van profetieën bespreken, maar laten wij ons eerst eens in wonderen verdiepen. Is het in deze twintigste eeuw redelijk te geloven dat er in vroeger eeuwen wonderen zijn geschied?

[Kader]

De moderne kritiek gebrekkig bevonden

Beschouw als een voorbeeld van de onzekere aard van de moderne bijbelkritiek eens wat Raymond E. Brown over het Evangelie van Johannes opmerkt: „Aan het einde van de vorige eeuw en in de vroege jaren van deze eeuw maakte de wetenschap een periode van extreem scepticisme omtrent dit evangelie door. Johannes werd heel laat gedateerd, zelfs in de tweede helft van de 2de eeuw. Als een produkt van de hellenistische wereld meende men dat het volkomen ontbloot was van historische waarde en weinig verband hield met het Palestina van Jezus van Nazareth . . .

Die stelling is alleszins aangevochten door een reeks onverwachte archeologische, documentaire en tekstuele ontdekkingen. Deze ontdekkingen hebben ons ertoe gebracht de kritische zienswijzen die bijna orthodox geworden waren, verstandelijk te betwisten en te beseffen op welk een zwakke basis de zeer sceptische analyse van Johannes steunde. . . .

De datering van het Evangelie is teruggeschoven naar het einde van de 1ste eeuw of zelfs vroeger. . . . Misschien nog wel het vreemdst van alles is dat sommige geleerden zelfs weer durven opperen dat Johannes, de zoon van Zebedéüs, misschien iets met het Evangelie te maken had"!3

Waarom zou het vreemd schijnen te geloven dat Johannes het boek geschreven heeft dat de overlevering aan hem toeschrijft? Alleen omdat het niet met de vooropgezette denkbeelden van de critici strookt.

[Kader]

Louter een andere aanval op de bijbel

Timothy P. Weber schrijft: „De bevindingen van de hogere kritiek hebben veel leken genoopt te betwijfelen of zij ook maar iets [in de bijbel] kunnen begrijpen. . . . A. T. Pierson bracht de frustratie van veel evangelikalen onder woorden toen hij zei dat ’net als de rooms-katholieke godsdienst, [de hogere kritiek] het Woord van God vrijwel uit het leven van de gewone mensen bant door ervan uit te gaan dat alleen geleerden het kunnen interpreteren; terwijl Rome een priester tussen een mens en het Woord plaatst, plaatst de kritiek een geschoolde explicateur tussen de gelovige en zijn bijbel’."23 Aldus wordt de moderne hogere kritiek aan de kaak gesteld als louter een andere aanval op de bijbel.

 

Wetenschap en de bijbel

MAAKT de moderne wetenschap het onmogelijk om nog in de bijbel te geloven? Sommigen schijnen die gedachte te zijn toegedaan, maar wij dienen te bedenken dat de bijbel niet in de eerste plaats een wetenschappelijk leerboek is. De bijbel onthult een andere soort waarheid dan die welke door wetenschappelijke methoden onthuld wordt. Soms staan er echter dingen in die verband houden met geologie, archeologie of andere wetenschappen. Is de bijbel in dergelijke gevallen in overeenstemming met wat geleerden zeggen? Beschouw slechts twee voorbeelden.

In het boek Psalmen lezen wij: „Hij heeft de aarde op haar vaste plaatsen gegrondvest; . . . Met een waterdiepte net als een kleed hebt gij haar bedekt. De wateren stonden zelfs boven de bergen. . . . Bergen rezen nu op. Valleivlakten daalden" (Ps. 104:5-8). Rijzen bergen werkelijk op? Komen ze soms onder het zeewater terecht? The Book of Popular Science zegt: „Vanaf de [vroegste] tijden tot op heden is het proces van vorming en afbraak van bergen steeds doorgegaan. . . . Niet alleen zijn bergen omhooggekomen uit de bodem van verdwenen zeeën, maar ze zijn ook vaak lang na hun vorming onder water weggezakt en dan weer omhooggekomen."

In het eerste vers van de bijbel lezen wij: „In het begin schiep God de hemel en de aarde" (Gen. 1:1). Er is een tijd geweest dat geleerden fel debatteerden over de vraag of er zelfs wel ooit een begin was geweest of dat materie altijd had bestaan. In 1979 schreef het tijdschrift Time echter: „De meeste astronomen aanvaarden nu de theorie dat er voor het universum een moment van schepping is geweest. . . . De ’big bang’-theorie heeft heel veel weg van het verhaal dat het Oude Testament ons steeds al heeft verteld."

Soms echter leek het erop alsof de bijbel en de wetenschap elkaar tegenspreken. Heeft de bijbel het bij het verkeerde eind? Neen, hoewel degenen die beweerden de bijbel te onderwijzen, zich soms wel vergist hebben.

Heeft de bijbel echt ongelijk?

In de zeventiende eeuw verkondigde de Italiaanse geleerde Galilei dat de aarde om de zon draait en niet de zon om de aarde. De katholieke Kerk beval hem dit te herroepen. Waarom? Zij beschouwden wat hij zei als in tegenspraak met de bijbel. Wel, Galilei had gelijk en de Kerk had ongelijk. Maar de bijbel had geen ongelijk. De bijbel verklaart nergens dat de zon om de aarde draait. Dat komt voor rekening van Ptolemaeus, een astronoom uit de oudheid.

Tegenwoordig geloven bepaalde fundamentalisten dat de aarde in zes dagen van vierentwintig uur is geschapen. Dit is volkomen in tegenspraak met wat de wetenschap leert, maar welke gedachte is correct?

De fundamentalisten geloven dat hun leer op de bijbel is gebaseerd, maar bij zorgvuldig lezen van Genesis hoofdstuk Een blijkt dat zij ongelijk hebben. De bijbel verklaart dat de aarde op een niet genoemd tijdstip in het verleden is geschapen, en de befaamde „zes dagen" hadden te maken met de toebereiding van de aarde voor menselijke bewoning. — Gen. 1:1-31.

Toegegeven, het verslag vermeldt dan dat elk van de enorme fasen in die ontwikkeling van de aarde een dag duurde. Maar in de bijbel kan „dag" meer betekenen dan een periode van vierentwintig uur. Er kan duizend jaar of zelfs langer mee bedoeld zijn! (Gen. 2:4; Ps. 90:4) Uit het bijbelverslag, te zamen met verifieerbare geschiedenis, blijkt dat de zevende dag van de scheppingsweek een periode van 7000 jaar beslaat. Elk van de zes voorgaande „dagen" zou dus dezelfde lengte hebben.

In het eerste hoofdstuk van Genesis lezen wij dus over zes lange tijdsperioden — duizenden jaren, niet slechts uren — waarin land verscheen in de oude zeeën, dag en nacht herkenbaar werden (misschien vanwege het verwijderen van kosmisch stof rond de aarde), en waarin het planteleven verscheen, gevolgd door vissen, vogels, landdieren en uiteindelijk de mens. In vele opzichten lijkt dit verslag op wat u in een schoolboek zou lezen.

Heeft de moderne wetenschap echt gelijk?

Maar wat moeten wij dan aan met de gevallen dat de bijbel iets zegt dat duidelijk in tegenspraak is met een of andere moderne wetenschappelijke theorie? Moeten wij aannemen dat de bijbel het mis heeft? Neen. Bedenk dat wetenschap op zijn best een voortdurend proces van leren is. Theorieën die gisteren algemeen werden aanvaard, kunnen morgen verworpen zijn. Het is daarom heel goed mogelijk dat een wetenschappelijke overtuiging die in conflict is met de bijbel, in de toekomst zelf uit de mode zal zijn.

Een voorbeeld hiervan: Bij het begin van de eeuw waren velen het eens met de bijbelcriticus Wellhausen die zei dat de verhalen van Abraham, Isaäk en Jakob slechts mythen waren. Tegenwoordig begint men hier anders over te denken, zoals een recent boek uitlegde: „Sinds de tijd van Wellhausen zijn de meningen wel iets veranderd, en per saldo in een conservatieve richting, maar deze ontwikkeling wordt maar al te vaak overdreven. Een goed voorbeeld is de geschiedenis van de patriarchen, die Wellhausen beschouwde als ’een verheerlijkt beeld’ afkomstig uit het eerste millennium. Recenter wetenschappelijk werk heeft bewijzen verschaft die velen ervan hebben overtuigd dat de patriarchen werkelijk hebben bestaan en hebben geleefd in de door de bijbel aangegeven periode, het tweede millennium v. Chr." (Ebla, a Revelation in Archaeology, door Chaim Bermant en Michael Weitzman). In dit geval heeft vooruitgang in de wetenschap van de archeologie de ideeën van vele geleerden dus dichter bij de bijbel gebracht.

Het verschil tussen de bijbel en de moderne wetenschap dat wellicht het bekendst is, heeft te maken met de evolutietheorie. De evolutie leert dat alle levende wezens zich geleidelijk uit één enkele biologische oorsprong hebben ontwikkeld. Dit verschilt van de bijbelse versie die leert dat God alle levende wezens apart heeft geschapen, en dat elk zich voortplant „naar zijn soort" (Gen. 1:11, 12, 21, 24, 25). De wetenschap heeft de mogelijkheid aangetoond van een grote verscheidenheid binnen de soorten. Maar de gedachte dat bijvoorbeeld de neushoorn, de arend en de makreel in laatste instantie dezelfde voorouder hebben, is duidelijk in strijd met wat de bijbel zegt. Betekent dit dat de bijbel ongelijk heeft?

Neen. Velen vinden dat het beschikbare bewijsmateriaal niet bewijst dat er een evolutie plaatsvond. En wie weet wat de toekomst voor de theorie in petto heeft? Om één ding te noemen, de gedachte dat alle leven van één enkele vooroudervorm is afgestamd, wordt hier en daar reeds aangevallen. In 1978 schreef prof.dr. A. E. Wilder Smith, auteur van meer dan vijftig wetenschappelijke boeken: „Een aantal, meest jonge, onderzoekers is er de laatste jaren van overtuigd geraakt dat de biogenese, de oorsprong van het leven, niet monofyletisch was (alle levende wezens van één enkele cel afstammend), maar in plaats daarvan polyfyletisch, uit vele oorsprongen. Daarom zijn er tegenwoordig deskundigen die niet langer geloven dat alle soorten zich door transformaties uit één cel ontwikkeld hebben. Zij geloven niet dat alle soorten een gemeenschappelijke biologische stamboom hadden met een enkele wortel voor alle levensvormen."

Dat is niet exact wat de bijbel zegt. Maar het ligt al dichter bij wat de bijbel zegt dan een zuiver darwiniaanse evolutietheorie. En verdere research en theorievorming zou vele geleerden zelfs nog dichter bij de bijbelse versie kunnen brengen. Maar ook al gebeurt dat niet, moeten wij dan aannemen dat de geleerden gelijk hebben en de bijbel ongelijk?

Bedenk dat wetenschappelijke theorieën zijn gebaseerd op het beschikbare bewijsmateriaal zoals dat door onvolmaakte mensen wordt geïnterpreteerd. In het geval van paleontologie (de studie van fossielen) — en archeologie — is veel van het bewijsmateriaal verminkt, verloren gegaan of moeilijk te interpreteren. En de geleerden die het interpreteren, hebben vaak een sterke mening ten aanzien van wat het gevonden materiaal zal gaan bewijzen. Daarom moeten wij niet snel de bijbel laten vallen omdat hij niet in overeenstemming is met een of andere wetenschappelijke theorie. En dit geldt in het bijzonder als wij ons te binnen brengen dat de bijbel vele waarheden onthult die ver buiten het bereik van de wetenschap liggen.

[Inzet]

Als de bijbel en de wetenschap op een of ander punt duidelijk met elkaar in tegenspraak zijn, mag men niet automatisch aannemen dat de bijbel het bij het verkeerde eind heeft

[Kader]

WIST U DAT DE WETENSCHAP EENS LEERDE

• Dat hitte een vloeistof is, caloricum genaamd?

• Dat het atoom het kleinste deeltje materie is en niet verder gedeeld kan worden?

• Dat een ondoordringbare barrière tussen materie en energie verhindert dat de een verandert in de ander?

• Dat slaap wordt veroorzaakt door het krimpen van zenuwcellen die elkaar daardoor niet langer raken?

Natuurlijk hebben geleerden deze theorieën al lang verworpen en vervangen door andere die beter in overeenstemming zijn met de feiten zoals zij die nu kennen. Nieuwe feiten die in de toekomst ontdekt zullen worden of andere benaderingen van feiten die zij nu reeds tot hun beschikking hebben, zouden kunnen leiden tot wijzigingen of zelfs complete verwerping van theorieën die zij er nu op nahouden.

                                                    CHRONOLOGIE

Het woord „chronologie" is afgeleid van het Griekse chro·no·lo´gi·a (van chro´nos, „tijd", en le´go, „zeggen" of „vertellen") en betekent „tijdrekenkunde". Chronologie maakt het mogelijk gebeurtenissen in hun juiste volgorde of samenhang te plaatsen en aan specifieke gebeurtenissen de juiste datum toe te kennen.

Jehovah is „de Oude van Dagen" en de God der Eeuwigheid (Da 7:9; Ps 90:2; 93:2). Hoe nauwkeurig hij de tijd meet, blijkt niet alleen uit de magnifieke precisie die in de bewegingen van de sterren waar te nemen is, maar ook uit het in de bijbel opgetekende bericht omtrent zijn daden. Opdat zijn beloften of profetieën in vervulling zouden gaan, bewerkte hij dat gebeurtenissen zich exact op het voorzegde tijdstip voordeden, of de tussenliggende tijd nu slechts een dag betrof (Ex 9:5, 6), een jaar (Ge 17:21; 18:14; 21:1, 2; 2Kon 4:16, 17), decennia (Nu 14:34; 2Kr 36:20-23; Da 9:2), eeuwen (Ge 12:4, 7; 15:13-16; Ex 12:40, 41; Ga 3:17) of millennia (Lu 21:24. Wij kunnen er verzekerd van zijn dat zijn voornemens met betrekking tot de toekomst eveneens op de vooraf bepaalde tijd — precies op de dag en het uur — verwezenlijkt zullen worden. — Hab 2:3; Mt 24:36.

Het lag in Gods bedoeling dat de mens, die naar het beeld en de gelijkenis van zijn Schepper was gemaakt (Ge 1:26), het tijdsverloop zou meten. De bijbel vermeldt reeds in het begin dat de „lichten aan het uitspansel van de hemel" ertoe moesten dienen „scheiding te maken tussen de dag en de nacht". Deze hemellichten moesten „dienen tot tekenen en voor het vaststellen van tijdperken en dagen en jaren" (Ge 1:14, 15; Ps 104:19). (Een bespreking van de wijze waarop de mens zich sinds het begin van zijn geschiedenis naar deze indelingen heeft gericht, kan men vinden onder de trefwoorden DAG; JAAR; KALENDER; MAAN; WEEK.) Reeds sedert de dagen van Adam worden er door de mensen tijdsperiodes gemeten en vastgelegd. — Ge 5:1, 3-5.

Era’s. Voor een nauwkeurige chronologie moet men ergens in de stroom des tijds een punt vaststellen vanwaar men in tijdeenheden (zoals uren, dagen, maanden of jaren) hetzij voor- of achteruit kan tellen. Dat uitgangspunt zou eenvoudig de zonsopgang kunnen zijn (om de uren van een dag te meten), of een nieuwe maan (om de dagen van een maand te meten), of het begin van de lente (om de tijdsduur van een jaar te meten). Voor het meten van langere periodes heeft men speciale „era’s" of „tijdperken" ingevoerd, waarbij als uitgangspunt de een of andere in het oog springende gebeurtenis wordt genomen vanwaar de jaren geteld worden. Wanneer dus in een natie van de christenheid iemand zegt: „Vandaag is het 1 oktober 1994 G.T. (gewone tijdrekening)", bedoelt hij dat het de eerste dag van de tiende maand van het 1994ste jaar is, gerekend vanaf het tijdstip waarop volgens sommigen de geboorte van Jezus heeft plaatsgevonden.

In de profane of wereldlijke geschiedenis is de invoering van era’s van betrekkelijk late datum. De Griekse era, die in de profane geschiedenis vermoedelijk het vroegste voorbeeld van zo’n chronologische tijdrekening is, kwam waarschijnlijk pas omstreeks de 4de eeuw v.G.T. (voor de gewone tijdrekening) in gebruik. De Grieken maten de tijd op grond van periodes van vier jaar, olympiaden genoemd. De eerste olympiade begon naar verluidt in 776 v.G.T. Bovendien kenmerkten zij specifieke jaren vaak door naar de ambtsperiode van een bepaalde ambtsdrager te verwijzen. De Romeinen voerden ten slotte een era in doordat zij de jaren telden vanaf de traditionele datum van de stichting van de stad Rome (753 v.G.T.). Ook duidden zij specifieke jaren aan door het noemen van de beide dienstdoende consuls in dat jaar. Pas in de 6de eeuw G.T. werd door de monnik Dionysius Exiguus de aera of era ingevoerd die thans algemeen bekendstaat als de christelijke jaartelling, of, om nauwkeuriger te zijn, de gewone tijdrekening. Onder de moslimse (islamitische) volken worden de jaren vanaf de hidjra (de vlucht van Mohammed uit Mekka in 622 G.T.) geteld. Er zijn echter geen aanwijzingen dat de vroege Egyptenaren, Assyriërs en Babyloniërs zich gedurende langere tijd consequent bediend hebben van era’s als systeem voor tijdrekening.

In het bijbelse verslag wordt niet uitdrukkelijk één bepaalde era vermeld die als beginpunt dient voor het dateren van alle daaropvolgende gebeurtenissen. Dit op zich wil nog niet zeggen dat er niet een tijdtafel bestond die ertoe moest dienen aan gebeurtenissen uit het verleden een specifieke en juiste plaats in de stroom des tijds toe te kennen. Het feit dat de bijbelschrijvers bij het verhalen van speciale gebeurtenissen precieze tijdsopgaven konden doen, waarbij het soms om periodes van verscheidene eeuwen ging, bewijst dat het noch de Israëlieten noch hun voorouders aan belangstelling voor chronologie ontbrak. Derhalve kon Mozes schrijven: „Nu geschiedde het aan het einde van de vierhonderd dertig jaar [hier gerekend vanaf het tijdstip dat Abraham de Eufraat overstak op weg naar het land Kanaän, het tijdstip waarop God klaarblijkelijk het verbond met Abraham bekrachtigde], ja, het geschiedde op dezelfde dag, dat alle legers van Jehovah uit het land Egypte gingen" (Ex 12:41; zie UITTOCHT UIT EGYPTE; vgl. Ga 3:16, 17). En het verslag in 1 Koningen 6:1 vermeldt dat koning Salomo „in het vierhonderd tachtigste jaar nadat de zonen van Israël uit het land Egypte waren getrokken", met de bouw van de tempel in Jeruzalem begon. Maar toch werd later noch het tijdstip waarop het Abrahamitische verbond bekrachtigd werd, noch de uittocht uit Egypte algemeen gebruikt als het begin van een era vanwaar andere gebeurtenissen gedateerd konden worden.

Wij dienen dan ook niet te verwachten dat de chronologische factoren in de bijbel nauwkeurig overeenstemmen met de hedendaagse systemen, volgens welke alle gebeurtenissen mathematisch gedateerd zijn met betrekking tot één vast punt in het verleden, zoals het begin van onze gewone tijdrekening. Veelal werden gebeurtenissen in de stroom des tijds geplaatst op ongeveer dezelfde wijze als men dat ook tegenwoordig in het dagelijkse leven gewoon is te doen. Net zoals men thans een gebeurtenis kan vastleggen door te zeggen dat ze „in het jaar na de droogte" of „vijf jaar na de Tweede Wereldoorlog" heeft plaatsgevonden, hebben ook de bijbelschrijvers de gebeurtenissen die zij optekenden, met destijds algemeen erkende tijdmarkeringspunten in verband gebracht.

Voor enkele chronologische problemen kan geen definitieve oplossing worden gegeven, daar wij niet altijd precies weten van welk uitgangs- of tijdmarkeringspunt de bijbelschrijver zich heeft bediend. Ook kan een schrijver, toen hij een bepaalde historische periode behandelde, zich van meer dan één zo’n uitgangspunt voor de datering van gebeurtenissen bediend hebben. Deze variatie in het gebruik van uitgangspunten duidt niet op vaagheid of verwarring van de zijde van de schrijver. Het zou niet juist zijn als wij zijn methoden eenvoudig zouden beoordelen op grond van wat volgens onze mening de juiste methode is om gebeurtenissen op te tekenen, waarbij wij van huidige technieken uitgaan. En hoewel er in enkele van de moeilijker op te lossen gevallen weliswaar ook sprake zou kunnen zijn van fouten die door afschrijvers zijn gemaakt, is het niet verstandig tot zo’n conclusie te komen als men hiervoor geen deugdelijk bewijsmateriaal heeft in de vorm van afwijkende lezingen in oude handschriften van de bijbel. De beschikbare feiten bewijzen op overtuigende wijze dat het afschrijven van de bijbelboeken met een opmerkelijke nauwkeurigheid en zorgvuldigheid geschiedde, zodat de innerlijke zuiverheid bewaard is gebleven. — Zie HANDSCHRIFTEN VAN DE BIJBEL; SCHRIFTGELEERDE, SCHRIJVER.

Bijbelse chronologie en wereldlijke geschiedenis. Vaak wordt de gedachte geuit dat men moet trachten het bijbelse verslag „in overeenstemming te brengen" met de chronologie die in oude wereldlijke annalen te vinden is, of het daarop „af te stemmen". Aangezien waarheid datgene is wat strookt met de feiten of de werkelijkheid, zou zo’n harmoniëring inderdaad gebiedend noodzakelijk zijn — mits het bewijs geleverd kan worden dat de oude wereldlijke annalen ontwijfelbaar nauwkeurig en te allen tijde betrouwbaar zijn en dus als maatstaf voor nauwkeurigheid kunnen gelden. Daar critici het zo dikwijls doen voorkomen alsof de bijbelse chronologie inferieur is aan die van de heidense natiën, is het de moeite waard om enkele van de oude annalen van natiën en volken die op enigerlei wijze in nauw contact stonden met de in de bijbel genoemde personen en gebeurtenissen, te onderzoeken.

Onder de geschriften uit de oudheid is de bijbel het historische boek bij uitstek. De geschiedenissen van de Egyptenaren, Assyriërs, Babyloniërs, Meden, Perzen en andere volken uit de oudheid zijn in hoofdzaak fragmentarisch; de beginperiode van die volken is hetzij in het duister gehuld of, zoals zij die presenteren, duidelijk mythisch. Zo begint het oude document dat als de Sumerische koningslijst bekendstaat, als volgt: „Toen het koningschap vanuit de hemel neerdaalde, was het koningschap (eerst) in Eridu. (In) Eridu (werd) A-lulim koning en regeerde 28.800 jaar. Alalgar regeerde 36.000 jaar. De twee koningen regeerden (dus) 64.800 jaar. . . . (In) Bad-tibira regeerde En-men-lu-Anna 43.200 jaar; En-men-gal-Anna regeerde 28.800 jaar; de god Dumu-zi, een schaapherder, regeerde 36.000 jaar. De drie koningen regeerden (dus) 108.000 jaar." — Ancient Near Eastern Texts, onder redactie van J. B. Pritchard, 1974, blz. 265.

Wat omtrent deze oude natiën bekend is uit wereldlijke bronnen, is men aan de weet gekomen door de spaarzame inlichtingen die men op monumenten en tabletten of in de latere geschriften van de zogenoemde klassieke historiografen uit de Griekse en Romeinse periode vond, moeizaam samen te voegen. Hoewel archeologen tienduizenden kleitabletten met Assyro-Babylonische spijkerschriftinscripties en grote aantallen papyrusrollen uit Egypte aan het licht hebben gebracht, gaat het daarbij overwegend om religieuze teksten of zakendocumenten zoals contracten, koopakten en dergelijke. Het aanzienlijk kleinere aantal historische geschriften dat op tabletten, kleicilinders, stèles of monumenten bewaard is gebleven, bestaat hoofdzakelijk uit inscripties waarin de heersers van die heidense natiën verheerlijkt en hun militaire veldtochten opgehemeld worden.

De bijbel daarentegen presenteert een buitengewoon samenhangende en gedetailleerde geschiedenis die zich over zo’n 4000 jaar uitstrekt, want niet alleen staat daarin het bericht omtrent de gebeurtenissen vanaf het begin van de mensheid tot aan de ambtsperiode van stadhouder Nehemia in de 5de eeuw v.G.T. met een opmerkelijke continuïteit opgetekend, maar door middel van Daniëls profetie (van tevoren opgetekende geschiedenis) in Daniël hoofdstuk 11 wordt in wezen ook de tijdsperiode tussen Nehemia en de dagen van Jezus en zijn apostelen behandeld. De bijbel biedt een aanschouwelijk en waarheidsgetrouw verslag van de natie Israël vanaf haar ontstaan en beschrijft openhartig haar sterke punten en haar zwakheden, haar successen en haar mislukkingen, haar ware aanbidding en haar valse aanbidding, haar zegeningen en haar bestraffingen en rampspoeden. Hoewel deze eerlijkheid op zich nog geen waarborg voor een nauwkeurige chronologie is, verschaft ze ons wel een deugdelijke basis om vertrouwen te stellen in de rechtschapenheid van de bijbelschrijvers en in hun oprechte belangstelling voor het optekenen van waarheidsgetrouwe berichten.

De kroniekschrijvers van de bijbel, zoals de schrijvers van Eén en Twee Koningen en van Eén en Twee Kronieken, stonden blijkbaar gedetailleerde annalen ter beschikking. Dit blijkt uit de lange geslachtsregisters die zij konden samenstellen en die vele honderden namen bevatten, alsook uit de samenhangende en op feiten berustende presentatie van de regeringsperiode van elk van de koningen van Juda en Israël en van de relatie waarin zij tot andere natiën en tot elkaar stonden. Hedendaagse geschiedkundigen kunnen nog steeds niet met zekerheid zeggen waar zij bepaalde Assyrische en Babylonische koningen moeten plaatsen, zelfs wanneer het enkele betreft die tot de latere dynastieën behoren. Zo’n onzekerheid bestaat echter niet met betrekking tot de volgorde van de koningen van Juda en Israël.

De bijbel bevat verwijzingen naar „het boek van de Oorlogen van Jehovah" (Nu 21:14, 15), „het boek van de aangelegenheden van de dagen der koningen van Israël" (1Kon 14:19; 2Kon 15:31), „het boek van de aangelegenheden van de dagen der koningen van Juda" (1Kon 15:23; 2Kon 24:5) en „het boek van de aangelegenheden van Salomo" (1Kon 11:41), alsook talrijke verwijzingen naar soortgelijke annalen of officiële documenten die door Ezra en Nehemia worden aangehaald. Hieruit blijkt dat de bijbelse geschiedschrijvers bij het optekenen van de inlichtingen niet eenvoudig op het geheugen of op de mondelinge overlevering afgingen, maar dat zij alles nauwkeurig onderzochten en volledig documenteerden. Zij haalden ook officiële bronnen van andere volken en natiën aan, en enkele gedeelten van de bijbel werden zelfs buiten Israël geschreven, bijvoorbeeld in Egypte, Babylon en Perzië.

Een factor die ongetwijfeld tot het bijhouden van een nauwkeurig bericht van het verstrijken der jaren bijdroeg — althans voor zover de Israëlieten getrouw de Mozaïsche wet naleefden — was de inachtneming van de sabbat- en jubeljaren, waardoor de tijd in periodes van zeven jaar en vijftig jaar werd ingedeeld. — Le 25:2-5, 8-16, 25-31.

Wat het bijbelse verslag vooral onderscheidt van de uit dezelfde tijd stammende geschriften van de heidense natiën, is het tijdsbesef dat erin doorklinkt, niet alleen met betrekking tot het verleden en het heden, maar ook met betrekking tot de toekomst (Da 2:28; 7:22; 8:18, 19; Mr 1:15; Opb 22:10). Vanwege dit unieke profetische element was de chronologische nauwkeurigheid voor de Israëlieten van veel groter belang dan voor welke van de heidense natiën maar ook, want de profetieën hadden dikwijls betrekking op specifieke tijdsperiodes. Daar de bijbel Gods Boek is, wordt daarin beklemtoond hoe punctueel hij zijn woord ten uitvoer brengt (Ez 12:27, 28; Ga 4:4), terwijl er tevens op wordt gewezen dat nauwkeurige profetieën bewijzen dat hij de ware God is. — Jes 41:21-26; 48:3-7.

Het is waar dat enkele van de niet-bijbelse documenten verscheidene eeuwen ouder zijn dan de oudste tot dusver ontdekte handschriften van de bijbel. In steen of klei gegraveerd mogen sommige oude heidense documenten dan zeer indrukwekkend lijken, maar dit waarborgt nog niet dat ze ook juist zijn en dat ze geen onwaarheid bevatten. Niet het materiaal waarop werd geschreven, maar de schrijver, zijn doel, zijn respect voor waarheid en zijn verknochtheid aan rechtvaardige beginselen — dit zijn de belangrijke factoren die een deugdelijke basis voor vertrouwen verschaffen, zowel op het gebied van de chronologie als op andere terreinen. De hoge ouderdom van de wereldlijke documenten weegt beslist niet op tegen de buitengewoon inferieure kwaliteit van hun inhoud, vergeleken met de inhoud van de bijbel. Het feit dat de verslagen van de bijbel kennelijk op vergankelijk materiaal zoals papyrus en perkament werden geschreven en voortdurend werden gebruikt en bovendien blootgesteld waren aan de schadelijke invloed van de in grote delen van Israël heersende weersomstandigheden (in tegenstelling tot het buitengewoon droge klimaat van Egypte), kan goed verklaren waarom er thans geen oorspronkelijke exemplaren meer voorhanden zijn. Maar omdat de bijbel een door Jehovah geïnspireerd Boek is, werd hij zorgvuldig afgeschreven en is hij in volledige vorm tot op deze dag bewaard gebleven (1Pe 1:24, 25). De goddelijke inspiratie, waardoor de bijbelse geschiedschrijvers in staat waren hun verslagen op te tekenen, waarborgt de betrouwbaarheid van de bijbelse chronologie. — 2Pe 1:19-21.

Waarom de wereldlijke geschiedschrijving niet voldoet als maatstaf van nauwkeurigheid voor de bijbelse chronologie, wordt goed geïllustreerd door hetgeen C. W. Ceram, schrijver van boeken over archeologie, zei toen hij commentaar gaf in verband met de moderne wetenschap van de historische datering: „Iemand die zich voor het eerst in de studie van de oude geschiedenis gaat verdiepen, kan niet anders dan geïmponeerd zijn door de positieve manier waarop hedendaagse geschiedkundigen gebeurtenissen dateren die duizenden jaren geleden hebben plaatsgevonden. Dit ontzag zal bij verdere studie alleen maar toenemen. Want bij nader onderzoek van de bronnen voor de oude geschiedenis zien wij hoe schaars, onnauwkeurig of rechtstreeks leugenachtig de verslagen reeds ten tijde van hun ontstaan waren. En zo armzalig als ze oorspronkelijk waren, zijn ze in nog armzaliger vorm tot ons gekomen: half vernield door de tand des tijds of door de zorgeloosheid en de ruwe manier waarop mensen ermee zijn omgegaan." Vervolgens beschrijft hij het raamwerk van de chronologische geschiedenis als „een zuiver hypothetisch bouwwerk dat in al zijn voegen uiteen dreigt te vallen". — The Secret of the Hittites, 1956, blz. 133, 134.

Deze beoordeling mag weliswaar extreem lijken, maar in het geval van de wereldlijke verslagen is ze niet ongegrond. De volgende inlichtingen zullen duidelijk maken waarom er geen reden is om aan de nauwkeurigheid van de bijbelse chronologie te twijfelen louter omdat bepaalde wereldlijke verslagen er niet mee overeenstemmen. Integendeel, alleen wanneer de wereldlijke chronologie met het bijbelse verslag harmonieert, kan men terecht een mate van vertrouwen in zo’n oude wereldlijke datering stellen. Bij het beschouwen van de verslagen van de heidense natiën die met de natie Israël te maken hadden, dient men in gedachte te houden dat sommige van de schijnbare afwijkingen in hun verslagen eenvoudig te wijten kunnen zijn aan het onvermogen van hedendaagse geschiedkundigen om de methoden die in de oudheid werden gebruikt juist te interpreteren, zoals zij ook niet in staat zijn de methoden waarvan de bijbelse geschiedschrijvers zich bedienden, juist te interpreteren. Er zijn echter ook voldoende bewijzen dat de heidense geschiedschrijvers en chronologen in hun berichtgeving buitengewoon onzorgvuldig en onnauwkeurig zijn geweest, ja, dat zij zich zelfs aan opzettelijke vervalsing schuldig hebben gemaakt.

De Egyptische chronologie. De Egyptische geschiedenis is op verschillende punten met die van Israël verweven. In deze publikatie hanteren wij de datum 1728 v.G.T. als het tijdstip waarop Israël Egypte binnentrok, en het jaar 1513 v.G.T. (215 jaar later) voor de uittocht uit Egypte. De aanval van farao Sisak op Jeruzalem vond plaats in het 5de jaar van Rehabeam, in 993 v.G.T.; koning So van Egypte regeerde gelijktijdig met Hosea (ca. 758–740 v.G.T.); en de veldslag van farao Necho, waarin Josia sneuvelde, vond waarschijnlijk plaats in 629 v.G.T. (1Kon 14:25; 2Kon 17:4; 2Kr 35:20-24). Het verschil tussen de bovenvermelde datums en die welke gewoonlijk door hedendaagse geschiedkundigen worden aangegeven, beloopt voor de uittocht uit Egypte wel een eeuw of meer en neemt dan af tot een verschil van ongeveer twintig jaar tegen de tijd van farao Necho. De volgende inlichtingen laten zien waarom wij er de voorkeur aan geven vast te houden aan de op de bijbelse tijdrekening gebaseerde chronologie.

Hedendaagse geschiedschrijvers verlaten zich voornamelijk op bepaalde documenten in de vorm van Egyptische koningslijsten of annalen. Hiertoe behoren de fragmentarische Steen van Palermo, waarop de vijf „dynastieën" worden vermeld die als de eerste van de Egyptische geschiedenis worden beschouwd; de zeer fragmentarische Turijnse papyrus, die een lijst bevat van koningen en hun regeringen vanaf het „Oude Rijk" tot in het „Nieuwe Rijk"; en nog enige eveneens fragmentarische inscripties in steen. Deze afzonderlijke lijsten en andere onafhankelijke inscripties zijn in chronologische volgorde geplaatst met behulp van de geschriften van Manetho, een Egyptische priester uit de 3de eeuw v.G.T. In zijn werken over de Egyptische geschiedenis en religie worden de regeringen van de Egyptische monarchen in dertig dynastieën ingedeeld, een indeling die door hedendaagse egyptologen nog steeds wordt gebruikt. Aan de hand van deze bronnen, te zamen met astronomische berekeningen gebaseerd op Egyptische teksten die over de schijngestalten van de maan en de opkomst van de Hondsster (Sirius of Sothis) handelen, heeft men een chronologische tijdtafel opgesteld.

Problemen van de Egyptische chronologie. De onzekerheden zijn talrijk. De werken van Manetho, die gebruikt werden om de fragmentarische lijsten en andere inscripties te ordenen, zijn slechts bewaard gebleven in de geschriften van latere geschiedschrijvers, zoals Josephus (1ste eeuw G.T.), Sextus Julius Africanus (3de eeuw G.T., dus meer dan 500 jaar na Manetho’s tijd), Eusebius (4de eeuw G.T.) en Syncellus (eind 8ste of begin 9de eeuw G.T.). Volgens W. G. Waddell zijn hun aanhalingen uit Manetho’s geschriften onvolledig en vaak verdraaid, met het gevolg dat het „uiterst moeilijk is zekerheid te verkrijgen met betrekking tot wat authentiek Manetho is en wat onecht of vervalst is". Na te hebben aangetoond dat Manetho’s bronnenmateriaal enkele niet-historische overleveringen en legenden bevatte, waarin „de koningen als hun helden voorgesteld werden, zonder inachtneming van de chronologische volgorde", zegt hij: „Manetho’s werk vertoonde van meet af aan veel fouten; ze zijn niet alle op de verdraaiingen van afschrijvers en herzieners terug te voeren. De duur van vele regeringen bleek onmogelijk lang te zijn; in sommige gevallen zijn de namen en de volgorde van koningen, zoals deze door Manetho werden opgegeven, in het licht van overweldigende bewijzen onhoudbaar gebleken." — Manetho, inleiding, blz. vii, xvii, xx, xxi, xxv.

In het boek Studies in Egyptian Chronology, door T. Nicklin (Blackburn, Engeland, 1928, blz. 39) wordt aangetoond dat veel van Manetho’s buitensporig lange tijdaanduidingen te verklaren zijn doordat het waarschijnlijk gaat om samenvallende in plaats van opeenvolgende regeringen: „De Manethonische Dynastieën . . . zijn geen lijsten van heersers die over heel Egypte regeerden, maar deels lijsten van min of meer onafhankelijke vorsten, deels . . . van vorstengeslachten waaruit later heersers voortsproten die over heel Egypte regeerden." Professor Waddell (blz. 1-9) merkt op dat „misschien verscheidene Egyptische koningen op een en hetzelfde tijdstip regeerden; . . . het ging derhalve niet om een opeenvolging van koningen die na elkaar op de troon zaten, maar om verscheidene koningen die gelijktijdig in verschillende gewesten regeerden. Daaruit is het grote totaal van het aantal jaren te verklaren."

Aangezien de bijbel het jaar 2370 v.G.T. aanwijst als de datum van de wereldomvattende vloed, moet de Egyptische geschiedenis daarna zijn begonnen. De hierboven uiteengezette problemen van de Egyptische chronologie zijn ongetwijfeld verantwoordelijk voor de getallen die door hedendaagse geschiedkundigen aangegeven worden wanneer zij de Egyptische geschiedenis tot het jaar 3000 v.G.T. terugvoeren.

Egyptologen stellen meer vertrouwen in de oude inscripties zelf. Toch zijn de zorgvuldigheid, eerlijkheid en betrouwbaarheid van de Egyptische schrijvers allerminst boven alle twijfel verheven. Zoals professor J. A. Wilson verklaart: „Wat de precieze historische waarde van de Egyptische inscripties betreft, is een waarschuwing op zijn plaats. Egypte was een wereld van . . . godenmythen en wonderen." Na de gedachte geopperd te hebben dat de schrijvers er geen been in zagen met de chronologische tijdsopgaven van gebeurtenissen te goochelen teneinde de regerende monarch te bejubelen, zegt hij: „De historicus zal de hem ter beschikking staande gegevens blindelings aanvaarden, tenzij er een duidelijke reden voor wantrouwen is; maar hij moet de bereidheid hebben zijn standpunt te herzien zodra nieuwe inlichtingen de vorige interpretatie in een ander licht plaatsen." — The World History of the Jewish People, 1964, Deel 1, blz. 280, 281.

Afwezigheid van inlichtingen betreffende Israël. Dit is niet verwonderlijk, aangezien de Egyptenaren het niet alleen vermeden in hun annalen aangelegenheden te vermelden die niet vleiend voor henzelf waren, maar zij er ook niet voor terugdeinsden annalen van een vorige monarch uit te wissen indien de daarin vervatte inlichtingen de op dat moment heersende farao niet aanstonden. Zo liet Thoetmozes III na de dood van koningin Hatsjepsoet haar naam en de afbeeldingen van haar uit de reliëfs op de monumenten wegbeitelen. Dit gebruik verklaart ongetwijfeld waarom er in de tot nu toe bekende Egyptische annalen niets wordt vermeld over de 215 jaar dat de Israëlieten in Egypte woonden, noch over hun uittocht uit dat land.

De farao die ten tijde van de uittocht uit Egypte regeerde, wordt in de bijbel niet met name genoemd; pogingen om hem te identificeren, berusten derhalve op gissingen. Dit verklaart ten dele waarom de door hedendaagse historici verschafte berekeningen voor de datum van de uittocht uit Egypte variëren van 1441 tot 1225 v.G.T., een verschil van ruim 200 jaar.

De Assyrische chronologie. Vanaf de tijd van Salmaneser III (begin 1ste millennium v.G.T.) maken Assyrische inscripties melding van contacten met de Israëlieten, waarbij soms de namen van bepaalde koningen van Juda en van Israël worden genoemd. Tot de Assyrische inscripties behoren pronkinscripties, zoals die te vinden zijn op de muren van paleizen; koninklijke annalen; koningslijsten, zoals die van Chorsabad; en de limmu-lijsten of eponiemenlijsten.

Assyrische pronkinscripties en annalen. Albert Olmstead gaf in zijn Assyrian Historiography (1916, blz. 5, 6) de volgende beschrijving van de Assyrische pronkinscripties: „Wij kunnen . . . de Pronkinscriptie gebruiken om hiaten in de Annalen [koninklijke kronieken waarin gebeurtenissen jaar voor jaar staan vermeld] aan te vullen, maar als ze van haar origineel afwijkt, is ze geenszins doorslaggevend." Na aangetoond te hebben dat het voornaamste doel van deze pronkinscripties niet was een ononderbroken geschiedenis van de betreffende regeringsperiode te verstrekken, voegt hij eraan toe: „Even erg is het feit dat ze zelden in chronologische volgorde staan. . . . Dat ze voorzichtig gebruikt moeten worden, is duidelijk."

Over de annalen zegt hij: „Wij hebben hier met een formele chronologie te doen, en als er soms hetzij opzettelijke of andere fouten te vinden zijn, is de relatieve chronologie tenminste over het algemeen juist. . . . Het zou echter absoluut verkeerd zijn ervan uit te gaan dat de annalen altijd betrouwbaar zijn. Vroegere historici hebben hun verklaringen al te klakkeloos aanvaard, behalve wanneer zij afdoende bewijzen van onnauwkeurigheid hadden. In de afgelopen paar jaar is er een grote hoeveelheid nieuw materiaal ontdekt dat wij kunnen gebruiken voor een kritische beoordeling van de Sargonidendocumenten. . . . Voeg hierbij de verwijzingen die worden aangetroffen in buitenlandse bronnen, zoals Hebreeuwse of Babylonische, en wij hoeven feitelijk geen studie van de annalen zelf meer te maken om ons ervan te overtuigen dat ze verre van betrouwbaar zijn."

Hieraan kan het getuigenis van D. D. Luckenbill worden toegevoegd: „Men ontdekt al gauw dat de beweegreden waardoor de koninklijke schrijvers zich lieten leiden, niet was een nauwkeurige beschrijving te geven van gebeurtenissen zoals ze zich van jaar tot jaar gedurende de regering van de koning voordeden. Soms schijnen de verschillende veldtochten zonder enige aanwijsbare reden verschoven te zijn, maar nog vaker treedt duidelijk aan het licht dat de koninklijke ijdelheid voorschreef het met de historische nauwkeurigheid niet zo nauw te nemen." — Ancient Records of Assyria and Babylonia, 1926, Deel I, blz. 7.

Gewoonlijk verscheen er gedurende de regeringsperiode van een koning een reeks herziene versies van de koninklijke annalen. Latere versies vermeldden nieuwe gebeurtenissen, maar naar het schijnt werd er ook met de feiten en getallen uit de voorgaande jaren gegoocheld om het ego van de koning te strelen. Professor Olmstead vermeldt hoe Assurbanipal „ijskoud deel na deel van zijn vaders laatste twee Egyptische veldtochten op zijn naam laat schrijven, tot er in de uiteindelijke versie niets is waarvan hij de eer niet voor zichzelf heeft opgeëist". — Assyrian Historiography, blz. 7.

Er zijn legio voorbeelden van zo’n duidelijk aan de dag tredende, opzettelijke of onopzettelijke onbetrouwbaarheid. De samenstellers van schattingslijsten deinsden er niet voor terug te vermelden dat een vazalkoning schatting betaalde, ook al bleek uit andere annalen dat hij op dat tijdstip al dood was. George Smith zegt, na een geval te hebben aangehaald waarbij dezelfde schattingslijst van Esar-Haddon dertien jaar later aan zijn zoon Assurbanipal wordt toegeschreven, dat deze latere lijst „hoogstwaarschijnlijk een letterlijk afschrift van het eerdere document [is], zonder enige poging om zich ervan te vergewissen of deze koningen nog regeerden en of zij wel werkelijk schatting betaalden". — The Assyrian Eponym Canon, Londen, 1875, blz. 179.

Eponiemenlijsten (limmu-lijsten). In weerwil van de bovenstaande bewijzen zijn hedendaagse chronologen over het algemeen van oordeel dat de eponiemenlijsten of limmu-lijsten op de een of andere manier verschoond zijn gebleven van dergelijke funeste invloeden, zodat ze vrijwel feilloos nauwkeurig zijn. Deze eponiemenlijsten zijn eenvoudig lijsten met namen en rangen van hoogwaardigheidsbekleders of lijsten van zulke namen vergezeld van een korte vermelding van een veldtocht of een andere gedenkwaardige gebeurtenis. Eén gedeelte van de eponiemenlijst ziet er bijvoorbeeld zo uit:

Bel-harran-bel-usur (stadhouder) tegen Damaskus

van Guzana

Salmaneser nam plaats op

de troon

Marduk-bel-usur (stadhouder) in het land

van Amedi

Mahde (stadhouder) tegen [Samaria]

van Nineve

Assur-ishmeani (stadhouder) tegen [Samaria]

van [Kakzi]

Salmaneser koning van tegen [Samaria]

Assyrië

Hieruit is te zien dat er geen werkelijke datums worden vermeld, maar men neemt aan dat elke naam een jaar vertegenwoordigt, waardoor de jaren blijkbaar jaar na jaar geteld kunnen worden. Hedendaagse geschiedkundigen trachten met behulp van deze eponiemenlijsten de Assyrische en de bijbelse geschiedenis te synchroniseren, vooral de periode van 911–649 v.G.T., waarbinnen zij de op de lijsten voorkomende namen of eponiemen rangschikken. Voor een vast punt baseren zij zich op een zonsverduistering die in een aantekening naast de naam van een zekere Bur-Sagale, stadhouder van Guzana, vermeld wordt. De verduistering deed zich voor in de maand Sivan (mei/juni), en geschiedkundigen stellen die gebeurtenis algemeen vast op 15 juni 763 v.G.T. De betrouwbaarheid van deze datum, en de door hen daarop gebaseerde synchronisatie van de Assyrische geschiedenis met die van Juda en Israël, zal later worden besproken onder het kopje „Astronomische berekeningen".

Het is duidelijk dat door de uiterst beknopte informatie die de eponiemenlijsten bevatten (vergeleken met de annalen en andere inscripties), de mogelijkheid om fouten op te sporen, aanzienlijk verkleind wordt. Wanneer er duidelijke tegenstrijdigheden tussen de eponiemenlijsten en de annalen worden gevonden, zoals de plaatsing van een bepaalde veldtocht in een ander regeringsjaar van een koning of tijdens een ander eponiemaat, schrijven de hedendaagse geschiedkundigen de fout gewoonlijk eerder op rekening van de annalen dan van de eponiemenlijsten. Maar zelfs van de „Assyrische synchronistische geschiedenis" — een beroemd tablet dat een beknopt verslag van de betrekkingen tussen Assyrië en Babylonië gedurende een periode van eeuwen bevat — wordt niet beweerd dat ze absoluut nauwkeurig is. A. T. Olmstead zegt, na bewijzen aangevoerd te hebben die tonen dat dit document slechts een afschrift van een vroegere pronkinscriptie is: „Wij kunnen ons document dus niet eens beschouwen als geschiedenis in de ware zin van het woord, maar slechts als een inscriptie ter ere van Assur [de voornaamste god van Assyrië] en van zijn volk . . . Wanneer wij dat voor ogen houden, worden wij niet langer verontrust door de talrijke fouten (zelfs in de volgorde van de koningen), die de waarde van het document juist daar zozeer verminderen waar men het getuigenis ervan het meest nodig heeft." — Assyrian Historiography, blz. 32.

Het ligt voor de hand dat zo’n gebrek aan consequentie als men in de eponiemenlijsten aantreft, het voor hedendaagse geleerden uiterst moeilijk maakt tot een exacte chronologie te komen, vooral wanneer de samenstelling van gegevens die verscheidene eeuwen beslaan, verricht werd door schrijvers voor wie zorgvuldigheid en historische nauwkeurigheid kennelijk zo weinig betekenden. Ook voelen hedendaagse historici zich blijkbaar gerechtvaardigd de gegevens van de Assyrische eponiemenlijsten aan te passen of terzijde te schuiven wanneer andere factoren of bewijzen dat raadzaam doen schijnen.

De bovenstaande inlichtingen leiden tot de conclusie dat de Assyrische geschiedschrijving door de hedendaagse geschiedkundigen hetzij niet juist begrepen wordt of zeer veel te wensen overlaat. In ieder geval voelen wij ons niet verplicht pogingen in het werk te stellen om de bijbelse chronologie met de geschiedenis zoals die in de Assyrische verslagen wordt gepresenteerd, in overeenstemming te brengen. Daarom beperken wij ons slechts tot de werkelijk duidelijke synchronismen tussen Assyrië en Israël en Juda zoals die in het bijbelse bericht worden aangegeven.

De Babylonische chronologie. Babylon verschijnt voornamelijk vanaf de tijd van Nebukadnezar II in het bijbelse bericht. De regering van Nabopolassar, Nebukadnezars vader, kenmerkte het begin van wat het Nieuwbabylonische Rijk wordt genoemd, dat eindigde met de regering van Nabonidus en van zijn zoon Belsazar en de omverwerping van Babylon door Cyrus de Pers. Deze periode is voor bijbelgeleerden van groot belang aangezien ze de tijd van Jeruzalems verwoesting door de Babyloniërs en het grootste deel van de zeventigjarige periode van de ballingschap der joden omvat.

In Jeremia 52:28 staat dat de eerste groep joodse ballingen in het 7de jaar van Nebukadnezar (of Nebukadrezar) naar Babylon werd gevoerd. In overeenstemming hiermee verklaart een spijkerschriftinscriptie van de Babylonische kroniek (British Museum 21946): „Het zevende jaar: In de maand Kislev monsterde de koning van Akkad zijn leger en trok op naar Hattu [het land Hatti]. Hij belegerde de stad van Juda en op de tweede dag van de maand Adar veroverde hij de stad (en) nam (haar) koning [Jojachin] gevangen. Hij stelde in de stad een koning van zijn eigen keuze [Zedekia] aan (en) na de rijke schatting van de stad te hebben ontvangen, bracht hij die naar Babylon" (Assyrian and Babylonian Chronicles, door A. K. Grayson, 1975, blz. 102; vgl. 2Kon 24:1-17; 2Kr 36:5-10) Wat de laatste 32 jaar van Nebukadnezars regering betreft, daarover bestaan geen historische verslagen in de vorm van een kroniek, behalve een fragmentarische inscriptie van een veldtocht tegen Egypte in Nebukadnezars 37ste jaar.

Met betrekking tot Awil-Marduk (Evil-Merodach, 2Kon 25:27, 28) heeft men tabletten gevonden gedateerd tot zijn 2de regeringsjaar. Met betrekking tot Neriglissar, die als de opvolger van Awil-Marduk wordt beschouwd, zijn er handelstabletten bekend gedateerd tot zijn 4de jaar.

Er is een Babylonisch kleitablet dat een hulp vormt om de Babylonische chronologie met de bijbelse chronologie in verband te brengen. Dit tablet bevat de volgende astronomische gegevens over het 7de jaar van Cambyses II, de zoon van Cyrus II: „Jaar 7, Tammuz, de 14de ’s nachts, 1 2/3 dubbele uren [drie uur en twintig minuten] na het invallen van de nacht een maansverduistering; zichtbaar in haar gehele verloop; ze strekte zich over de noordelijke helft van de [maan]schijf uit. Tebet, de 14de ’s nachts, twee en een half dubbele uren [vijf uur] in de nacht tegen de ochtend [in het laatste deel van de nacht] was de maanschijf verduisterd; het gehele verloop zichtbaar; over het zuidelijke en het noordelijke deel strekte zich de duisternis uit" (Inschriften von Cambyses, König von Babylon, door J. N. Strassmaier, Leipzig, 1890, nr. 400, regel 45-48; Sternkunde und Sterndienst in Babel, door F. X. Kugler, Münster, 1907, Deel I, blz. 70, 71). Deze twee maansverduisteringen kunnen klaarblijkelijk geïdentificeerd worden met de maansverduisteringen die op 16 juli 523 v.G.T. en op 10 januari 522 v.G.T. in Babylon te zien waren (Oppolzers Canon of Eclipses, vertaald door O. Gingerich, 1962, blz. 335). Dit tablet geeft dus de lente van 523 v.G.T. aan als het begin van het 7de jaar van Cambyses II.

Aangezien het 7de jaar van Cambyses II in de lente van 523 v.G.T. begon, was 529 v.G.T. zijn 1ste regeringsjaar en 530 v.G.T. het jaar van zijn troonsbestijging en tevens het laatste jaar van Cyrus II als koning van Babylon. Het jongste tablet uit de regeringstijd van Cyrus II dateert uit zijn 9de regeringsjaar (de 5de maand, de 23ste dag) (Babylonian Chronology, 626 B.C.–A.D. 75, door R. Parker en W. Dubberstein, 1971, blz. 14). Wanneer 530 v.G.T. het 9de jaar was van Cyrus II als koning van Babylon, was volgens deze berekening 538 v.G.T. zijn 1ste regeringsjaar en 539 v.G.T. het jaar van zijn troonsbestijging.

Berossos. In de 3de eeuw v.G.T. schreef Berossos, een Babylonische priester, in het Grieks een geschiedenis van Babylon, klaarblijkelijk gebaseerd op spijkerschriftverslagen. Over zijn geschriften zei professor Olmstead: „Louter en alleen fragmenten, uittreksels of resten zijn voor ons bewaard gebleven. En de belangrijkste van deze fragmenten zijn ons overgeleverd op een wijze die waarschijnlijk bijna zonder weerga is. Wij zijn tegenwoordig aangewezen op een moderne Latijnse vertaling van een Armeense vertaling van het verloren gegane Griekse origineel van de Kroniek van Eusebius, die sommige gedeelten ontleende aan Alexander Polyhistor — die rechtstreeks van Berossos gegevens overnam — en andere gedeelten aan Abydenus, die blijkbaar gegevens overnam van Juba, die het een en ander aan Alexander Polyhistor en daardoor ook aan Berossos ontleende. Nog verwarrender wordt de zaak doordat Eusebius in sommige gevallen niet heeft onderkend dat Abydenus slechts een zwakke echo van Polyhistor is en citaten uit de verslagen van beiden naast elkaar heeft aangehaald! En dit is nog niet het ergste. Hoewel zijn Polyhistorverslag over het algemeen de voorkeur verdient, schijnt Eusebius een slecht manuscript van die schrijver te hebben gebruikt" (Assyrian Historiography, blz. 62, 63). Josephus, een joodse geschiedschrijver uit de 1ste eeuw G.T., beweert eveneens dat hij aanhalingen uit de geschriften van Berossos doet. Maar het is duidelijk dat chronologische gegevens die zogenaamd van Berossos afkomstig zijn, moeilijk als doorslaggevend kunnen worden beschouwd.

Andere factoren die de mogelijkheid tot verschillen openlaten. Oppervlakkige onderzoekers van de oude geschiedenis denken vaak ten onrechte dat de spijkerschrifttabletten (zoals Berossos die misschien gebruikt heeft) altijd geschreven werden in dezelfde tijd of kort na de tijd waarin de daarop vastgelegde gebeurtenissen plaatsvonden. Maar afgezien van de vele inderdaad eigentijdse zakendocumenten in spijkerschrift blijken de Babylonische historische teksten en zelfs veel astronomische teksten dikwijls uit een veel latere periode te stammen. Zo is volgens de assyrioloog D. J. Wiseman een deel van de zogenoemde Babylonische kroniek, die de periode van de regering van Nabu-nasir tot de regering van Sjamasjsjumukin omvat (volgens wereldlijke geschiedschrijvers de periode van 747–648 v.G.T.), „een afschrift dat in het tweeëntwintigste jaar van Darius [de voetnoot luidt: i.e. 500/499 v.Chr., indien Darius I] van een oudere en beschadigde tekst werd gemaakt" (Chronicles of Chaldaean Kings, Londen, 1956, blz. 1). Dit geschrift werd dus niet alleen zo’n 150 tot 250 jaar later geschreven dan de gebeurtenissen die erop vermeld staan, maar bovendien was het een afschrift van een beschadigd vroeger document, misschien een origineel, misschien ook niet. Over de teksten van de Nieuwbabylonische kroniek, die handelen over de periode van Nabopolassar tot Nabonidus, zegt dezelfde schrijver: „De teksten van de Nieuwbabylonische Kroniek zijn geschreven in klein schrift van een type dat op zich geen nauwkeurige datering mogelijk maakt, maar waaruit opgemaakt kan worden dat ze globaal gesproken geschreven werden in de periode die lag tussen de tijd waarin de gebeurtenissen zich voordeden en het einde van de Achaemenidenheerschappij." Dit laat de mogelijkheid open dat ze pas geschreven zijn tegen het einde van het Perzische Rijk, dat in 331 v.G.T., zo’n 200 jaar na de val van Babylon, ten onder ging. Wij hebben reeds gezien dat gegevens, met inbegrip van getallen, door heidense afschrijvers in de loop van enkele eeuwen gemakkelijk veranderd en zelfs vervalst kunnen worden. Gezien al deze factoren is het beslist niet verstandig erop te staan dat de overgeleverde getallen voor de regeringsperiodes van de Nieuwbabylonische koningen als absoluut betrouwbaar worden aanvaard.

Zowel het ontbreken van eigentijdse historische verslagen als het gemak waarmee gegevens veranderd konden worden, laten absoluut de mogelijkheid open dat een of meer van de Nieuwbabylonische heersers langer hebben geregeerd dan de overgeleverde getallen aangeven. Het zou onlogisch zijn het feit dat er geen tabletten gevonden zijn die betrekking hebben op de latere jaren van zo’n regering, te hanteren als een steekhoudend tegenargument. Er zijn gevallen waarin koningen veel later hebben geregeerd en men geen tabletten heeft gevonden die dat bevestigen. Zo zijn er noch voor Artaxerxes III (Ochos) (die volgens de geschiedkundigen 21 jaar [358–338 v.G.T.] heeft geregeerd) noch voor Arses (aan wie een 2-jarige regering [337 tot 336 v.G.T.] wordt toegeschreven) bewijzen in de vorm van eigentijdse spijkerschrifttabletten bekend aan de hand waarvan de lengte van hun regeringen kan worden vastgesteld.

In werkelijkheid weten de historici niet eens waar zij bepaalde Babylonische koningen moeten plaatsen betreffende wie er wel verslagen bestaan. Professor A. W. Ahl (Outline of Persian History, 1922, blz. 84) verklaart: „Op de in Borsippa gevonden Handelstabletten staan de namen van Babylonische koningen die elders niet voorkomen. Naar alle waarschijnlijkheid moet hun, zoals Ungnad vermoedt, een plaats toegekend worden tussen de laatste dagen van Darius I en de eerste dagen van Xerxes I." Toch blijft dit maar een vermoeden.

De Perzische chronologie. Een aantal belangrijke bijbelse gebeurtenissen vonden plaats gedurende de periode van het Perzische Rijk: de val van Babylon, gevolgd door de vrijlating van de joden door Cyrus en het einde van de zeventigjarige verwoesting van Juda; de herbouw van de tempel te Jeruzalem, die werd voltooid „in het zesde jaar van de regering van Darius [I, de Pers]"; en de herbouw van de muren van Jeruzalem door Nehemia, volgens het decreet dat in het 20ste jaar van Artaxerxes Longimanus werd uitgevaardigd. — 2Kr 36:20-23; Ezr 3:8-10; 4:23, 24; 6:14, 15; Ne 2:1, 7, 8.

De datum 539 v.G.T. voor de val van Babylon kan niet alleen bepaald worden aan de hand van de canon van Ptolemaeus, maar ook aan de hand van andere bronnen. Zowel de geschiedschrijver Diodorus als Africanus en Eusebius tonen aan dat Cyrus’ 1ste jaar als koning van Perzië overeenkwam met olympiade 55, jaar 1 (560/559 v.G.T.), terwijl Cyrus’ laatste jaar geplaatst wordt in olympiade 62, jaar 2 (531/530 v.G.T.). Uit spijkerschrifttabletten blijkt dat Cyrus negen jaar over Babylon heeft geregeerd, waardoor het jaar 539 als de datum voor zijn verovering van Babylon bevestigd wordt. — Handbook of Biblical Chronology, door Jack Finegan, 1964, blz. 112, 168-170; Babylonian Chronology, 626 B.C.–A.D. 75, blz. 14; zie commentaren hierboven onder „De Babylonische chronologie", ook PERZIË, PERZEN.

Er zijn reeds diverse inscripties van Perzische koningen ontdekt, maar ze bieden geen hulp bij het vaststellen van de regeringsduur van Perzische koningen. In Persepolis is bijvoorbeeld een aantal gedateerde tabletten gevonden, maar de namen van de koningen staan er niet op vermeld.

Astronomische berekeningen. Er wordt beweerd dat „een relatieve chronologie [waarin slechts de volgorde van gebeurtenissen wordt vastgesteld] met behulp van bevestigingen uit astronomische gegevens omgezet kan worden in een absolute chronologie, dat wil zeggen, een systeem van datums die correleren met onze kalender" (The Old Testament World, door Martin Noth, 1966, blz. 272). Hoewel de Schepper van de mens de hemellichamen heeft verschaft als het middel waarmee de mens de tijd kan meten, is het toch van menselijke interpretatie en andere factoren afhankelijk hoe astronomische gegevens en gebeurtenissen uit de menselijke geschiedenis met elkaar in verband worden gebracht, en dit kan aanleiding geven tot fouten.

Veel van de zogenoemde synchronisaties van astronomische gegevens met gebeurtenissen of datums uit de oude geschiedenis zijn gebaseerd op zons- of maansverduisteringen. Maar elke „willekeurige stad zal in 50 jaar gemiddeld ongeveer 40 maansverduisteringen en 20 gedeeltelijke zonsverduisteringen meemaken, [doch] slechts één totale zonsverduistering in 400 jaar" (Encyclopædia Britannica, 1971, Deel 7, blz. 907). Dus alleen wanneer uitdrukkelijk vermeld wordt dat er in een specifiek gebied een totale zonsverduistering zichtbaar is, zou er weinig grond bestaan om de met behulp van zo’n gebeurtenis vastgelegde historische datum in twijfel te trekken. In veel gevallen levert het door oude spijkerschriftteksten (of andere bronnen) gevormde materiaal betreffende verduisteringen of eclipsen niet zulke specifieke inlichtingen op.

Een voorbeeld is de zonsverduistering waarop historici steunen om de Assyrische chronologie in overeenstemming te brengen met de bijbelse chronologie. Volgens de Assyrische eponiemenlijsten zou ze in de derde maand (gerekend vanaf de lente) gedurende het eponiemaat van Bur-Sagale hebben plaatsgehad. Hedendaagse chronologen hebben berekend dat dit de eclips moet zijn geweest die op 15 juni 763 v.G.T. plaatsvond. Door vanaf deze datum negentig jaar (of negentig namen op de eponiemenlijsten) terug te tellen, komen zij op 853 v.G.T. als het jaartal voor de slag bij Karkar in het 6de jaar van Salmaneser III. Zij beweren dat Salmaneser koning Achab van Israël vermeldt als een van de bondgenoten in de vijandelijke coalitie die in die veldslag tegenover Assyrië stond, en dat de Assyrische koning twaalf jaar later (in Salmanesers 18de jaar) zegt dat koning Jehu van Israël hem schatting betaalde. Vervolgens leiden zij daaruit af dat het jaar 853 v.G.T. Achabs laatste regeringsjaar was en 841 v.G.T. het begin van Jehu’s regering. Hoe deugdelijk zijn deze berekeningen?

Ten eerste neemt men aan dat de zonsverduistering een totale verduistering was, maar in de eponiemenlijst wordt dit niet gezegd. En hoewel de meeste geschiedkundigen in deze tijd de betreffende vermelding van toepassing zullen brengen op de eclips van 763 v.G.T., doen niet alle geleerden dat, want sommige geven de voorkeur aan 809 v.G.T., het jaar waarin zich een eclips voordeed die in Assyrië althans gedeeltelijk zichtbaar geweest moet zijn (zoals dat ook in 857 en 817 v.G.T. enz., het geval was) (Oppolzers Canon of Eclipses, tabel 17, 19, 21). Hoewel hedendaagse geschiedkundigen niet van zins zijn af te stappen van de zonsverduistering van 763 v.G.T. omdat daardoor ’verwarring in de Assyrische geschiedenis zou worden gesticht’, hebben wij reeds gezien dat de Assyriërs zelf aanzienlijke verwarring in hun eigen geschiedenis hebben gesticht.

Bovendien is het zeer onwaarschijnlijk dat koning Achab zich onder de strijdende partijen bij Karkar bevond. Zelfs wanneer de regeringen van Ahazia en Joram (die tussen de regeringsperiodes van Achab en Jehu in lagen) terug te brengen zouden zijn tot slechts twaalf jaar (vgl. 1Kon 22:40, 51; 2Kon 1:2, 17; 3:1), getuigen de bewijzen ertegen dat Achab aan de slag bij Karkar deelnam. Salmanesers vermelding van Jehu hoeft dan ook helemaal geen betrekking te hebben op Jehu’s 1ste regeringsjaar. De beschuldiging dat de Assyriërs goochelden met de opgave van de jaren waarin hun veldtochten plaatsvonden en dat zij voorgaven dat koningen schatting ontvingen van personen die al lang gestorven waren, doet wellicht nog meer afbreuk aan de vermeende waarde van de synchronisatie. De bij dit trefwoord behorende tabel „Belangrijke datums tijdens de periode van de koningen van Juda en van Israël" laat zien dat Achab omstreeks 920 v.G.T. gestorven is en dat Jehu omstreeks 904 v.G.T. begon te regeren.

De canon van Ptolemaeus. Claudius Ptolemaeus was een Grieks astronoom die in de 2de eeuw G.T., ofte wel meer dan 600 jaar na het einde van de Nieuwbabylonische periode, leefde. Zijn canon of koningslijst hing samen met een werk over astronomie dat hij had geschreven. De meeste hedendaagse geschiedkundigen aanvaarden Ptolemaeus’ gegevens omtrent de Nieuwbabylonische koningen en de lengte van hun regeringen.

Klaarblijkelijk baseerde Ptolemaeus zijn historische gegevens op bronnen die dateren uit de Seleucidenperiode, die ruim 250 jaar na Cyrus’ verovering van Babylon begon. Het is dan ook niet te verwonderen dat de getallen die Ptolemaeus verschaft, overeenkomen met die welke worden vermeld door Berossos, een Babylonische priester uit de Seleucidenperiode.

Maansverduisteringen. Aan de hand van maansverduisteringen heeft men geprobeerd een bevestiging te vinden voor de datums die op grond van de canon van Ptolemaeus en gegevens in de spijkerschriftverslagen vastgesteld zijn voor bepaalde regeringsjaren van Nieuwbabylonische koningen. Maar zelfs al zou Ptolemaeus de datums van bepaalde eclipsen die zich in het verleden hebben voorgedaan, nauwkeurig hebben berekend of opgetekend (een hedendaagse astronoom stelde vast dat drie vijfde van Ptolemaeus’ datums juist is), dan bewijst dit nog niet dat hij de juiste historische gegevens bij de datums heeft geplaatst, met andere woorden, dat het verband dat hij legt tussen eclipsen en de regeringsperiode van bepaalde koningen altijd op historische feiten berust.

De datum voor de dood van Herodes de Grote illustreert op welke problemen men kan stuiten bij datering aan de hand van maansverduisteringen. De geschriften van Josephus (De joodse oudheden, XVII, vi, 4; XVII, viii, 1–ix, 3) tonen aan dat Herodes’ dood kort na een maansverduistering en niet lang voor het begin van de paschatijd plaatsvond. Veel geleerden stellen het jaar van Herodes’ dood vast op 4 v.G.T. en als bewijs voeren zij de maansverduistering van 11 maart (13 maart volgens de Juliaanse kalender) in dat jaar aan. Op grond van deze berekening zijn veel hedendaagse chronologen de mening toegedaan dat Jezus al in 5 v.G.T. werd geboren.

Die eclips in 4 v.G.T. bedroeg echter slechts 36 procent en zal in het vroege ochtenduur waarin ze zich voordeed, zeer weinig mensen zijn opgevallen. In 1 v.G.T. deden zich twee andere eclipsen voor, die elk voldoen aan het vereiste dat ze niet lang voor het Pascha plaatsgevonden hebben. De gedeeltelijke maansverduistering van 27 december (29 december volgens de Juliaanse kalender) van dat jaar was misschien in Jeruzalem wel waarneembaar, maar waarschijnlijk was het geen opvallende gebeurtenis. Volgens berekeningen gebaseerd op Oppolzers Canon of Eclipses (blz. 343) kwam de maan uit de schaduw van de aarde te voorschijn toen in Jeruzalem de schemering inviel, en tegen de tijd dat het donker was, was de maan weer helemaal zichtbaar. Bovendien wordt er van deze eclips geen gewag gemaakt in de uitvoerige lijst van Manfred Kudlek en Erich Mickler. In hoeverre deze eclips dus in Jeruzalem zichtbaar was of sowieso waargenomen kon worden, is op dit punt in de geschiedenis onzeker. Opvallender dan de beide bovengenoemde eclipsen was de maansverduistering die diep in de nacht, in de vroege uren van 8 januari 1 v.G.T. (10 januari volgens de Juliaanse kalender), optrad. Dit was een totale verduistering waarin de maan gedurende 1 uur en 41 minuten geheel onzichtbaar was. Ze moet zelfs indien de hemel bewolkt was, opgemerkt zijn door iedereen die wakker was. Dus gedurende de hier besproken jaren heeft zich meer dan één eclips kort voor een Pascha voorgedaan. Gezien vanuit het standpunt van de inlichtingen waarover wij thans beschikken, lijkt die van 8 januari 1 v.G.T. de opvallendste te zijn geweest. — Solar and Lunar Eclipses of the Ancient Near East From 3000 B.C. to 0 With Maps, door M. Kudlek en E. H. Mickler, Neukirchen-Vluyn (Duitsland), 1971, Deel I, blz. 156.

Niet alle teksten die door historici worden gebruikt voor het dateren van gebeurtenissen en tijdsperiodes uit de oude geschiedenis zijn echter op eclipsen gebaseerd. Er zijn astronomische kalenders gevonden die de positie van de maan (ten opzichte van bepaalde sterren of sterrenbeelden) aangeven zoals deze voor het eerst en het laatst op een bepaalde dag in Babylon zichtbaar was (bijv.: „de maan bevond zich één el voor de achterpoot van de leeuw"), alsmede de posities van bepaalde planeten op deze zelfde tijdstippen. Hedendaagse chronologen zeggen dat zo’n combinatie van astronomische posities zich in duizenden jaren niet meer zou herhalen. Deze astronomische kalenders bevatten ook verwijzingen naar de regering van bepaalde koningen en schijnen te kloppen met de getallen die in de canon van Ptolemaeus vermeld worden. Hoewel dit sommigen als onweerlegbaar bewijsmateriaal mag toeschijnen, zijn er factoren die de kracht ervan ten zeerste verzwakken.

In de eerste plaats kunnen de in Babylon gedane waarnemingen fout zijn geweest. De astronomen van Babylon waren het meest geïnteresseerd in hemelverschijnselen die zich bij het opkomen of ondergaan van de maan of de zon dicht bij de horizon voordeden. Maar de horizon die vanuit Babylon te zien is, wordt dikwijls door zandstormen verduisterd. In een commentaar op deze factoren verklaart professor O. Neugebauer dat Ptolemaeus zich beklaagde over „het gebrek aan betrouwbare waarnemingen van de planeten [vanuit het oude Babylon]. Hij [Ptolemaeus] merkt op dat de vroegere waarnemingen zeer ontoereikend zijn, omdat ze verschijningen en verdwijningen en vaste punten betroffen, juist dingen die op zich zeer moeilijk waar te nemen zijn." — The Exact Sciences in Antiquity, 1957, blz. 98.

Ten tweede doet zich het feit voor dat de meeste van de astronomische kalenders die gevonden zijn, niet geschreven werden in de tijd van het Nieuwbabylonische Rijk of het Perzische Rijk, maar in de Seleucidenperiode (312–65 v.G.T.), hoewel ze gegevens bevatten die betrekking hebben op die vroegere periodes. Geschiedkundigen nemen aan dat het afschriften van oudere documenten zijn. In werkelijkheid zijn er geen eigentijdse astronomische teksten aan de hand waarvan de volledige chronologie van de Nieuwbabylonische en de Perzische periode (eind 7de tot eind 4de eeuw) vastgesteld kan worden.

Ten slotte, zelfs al zijn, net als in het geval van Ptolemaeus, de astronomische gegevens (zoals die thans worden geïnterpreteerd en begrepen) in de ter beschikking staande teksten in grote trekken nauwkeurig, dan bewijst dit nog niet dat de historische gegevens waarvan ze vergezeld gaan, nauwkeurig zijn. Net zoals Ptolemaeus de (door hem aangenomen) regeringsperiodes van koningen uit de oudheid eenvoudig als een raamwerk gebruikte waarin hij zijn astronomische gegevens plaatste, zo kunnen ook de schrijvers (of afschrijvers) van de astronomische teksten uit de Seleucidenperiode eenvoudig in hun astronomische teksten de toen algemeen aanvaarde, of „populaire", chronologie van die tijd ingepast hebben. Die algemeen aanvaarde, of populaire, chronologie kan op de eerder in dit artikel besproken kritieke punten heel goed fouten hebben bevat. Ter illustratie: een astronoom (of schrijver) uit de oudheid beweert misschien dat een bepaald hemelverschijnsel plaatsvond in het jaar dat volgens onze kalender 465 v.G.T. zou zijn, en zijn bewering kan bij nauwkeurige narekening juist blijken te zijn. Maar hij beweert misschien ook dat het jaar waarin het hemelverschijnsel plaatsvond (465 v.G.T.), het 21ste jaar van koning Xerxes was en slaat dan de plank volkomen mis. Eenvoudig gezegd: nauwkeurige astronomische gegevens garanderen nog geen nauwkeurige geschiedschrijving.

Archeologische datering. Problemen die verband houden met het vaststellen van datums die gebaseerd zijn op bij opgravingen gevonden artefacten, zijn besproken in het artikel ARCHEOLOGIE. In het kort kan gezegd worden dat bij afwezigheid van werkelijk gedateerde inscripties het dateren aan de hand van artefacten zoals potscherven nooit meer dan vergelijkenderwijs kan zijn. Dat betekent dat de archeoloog alleen maar kan zeggen dat ’deze specifieke laag en haar inhoud in deze aardheuvel klaarblijkelijk tot ongeveer dezelfde tijdsperiode behoort als een bepaalde laag in die aardheuvel (of tot een periode daarvoor of daarna)’. Zo wordt een globale chronologische volgorde opgebouwd, die echter steeds onderhevig is aan correcties en wijzigingen, wijzigingen die soms wel honderden jaren belopen. In 1937 bijvoorbeeld schreef de archeoloog Barton aardewerk uit de „vroege Bronstijd" toe aan de periode 2500–2000 v.G.T., terwijl het jaar daarop W. F. Albright voor dezelfde periode 3200–2200 v.G.T. aangaf.

Het is dus zoals G. Ernest Wright verklaarde: „Op dit terrein kunnen wij zelden met zekerheden werken. In plaats daarvan is het noodzakelijk hypothesen op te stellen, die altijd een meerdere of mindere mate van waarschijnlijkheid hebben. Of ze waar zijn, hangt af van de bekwaamheid waarmee zij [de archeologen] een verscheidenheid van totaal verschillende gegevens interpreteren en bijeenhouden, maar nieuwe inlichtingen kunnen het elk ogenblik noodzakelijk maken een bepaalde hypothese te wijzigen of een geleerde ertoe brengen die enigszins anders te formuleren." — Shechem, The Biography of a Biblical City, 1965, voorwoord blz. xvi.

Dit wordt verder geïllustreerd door een uitspraak in het werk Chronologies in Old World Archaeology, onder redactie van Robert Ehrich (gedrukt in 1965 ter vervanging van een vroeger werk uit 1954), dat een samenvatting bevat van door vooraanstaande archeologen gehuldigde zienswijzen omtrent „het zwevende netwerk van relatieve chronologieën". In het voorwoord (blz. vii) wordt gezegd: „Het doel van dit boek is, in reeksen de chronologieën van diverse aangrenzende gebieden te presenteren zoals ze in 1964 door regionale specialisten worden bezien. Ondanks de nieuwe inlichtingen is de situatie in haar geheel genomen nog steeds aan wijzigingen onderhevig, en nieuwe gegevens zullen sommige conclusies verouderd maken, misschien al voordat dit boek in druk verschijnt." Het is goed dit in gedachte te houden bij het evalueren van de datums die de archeologen verschaffen voor de ouderdom van bepaalde steden, zoals Jericho, of de tijdsperiode waarin volgens hen Palestina door Israël veroverd werd.

Geschiedschrijvers uit de klassieke oudheid. De term ’klassiek’ duidt hier op de periode en cultuur der Grieks-Romeinse beschaving. De werken van bepaalde klassieke geschiedschrijvers vormen niet alleen een informatiebron voor de Griekse en Romeinse geschiedenis, maar worden ook door hedendaagse geschiedschrijvers geraadpleegd om in het verslag over het oude Egypte, Assyrië, Babylon, Perzië, Syrië en Palestina leemten aan te vullen of bepaalde gegevens bevestigd te krijgen. Tot de oude Griekse geschiedschrijvers behoren: Herodotus (ca. 484–425 v.G.T.); Thucydides (ca. 471–401 v.G.T); Xenophon (ca. 431–352 v.G.T.); Ctesias (5de eeuw v.G.T.); en later Strabo, Diodorus Siculus en Alexander Polyhistor uit de 1ste eeuw v.G.T.; en Plutarchus uit de 1ste en 2de eeuw G.T. Tot de Romeinse geschiedschrijvers behoren: Titus Livius (59 v.G.T–17 G.T.); Gnaeus Pompejus Trogus, een tijdgenoot van Livius; Plinius de Oudere (23–79 G.T.); en Sextus Julius Africanus (3de eeuw G.T.), die vermoedelijk in Libië geboren is. Afgezien van hen vormen ook Manetho en Berossos (reeds besproken) belangrijke bronnen van informatie; Josephus, een joodse geschiedschrijver wiens geschriften (hoewel in hun huidige vorm hier en daar tegenstrijdig) heel wat bijdragen tot het beeld van de 1ste eeuw G.T.; en Eusebius, kerkelijk geschiedschrijver en bisschop van Cesarea (ca. 260–342 G.T.).

Zij allen leefden na de Assyrische en de Nieuwbabylonische periode, en alleen de eerste vier genoemde mannen leefden ten tijde van het Perzische Rijk. Betreffende de Assyrische en de Nieuwbabylonische periode verschaft dus geen van deze schrijvers op eigen ervaring gebaseerde inlichtingen, maar zij vermelden veeleer de traditionele opvattingen die men hun verteld had of die zij in sommige gevallen misschien gelezen en afgeschreven hadden. De nauwkeurigheid van hun gegevens hangt uiteraard af van de nauwkeurigheid van de bronnen die zij gebruikten.

En dat niet alleen, maar voor wat wij thans van hun geschriften weten, zijn wij aangewezen op afschriften van afschriften, waarbij het oudste afschrift vaak niet verder teruggaat dan de middeleeuwen. Wij hebben reeds gezien hoe de chronologieën van Manetho en Berossos door afschrijvers verminkt werden. Wat de kwalificaties en betrouwbaarheid van de andere geschiedschrijvers uit de klassieke oudheid betreft, zij het volgende opgemerkt:

De wijze waarop Herodotus geschiedvorsing beoefende — hij stelde een vraag, speurde naar relevante inlichtingen en trok vervolgens een conclusie — staat hoog aangeschreven. Toch wordt er ook gezegd dat „zijn gegevens [soms] onbevredigend waren" en dat „hij een logische verklaring naast een onlogische presenteert". Er is ook gezegd dat hij „duidelijk tot de romantische school" behoort en daarom evenzeer een goede verhalenverteller als geschiedschrijver was (The New Encyclopædia Britannica, uitg. 1985, Deel 5, blz. 881, 882; uitg. 1910, Deel XIII, blz. 383). Over Xenophon wordt gezegd dat het hem aan „objectiviteit, grondigheid en een vorsersgeest ontbrak" en dat hij zijn verhalen opsmukte met „verzonnen gesprekken" (The New Encyclopædia Britannica, 1987, Deel 12, blz. 796). George Rawlinson verwijt Ctesias dat hij het tijdperk van de Medische monarchie opzettelijk heeft verlengd „door het bewuste gebruik van een systeem van verdubbeling". Verder verklaart hij: „Elke koning of elke tijdsperiode die door Herodotus wordt vermeld, komt in de lijst van Ctesias tweemaal voor — een doorzichtige truc, onhandig verhuld door het goedkope middel van het vrijelijk verzinnen van namen." — The Seven Great Monarchies of the Ancient Eastern World, 1885, Deel II, blz. 85.

Over de Romeinse geschiedenis van de koningstijd (vóór de stichting van de Republiek) lezen wij dat ze „zich beweegt in de sferen van pure mythologie. Ze behelst weinig meer dan een verzameling fabels die werden verteld zonder zich nauwelijks ook maar enige moeite te getroosten om kritisch te zijn en zonder rekening te houden met de chronologische volgorde, behalve wanneer dit noodzakelijk was om het verhaal soepel te laten lopen of bepaalde leemten aan te vullen, zoals bijvoorbeeld de tijd tussen de vlucht van Aeneas uit Troje en het jaar waarin Rome vermoedelijk werd gesticht." Zelfs in de periode na de stichting van de Republiek (ca. 509 v.G.T.) waren geschiedschrijvers nog steeds geneigd zonder onderscheid populaire overleveringen naast historische feiten te vermelden. „Geslachtslijsten werden verzonnen, denkbeeldige consulaten [in het Romeinse Rijk rekende men vaak naar consulaten] en fictieve overwinningen ingevoegd, en familietradities . . . werden officieel in de geschiedenis van de staat opgenomen." Over de Romeinse kroniekschrijvers wordt ons verteld: „Wat zij aan geschreven berichten vonden, namen zij over; wanneer zij de gebeurtenissen niet zelf hadden meegemaakt, vulden zij de leemten met fantasievoorstellingen aan." — The Encyclopædia Britannica, 1911, Deel XVI, blz. 820, 821.

Thucydides. Thucydides geldt in het algemeen als een uitzondering onder de klassieke geschiedschrijvers, die zo dikwijls van onnauwkeurigheid en onzorgvuldigheid worden beschuldigd. Thucydides staat erom bekend dat hij zeer nauwgezet nazoekwerk deed. Over hem zegt The New Encyclopædia Britannica (1987, Deel 11, blz. 741): „Zijn autoriteit wordt nauwelijks door die van enige andere geschiedschrijver geëvenaard. Hij hield vast aan een strak chronologische ordening, en waar dit met behulp van de eclipsen die hij vermeldt, nauwkeurig kan worden getoetst, klopt alles precies."

Soms moet men voor noodzakelijke inlichtingen teruggrijpen op de klassieke geschiedschrijvers, vooral wat het Perzische tijdperk (zoals behandeld in de boeken Ezra, Nehemia en Esther) betreft en tot in de tijd van de apostelen. Hun geschriften zijn tevens een hulp bij het bepalen van de tijd en de gebeurtenissen die een vervulling vormen van gedeelten van Daniëls profetische visioenen (hfdst. 7–9, 11), die zelfs nog voorbij de apostolische periode in vervulling gaan. Uit de eerder verschafte inlichtingen blijkt echter dat er geen reden is om hun geschiedenissen en chronologieën op één lijn te stellen met de bijbel zelf. Waar zich verschillen voordoen, kan men zich vol vertrouwen verlaten op het bijbelse verslag, dat hetzij door ooggetuigen is opgetekend of door personen die, zoals Lukas, „alle dingen van meet af nauwkeurig [zijn] nagegaan" (Lu 1:1-4). De nauwkeurige chronologische inlichtingen in de verslagen van Lukas en anderen maken het mogelijk de datums vast te stellen voor belangrijke gebeurtenissen die zich tijdens Jezus’ leven en in de tijd van de apostelen hebben voorgedaan. — Mt 2:1, 19-22; Lu 3:1-3, 21-23; en vele andere teksten.

De bijbelse tijdrekening. Het is duidelijk dat de oude wereldlijke verslagen alle met gepaste voorzichtigheid gehanteerd dienen te worden. Ze staan bekend om hun talrijke onnauwkeurigheden, en het is zeer onwaarschijnlijk dat hun chronologieën daar op de een of andere wijze van verschoond zijn gebleven. In tegenstelling hiermee is de bijbel op alle daarin behandelde terreinen waarachtig gebleken en geeft verreweg het nauwkeurigste beeld van de oude tijden die erin besproken worden. Ook de chronologie van de bijbel is betrouwbaar.

Wie bijbelse tijdsperiodes in overeenstemming met huidige dateringsmethoden wil meten, moet bedenken dat er een verschil bestaat tussen hoofdtelwoorden en rangtelwoorden. Hoofdtelwoorden, zoals 1, 2, 3, 10, 100, enzovoort, tellen voor vol. Maar bij rangtelwoorden, zoals 3de, 5de en 22ste, moet men er 1 aftrekken om het volle aantal te krijgen. Wanneer er dus gesproken wordt over het „achttiende jaar van Nebukadrezar", is de term „achttiende" een rangtelwoord en duidt op zeventien volle jaren plus enkele dagen, weken of maanden (naar gelang van de hoeveelheid tijd die er sinds het einde van het zeventiende jaar verstreken was). — Jer 52:29.

Wie de jaren wil tellen tussen een kalenderdatum uit de periode „v.G.T." en een datum die in de periode „G.T." thuishoort, moet in gedachte houden dat tussen een datum zoals 1 oktober van het jaar 1 v.G.T. en 1 oktober van het jaar 1 G.T. slechts één jaar ligt, niet twee jaar, zoals men in onderstaand diagram kan zien:

v.G.T. G.T.

2 1 1 2

1 okt. 1 okt.

Dit is zo omdat jaartallen rangtelwoorden zijn. Van omstreeks 1 oktober van het jaar 2 v.G.T. (bij benadering de tijd van Jezus’ geboorte) tot 1 oktober 29 G.T. (bij benadering de datum van Jezus’ doop) verstreken er dus in totaal 30 jaar, namelijk 1 vol jaar plus 3 maanden in de periode v.G.T. en 28 volle jaren plus 9 maanden in de periode G.T. — Lu 3:21-23.

Van de schepping van de mens tot op heden. Hedendaagse geschiedkundigen zijn niet in staat een met zekerheid vaststaande datum voor het begin van de „historische periode" van de mensheid aan te geven. Of zij zich nu tot de geschiedenis van Assyrië, Babylon of Egypte wenden, de chronologie wordt, hoe verder zij in het 2de millennium v.G.T. teruggaan, steeds onzekerder en ongewisser, en in het 3de millennium v.G.T. staan zij voor nog meer raadsels of tasten volkomen in het duister. De bijbel daarentegen biedt een samenhangende geschiedenis die een methodische terugrekening tot het begin van de menselijke geschiedenis mogelijk maakt, een berekening die nog vergemakkelijkt wordt door bijbelse verwijzingen naar bepaalde grote tijdsperiodes, zoals de periode van 479 volle jaren vanaf de uittocht uit Egypte tot het begin van de tempelbouw tijdens de regering van Salomo. — 1Kon 6:1.

Om berekeningen volgens onze huidige kalender te kunnen maken, moeten wij van een vast punt of een sleuteldatum uitgaan. Daaronder verstaan wij een datum in de geschiedenis die een deugdelijke basis voor aanvaarding heeft en die correspondeert met een specifieke in de bijbel vermelde gebeurtenis. Vanaf deze datum als sleuteldatum kunnen wij dan zowel terug als vooruit in de geschiedenis rekenen en voor vele van de in de bijbel genoemde gebeurtenissen een kalenderdatum vaststellen.

Eén zo’n datum, die zowel met de bijbelse als met de wereldlijke geschiedenis overeenstemt, is het jaar 29 G.T. De eerste maanden van dat jaar vielen in het 15de jaar van Tiberius Caesar, die op 15 september 14 G.T. (Gregoriaanse kalender) door de Romeinse senaat tot keizer werd benoemd. In datzelfde jaar 29 G.T. begon Johannes de Doper te prediken, terwijl hij misschien ongeveer zes maanden later — nog in hetzelfde jaar — Jezus doopte. — Lu 3:1-3, 21, 23; 1:36.

Nog een datum die als sleutelpunt of uitgangspunt gebruikt kan worden, is het jaar 539 v.G.T., dat door diverse historische bronnen wordt bevestigd als het jaar waarin Babylon door Cyrus de Pers werd omvergeworpen. (Tot de wereldlijke bronnen die uitsluitsel omtrent Cyrus’ regering geven, behoren de werken van Diodorus, Africanus, Eusebius en Ptolemaeus, alsook de Babylonische tabletten.) Tijdens zijn 1ste jaar vaardigde Cyrus een decreet uit tot vrijlating van de joden uit ballingschap. En zoals onder het trefwoord CYRUS wordt uiteengezet, werd het decreet zeer waarschijnlijk in de winter van 538 v.G.T. of tegen de lente van 537 v.G.T. uitgevaardigd. Dit zou de joden tijd hebben gegeven om de noodzakelijke voorbereidingen te treffen, de vier maanden durende reis naar Jeruzalem te ondernemen en daar toch nog in de zevende maand (Tisjri, of omstreeks 1 oktober) van 537 v.G.T. te arriveren. — Ezr 1:1-11; 2:64-70; 3:1.

Met behulp van zulke sleuteldatums kunnen wij vervolgens aan een zeer groot aantal bijbelse gebeurtenissen specifieke kalenderdatums toekennen. Het raamwerk voor een dergelijke chronologie ziet er als volgt uit:

Gebeurtenis Kalenderdatum Tijdsperiode

tussen de

gebeurtenissen

Van de schepping

van Adam 4026 v.G.T.

Tot het begin van de

Vloed 2370 v.G.T. 1.656 jaar

Tot het van kracht

worden van het

Abrahamitische

verbond 1943 v.G.T. 427 jaar

Tot de uittocht uit

Egypte 1513 v.G.T. 430 jaar

Tot het begin van de

tempelbouw 1034 v.G.T. 479 jaar

Tot de scheuring van

het koninkrijk 997 v.G.T. 37 jaar

Tot de ontvolking

van Juda 607 v.G.T. 390 jaar

Tot de terugkeer van

de joden uit

ballingschap 537 v.G.T. 70 jaar

Tot de herbouw van de

muren van Jeruzalem 455 v.G.T. 82 jaar

Tot de doop van Jezus 29 G.T. 483 jaar

Tot het samenstellen

van deze tabel 1994 G.T. 1.965 jaar

Totale tijdsperiode

van de schepping van

Adam tot 1994 G.T. 6.019 jaar

Welke bijbelse basis hebben wij voor deze chronologie, en in hoeverre wordt ze in sommige gevallen ook door de wereldlijke geschiedenis ondersteund? Hier volgen verdere details die aantonen hoe elk van de genoemde tijdsperiodes wordt vastgesteld.

Van de schepping van Adam tot de Vloed. De 1656 jaar van deze tijdsperiode kan worden berekend aan de hand van Genesis 5:1-29 en 7:6, en kan worden ingedeeld zoals in onderstaande tabel staat aangegeven.

Van de schepping van Adam

tot de geboorte van Seth 130 jaar

Vervolgens tot de geboorte van Enos 105 jaar

Tot de geboorte van Kenan 90 jaar

Tot de geboorte van Mahalaleël 70 jaar

Tot de geboorte van Jered 65 jaar

Tot de geboorte van Henoch 162 jaar

Tot de geboorte van Methusalah 65 jaar

Tot de geboorte van Lamech 187 jaar

Tot de geboorte van Noach 182 jaar

Tot de Vloed 600 jaar

Totaal 1.656 jaar

De aangegeven getallen die betrekking hebben op de periode voor de Vloed, zijn te vinden in de masoretische tekst, waarop hedendaagse vertalingen van de Hebreeuwse Geschriften zijn gebaseerd. Deze getallen verschillen van die in de Griekse Septuaginta, maar wat de nauwkeurigheid betreft spreekt het bewijsmateriaal duidelijk ten gunste van de masoretische tekst.

Langes Commentary on the Holy Scriptures (Genesis, blz. 272, vtn.) zegt: „Het interne bewijsmateriaal blijkt nadrukkelijk ten gunste van de Hebreeuwse tekst te spreken, op grond van de proportionele consequentheid daarvan. De getallen in de LXX volgen klaarblijkelijk een plan waarin ze ingepast zijn. Dit is in de Hebreeuwse tekst niet het geval, en dat is een krachtig argument voor de stelling dat het een authentiek geslachtsregister is. . . . Ook op fysiologische gronden verdient het Hebreeuws de voorkeur; aangezien de levensduur geenszins een zo hoge mannelijke leeftijd vereist als die getallen [in de Septuaginta] te kennen schijnen te geven. . . . de telkens door de Septuaginta toegevoegde 100 jaar verraden een opzet om de getallen op grond van de een of andere veronderstelde fysiologische opvatting in een harmonieuzere verhouding te brengen. . . . Aan dit alles moet nog het feit worden toegevoegd dat het Hebreeuws er het allersterkst aanspraak op kan maken als de oorspronkelijke tekst te worden beschouwd, en wel op grond van de bekende gewetensvolle en zelfs bijgelovige zorgvuldigheid waarmee men te werk is gegaan om de zuiverheid van de tekst te bewaren." — Vertaald en geredigeerd door P. Schaff, 1976.

Hoewel hedendaagse geschiedkundigen de tijd waarin de mens voor het eerst op aarde verscheen veel verder in het verleden zouden willen plaatsen dan 4026 v.G.T., getuigen de feiten pertinent tegen het standpunt dat zij innemen. De duizenden jaren van „prehistorie" waarmee zij komen aandragen, berusten op speculaties, zoals blijkt uit de volgende woorden van de prominente geleerde P. E. Klopsteg: „Kom nu, als u wilt, mee op een speculatief uitstapje door prehistorische tijden. Neem eens even het tijdperk aan waarin de species sapiens uit het geslacht Homo voortkwam . . . haast u door de millennia heen vanaf de tijd waarover onze huidige kennis voor het grootste deel op veronderstellingen en interpretaties berust, naar het tijdperk van de eerste opgetekende verslagen, waaruit enkele feiten kunnen worden vergaard." (Wij cursiveren.) — Science, 30 december 1960, blz. 1914.

De tijdsperiode van de era na de Vloed begint met het jaar 2369 v.G.T. Terwijl volgens sommige onderzoekers bepaalde pictografische geschriften aan de periode tussen 3300 en 2800 v.G.T. toegeschreven moeten worden (Ontdekkingen over Genesis, door P. J. Wiseman, 1960, blz. 42), betreft het hier geen werkelijk gedateerde documenten en berust hun veronderstelde ouderdom slechts op de gissingen van enkele archeologen.

Soms beroept men zich op dateringen die gebaseerd zijn op de radiokoolstofmethode (C14). Deze dateringstechniek heeft echter beslist haar beperkingen. Het tijdschrift Science van 11 december 1959 berichtte op bladzijde 1630: „Wat een klassiek voorbeeld dreigt te worden van de ’onberekenbaarheid van C14’, zijn de 11 verschillende, tot wel 6000 jaar uiteenlopende leeftijden die men heeft vastgesteld voor Jarmo . . ., een prehistorisch dorp in noordoostelijk Irak, dat op grond van al het archeologische bewijsmateriaal niet langer dan 500 opeenvolgende jaren bewoond geweest kan zijn." Er zijn derhalve geen deugdelijke of onweerlegbare bewijzen voor aan te voeren dat het begin van de mensenmaatschappij na de Vloed op een vroegere datum dan 2369 v.G.T. gesteld moet worden.

Van 2370 v.G.T. tot het verbond met Abraham. De chronologische opbouw van deze tijdsperiode kan als volgt worden samengevat:

Van het begin van de Vloed

tot de geboorte van Arpachsad 2 jaar

Vervolgens tot de geboorte van Selah 35 jaar

Tot de geboorte van Heber 30 jaar

Tot de geboorte van Peleg 34 jaar

Tot de geboorte van Rehu 30 jaar

Tot de geboorte van Serug 32 jaar

Tot de geboorte van Nahor 30 jaar

Tot de geboorte van Terah 29 jaar

Tot de dood van Terah,

toen Abraham 75 jaar oud was 205 jaar

Totaal 427 jaar

Deze getallen zijn ontleend aan Genesis 11:10–12:4. De uitdrukking „na de geweldige vloed" (Ge 11:10), die in verband met Arpachsads geboorte wordt gebruikt, heeft logischerwijs betrekking op het werkelijke neerstorten van het water, wat het begin van de Vloed (2370 v.G.T.) kenmerkte, en niet eenvoudig op de daarna volgende periode waarin de wateren de aarde bedekten. De Hebreeuwse term die met „geweldige vloed" wordt weergegeven, geeft dit ook te kennen. — Vgl. Ge 6:17; 7:4-6, 10-12, 17; 9:11.

De datum voor de poging tot het bouwen van de toren van Babel wordt in het bijbelse verslag niet vermeld. Uit Genesis 10:25 blijkt dat de verdeling die het gevolg was van de spraakverwarring die zich daar voordeed, ergens in ’de dagen van Peleg’ plaatsvond. Hieruit volgt niet noodzakelijkerwijs dat deze gebeurtenis zich bij Pelegs geboorte voordeed. De uitdrukking „in zijn dagen" zou er in feite op duiden dat de verdeling noch bij noch onmiddellijk na Pelegs geboorte plaatsvond, maar ergens in het verdere verloop van zijn leven. (Peleg leefde van 2269 tot 2030 v.G.T.) Als na de Vloed iedere mannelijke ouder op de leeftijd van 30 jaar kinderen begon te verwekken, laten wij zeggen elke 3 jaar een kind en gemiddeld elke 6 jaar een mannelijk kind, en dit zou doorgaan tot de leeftijd van 90 jaar, zou de bevolking in een periode van ongeveer 180 jaar vanaf het einde van de Vloed (d.w.z. tot 2189 v.G.T.) uitgegroeid kunnen zijn tot in totaal meer dan 4000 volwassen mannen. Deze voorzichtige berekening zou voldoende stroken met de omstandigheden die verband houden met de torenbouw en de verstrooiing van de volken.

Toen Abraham op weg naar het land Kanaän de Eufraat overtrok, bekrachtigde Jehovah klaarblijkelijk het zogenoemde Abrahamitische verbond. Daar Abraham pas na de dood van zijn vader Terah Haran verliet en Kanaän binnentrok, wordt de datum waarop dit verbond van kracht werd, op 1943 v.G.T. gesteld. — Ge 11:32; 12:1-5.

Van 1943 v.G.T. tot de uittocht uit Egypte. In Exodus 12:40, 41 staat: „De tijd van het verblijf van de zonen van Israël, die in Egypte hadden gewoond, was vierhonderd dertig jaar. Nu geschiedde het aan het einde van de vierhonderd dertig jaar, ja, het geschiedde op dezelfde dag, dat alle legers van Jehovah uit het land Egypte gingen." Hoewel de meeste vertalingen vers 40 zo weergeven dat de 430 jaar volledig op het verblijf in Egypte betrekking hebben, laat de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst de bovenstaande vertaling toe. Ook brengt Paulus in Galaten 3:16, 17 die periode van 430 jaar in verband met de tijd tussen het van kracht worden van het Abrahamitische verbond en het sluiten van het Wetsverbond. Kennelijk werd het Abrahamitische verbond van kracht toen Abraham, op grond van Gods belofte, in 1943 v.G.T. op weg naar Kanaän de Eufraat overtrok en werkelijk „het land" waarheen God hem leidde, binnenging (Ge 12:1; 15:18-21). Precies 430 jaar na deze gebeurtenis, in 1513 v.G.T., werden zijn nakomelingen uit Egypte bevrijd, en in datzelfde jaar werd het Wetsverbond met hen gesloten. Dat men reeds vanouds de opvatting toegedaan was dat de in Exodus 12:40, 41 genoemde tijdsperiode zo begrepen moest worden, blijkt uit de weergave in de Septuaginta: „Maar het verblijf van de zonen van Israël dat zij in het land Egypte en in het land Kanaän verbleven, [was] vierhonderd dertig jaar lang."

De periode vanaf het tijdstip waarop Abraham Kanaän binnentrok tot het tijdstip waarop Jakob naar Egypte ging, bedroeg 215 jaar. Dit getal verkrijgt men als volgt: Er verstreken 25 jaar vanaf Abrahams vertrek uit Haran tot de geboorte van Isaäk (Ge 12:4; 21:5); tot de geboorte van Jakob verstreken er nog eens 60 jaar (Ge 25:26); en Jakob was bij zijn aankomst in Egypte 130 jaar (Ge 47:9). Dit brengt ons op een totaal van 215 jaar (van 1943 tot 1728 v.G.T.). Dit betekent dat de Israëlieten daarna een zelfde periode van 215 jaar in Egypte doorbrachten (van 1728 tot 1513 v.G.T.). Dat de Israëlieten zich in 215 jaar zo sterk hebben kunnen vermenigvuldigen dat er zich onder hen 600.000 „fysiek sterke mannen" bevonden, wordt in het artikel UITTOCHT UIT EGYPTE besproken. — Ex 12:37.

Jehovah zei tot Abram (Abraham): „Gij kunt voorzeker weten dat uw zaad een inwonende vreemdeling zal worden in een land dat niet het hunne is, en zij zullen hen moeten dienen, en dezen zullen hen stellig kwellen, vierhonderd jaar lang" (Ge 15:13; zie ook Han 7:6, 7). Deze woorden werden vóór de geboorte van Isaäk, de beloofde erfgenaam of het beloofde „zaad", geuit. In 1932 v.G.T. werd Ismaël geboren, Abrams zoon bij zijn Egyptische dienstmaagd Hagar, en in 1918 v.G.T. werd Isaäk geboren (Ge 16:16; 21:5). Door vanaf de uittocht uit Egypte, waardoor het einde van de ’kwelling’ werd gekenmerkt (Ge 15:14), 400 jaar terug te rekenen, komen wij op 1913 v.G.T., toen Isaäk ongeveer 5 jaar oud was. Naar het schijnt, werd Isaäk toen gespeend en begon voor hem, terwijl hij zich reeds als „een inwonende vreemdeling" in een land bevond dat niet het zijne was, de voorzegde kwelling doordat de ongeveer negentienjarige Ismaël ’de spot met hem dreef’ (Ge 21:8, 9). Hoewel men Ismaëls bespotting van Abrahams erfgenaam tegenwoordig wellicht als iets onbelangrijks beschouwt, dacht men er in patriarchale tijden niet zo over. Dit blijkt uit de wijze waarop Sara reageerde en ook uit het feit dat haar aandringen om Hagar en haar zoon Ismaël weg te sturen, door God werd goedgekeurd (Ge 21:10-13). Juist het feit dat de bijzonderheden van dit voorval in het goddelijke bericht zijn opgenomen, duidt er eveneens op dat deze gebeurtenis het begin kenmerkte van de voorzegde periode van kwelling die 400 jaar zou duren en pas met de uittocht uit Egypte eindigde. — Ga 4:29.

Van 1513 v.G.T. tot de scheuring van het koninkrijk. In het „vierhonderd tachtigste jaar nadat de zonen van Israël uit het land Egypte waren getrokken", in het 4de jaar van Salomo’s regering, werd met de bouw van de tempel in Jeruzalem begonnen (1Kon 6:1). „Vierhonderd tachtigste" is een rangtelwoord en komt overeen met 479 volle jaren plus nog een zekere tijd, in dit geval 1 maand. Door vanaf de uittocht (Nisan 1513 v.G.T.) 479 jaar verder te rekenen, komen wij op 1034 v.G.T. In de tweede maand van dat jaar, de maand Ziv (overeenkomend met april/mei), begon de tempelbouw. Daar dit het 4de jaar (weer een rangtelwoord) van Salomo’s regering was, begon zijn heerschappij drie volle jaren voordien, in 1037 v.G.T. Zijn veertigjarige regering liep klaarblijkelijk van Nisan 1037 tot Nisan 997 v.G.T., en in het laatstgenoemde jaar vond de scheuring van het koninkrijk plaats. De chronologische opbouw van deze tijdsperiode zou er dus uitzien zoals rechts is aangegeven.

Gebeurtenis Datum Tijdsperiode

tussen

gebeurtenissen

Van de uittocht uit Egypte 1513 v.G.T.

tot

de intocht van Israël in 1473 v.G.T. 40 jaar

Kanaän

tot

het einde van de periode 1117 v.G.T. 356 jaar

der rechters en het

begin van Sauls regering

tot

het begin van Davids 1077 v.G.T. 40 jaar

regering

tot

het begin van Salomo’s 1037 v.G.T. 40 jaar

regering

tot

de scheuring van het 997 v.G.T. 40 jaar

koninkrijk

Totaal aantal jaren van de

uittocht uit Egypte tot de

scheuring van het koninkrijk

(1513 tot 997 v.G.T.) 516 jaar

Deze getallen zijn gebaseerd op teksten zoals Deuteronomium 2:7; 29:5; Handelingen 13:21; 2 Samuël 5:4; 1 Koningen 11:42, 43; 12:1-20. Sommige critici vestigen de aandacht op de in deze periode voorkomende vier tijdvakken van elk veertig jaar en beweren dat hierdoor wordt bewezen dat de bijbelschrijvers ’enkel naar symmetrie hebben gezocht’ en dat het hier niet om een nauwkeurige chronologie gaat. Dit is echter niet zo. Terwijl de periode waarin de Israëlieten door de wildernis trokken voordat zij Kanaän binnengingen bijna exact veertig jaar bedroeg, hetgeen een vervulling was van het in Numeri 14:33, 34 opgetekende goddelijke oordeel (vgl. Ex 12:2, 3, 6, 17; De 1:31; 8:2-4; Joz 4:19), kunnen de drie andere tijdsperiodes allemaal een fractie langer of korter hebben geduurd. Zo blijkt uit 2 Samuël 5:5 dat Davids regering feitelijk 40,5 jaar heeft geduurd. Indien, zoals de gewoonte schijnt te zijn geweest, de regeringsjaren van deze koningen werden geteld van Nisan tot Nisan, zou dit kunnen betekenen dat de regering van koning Saul slechts 39,5 jaar heeft geduurd, maar dat de maanden die nog restten tot de volgende Nisan bij Sauls regering werden gerekend en daarom niet officieel bij de 40 regeringsjaren van David werden geteld. Dit was althans gebruikelijk onder Semitische heersers in Mesopotamië; de maanden tussen de dood van een koning en de volgende Nisan werden aangeduid als de „troonsbestijgingsperiode" van de hem opvolgende koning, maar zijn officiële 1ste regeringsjaar begon pas vanaf de maand Nisan te tellen.

De lengte van de tijdsperiode tussen de intocht in Kanaän en het einde van de periode der rechters wordt niet rechtstreeks vermeld, maar valt logisch af te leiden. Door namelijk de 123 jaar van de bekende tijdsperiodes (de omzwerving in de wildernis, de regeringstijd van respectievelijk Saul en David, en de eerste drie jaar van Salomo’s regering) af te trekken van de 479 jaar die tussen de uittocht en het 4de jaar van Salomo liggen, houdt men 356 jaar over.

Hoe deze 356 jaar (vanaf Israëls intocht in Kanaän in 1473 v.G.T. tot het begin van Sauls regering in 1117 v.G.T.) moeten worden onderverdeeld, wordt in de bijbel niet vermeld. Klaarblijkelijk overlappen bepaalde tijdsperiodes elkaar echter aanzienlijk. Waarom kan dat gezegd worden? Bij elkaar opgeteld zouden de verschillende periodes van onderdrukking, de ambtstermijnen van de rechters en de jaren van vrede, zoals ze in het boek Rechters worden vermeld, op totaal 410 jaar komen. Als deze tijdsperiodes binnen het eerder genoemde tijdperk van 356 jaar moeten passen, moeten bepaalde periodes samengevallen zijn en elkaar niet opgevolgd hebben, en dat is de zienswijze van de meeste commentators. De omstandigheden die in de bijbelse verslagen worden beschreven, laten deze verklaring toe. De onderdrukkingen vonden in verschillende delen van het land plaats en betroffen verschillende stammen (KAART: Deel 1, blz. 743). De uitdrukking „hierna genoot het land . . . rust", die wordt gebruikt nadat de overwinningen van de Israëlieten op hun onderdrukkers zijn verhaald, heeft dan ook wellicht niet in alle gevallen betrekking op het hele gebied van alle twaalf stammen maar kan slaan op het deel van het land dat hoofdzakelijk onder die bepaalde onderdrukking te lijden had. — Re 3:11, 30; 5:31; 8:28; vgl. Joz 14:13-15.

In Handelingen hoofdstuk 13 laat de apostel Paulus Gods handelingen met Israël de revue passeren. Hij gaat in zijn betoog terug tot de ’uitverkiezing van de voorvaders’ en vermeldt dan achtereenvolgens het verblijf in Egypte, de uittocht, de omzwerving in de wildernis, de verovering van Kanaän en de verdeling van het land, en verklaart dan: „Dit alles gedurende ongeveer vierhonderd vijftig jaar. En na deze dingen gaf hij hun rechters tot op de profeet Samuël" (Han 13:20). Er is heel wat misverstand ontstaan doordat deze tekst in de Statenvertaling als volgt is weergegeven: „En daarna omtrent vierhonderd vijftig jaren, gaf Hij hun richters, tot op Samuël, de profeet." De oudste handschriften (Sinaiticus, Vaticanus nr. 1209 en Alexandrinus inbegrepen), alsook de meeste moderne vertalingen (zoals GNB; NBG en WV; vs. 19, 20, AS; RS; AT), ondersteunen echter de eerstgenoemde weergave, die laat zien dat de periode der rechters na de 450 jaar kwam. Daar de periode van „ongeveer vierhonderd vijftig jaar" begon toen God de „voorvaders" van Israël ’uitkoos’, schijnt ze te zijn begonnen in het jaar 1918 v.G.T. met de geboorte van Isaäk, het oorspronkelijke, aan Abraham beloofde „zaad". Derhalve eindigde ze omstreeks 1467 v.G.T., toen de eerste verovering van Kanaän afgesloten was, zodat men met de verdeling van het land kon beginnen. Daar de periode van 450 jaar slechts bij benadering wordt aangegeven, zou een verschil van een jaar of zo niet van belang zijn.

Van 997 v.G.T. tot de verwoesting van Jeruzalem. Een hulp bij het berekenen van de totale tijdsperiode van de koningen vinden wij in Ezechiël 4:1-7. Daar lezen wij hoe de profeet Ezechiël op Gods bevel de belegering van Jeruzalem moest uitbeelden. Ezechiël moest 390 dagen op zijn linkerzijde liggen om ’de dwaling van het huis van Israël te dragen’, en 40 dagen op zijn rechterzijde om ’de dwaling van het huis van Juda te dragen’. Daarbij zou elke dag voor een jaar tellen. De op deze wijze gesymboliseerde twee tijdsperiodes (390 jaar en 40 jaar) correspondeerden klaarblijkelijk met de lengte van de tijd dat Jehovah geduld had met de beide afgoderij bedrijvende koninkrijken. De wijze waarop de joden deze profetie begrijpen, wordt in de Soncino Books of the Bible (commentaar op Ezechiël, blz. 20, 21) als volgt tot uitdrukking gebracht: „De schuld van het noordelijke koninkrijk strekte zich uit over een periode van 390 jaar ([volgens de] Seder Olam [de oudste in de Hebreeuwse taal bewaard gebleven na-exilische kroniek], [en de rabbi’s] Rashi en Ibn Ezra). Malbim citeert Abarbanel, die de periode van de schuld van Samaria rekent vanaf de tijd dat de scheuring van het rijk onder Rehabeam plaatsvond . . . tot de val van Jeruzalem. . . . De rechter[zijde waarop Ezechiël lag] duidt op het zuiden, d.w.z. het Koninkrijk Juda, dat in het zuiden of rechts lag. . . . Juda’s verdorvenheid duurde veertig jaar, die vlak na de val van Samaria begonnen. Volgens Malbim wordt de tijd gerekend vanaf het dertiende jaar van de regering van Josia . . . toen Jeremia met zijn bediening begon (Jer. i. 2)." — Onder redactie van A. Cohen, Londen, 1950.

Van de scheuring van het koninkrijk in 997 v.G.T. tot de val van Jeruzalem in 607 v.G.T. verstreken er 390 jaar. Hoewel het waar is dat Samaria, de hoofdstad van het noordelijke koninkrijk, reeds in 740 v.G.T., het 6de jaar van Hizkia, door Assyrië veroverd was (2Kon 18:9, 10), vluchtte waarschijnlijk een deel van de bevolking vóór de opmars van de Assyriërs naar het zuidelijke koninkrijk. (Neem ook nota van de situatie in Juda na de scheuring van het koninkrijk, zoals die in 2Kr 10:16, 17 beschreven wordt.) Maar nog belangrijker is het feit dat Jehovah God de verbannen Israëlieten van het noordelijke koninkrijk niet vergat, aangezien hij hen zelfs lang na de val van Samaria in de boodschappen van zijn profeten betrok. Hieruit blijkt namelijk dat hun belangen nog steeds door de hoofdstad Jeruzalem vertegenwoordigd werden en dat de val van deze stad in 607 v.G.T. een uiting van Jehovah’s oordeel tegen de gehele natie Israël was, en niet tegen Juda alleen (Jer 3:11-22; 11:10-12, 17; Ez 9:9, 10). Toen de stad viel, werden de verwachtingen van de gehele natie (met uitzondering van de weinigen die aan het ware geloof hadden vastgehouden) de bodem ingeslagen. — Ez 37:11-14, 21, 22.

In de voorgaande tabel wordt vastgehouden aan deze periode van 390 jaar als een deugdelijk chronologisch richtsnoer. Wanneer alle regeringsjaren van de koningen van Juda van Rehabeam tot Zedekia worden opgeteld, levert dat een totaal van 393 jaar op. Hoewel sommige bijbelchronologen trachten de gegevens betreffende de koningen door middel van talrijke mederegentschappen en „interregnums" in Juda te synchroniseren, hoeft er naar het schijnt slechts met één mederegentschap rekening te worden gehouden. Het gaat hierbij om Joram, van wie wordt gezegd (althans in de masoretische tekst en enkele van de oudste handschriften van de bijbel) dat hij koning werd „terwijl Josafat koning van Juda was", hetgeen derhalve enige grond vormt om een mederegentschap te veronderstellen (2Kon 8:16). Op die wijze blijft de totale tijdsperiode binnen de tijdruimte van 390 jaar.

De tabel is niet bedoeld om te worden beschouwd als een absolute chronologie, maar veeleer als een mogelijke schematische voorstelling van de regeringsperiodes van de beide koninkrijken. De geïnspireerde schrijvers uit de oudheid werkten met feiten en getallen waarmee zij en het joodse volk destijds zeer vertrouwd waren, en de verschillende chronologische benaderingswijzen die de schrijvers bij bepaalde punten hanteerden, boden geen enkel probleem. Thans ligt dat anders, en daarom kunnen wij ons ermee tevredenstellen eenvoudig een rangschikking te presenteren die redelijk overeenstemt met het bijbelse verslag.

Van 607 v.G.T. tot de terugkeer uit ballingschap. De lengte van deze periode wordt door Gods eigen besluit met betrekking tot Juda vastgesteld: „Geheel dit land moet tot een verwoeste plaats worden, tot een voorwerp van ontzetting, en deze natiën zullen de koning van Babylon zeventig jaar moeten dienen." — Jer 25:8-11.

De bijbelse profetie laat niet toe dat de periode van zeventig jaar op enige andere tijd wordt toegepast dan de periode tussen de verwoesting van Juda, die samenging met de vernietiging van Jeruzalem, en de terugkeer van de joodse ballingen naar hun eigen land als gevolg van het decreet van Cyrus. Er wordt uitdrukkelijk gezegd dat de zeventig jaar betrekking zouden hebben op jaren van verwoesting van het land Juda. De profeet Daniël begreep de profetie op die wijze, want hij zegt: „Ik, Daniël, [onderscheidde] zelf aan de hand van de boeken het getal der jaren waarover het woord van Jehovah tot de profeet Jeremia was gekomen, om de verwoestingen van Jeruzalem te vervullen, namelijk zeventig jaar" (Da 9:2). Na de beschrijving van de verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar staat er in 2 Kronieken 36:20, 21: „Bovendien voerde hij de overgeblevenen van het zwaard gevankelijk naar Babylon, en zij werden hem en zijn zonen tot knechten, totdat het koningshuis van Perzië de heerschappij verkreeg — om Jehovah’s woord bij monde van Jeremia te vervullen, totdat het land zijn sabbatten had afbetaald. Al de dagen dat het woest lag, hield het sabbat, om zeventig jaar te vervullen."

In het 9de jaar van Zedekia (609 v.G.T.) werd Jeruzalem definitief belegerd, en in zijn 11de jaar (607 v.G.T.), dat overeenkwam met het 19de jaar van de werkelijke heerschappij van Nebukadnezar (gerekend vanaf het jaar van zijn troonsbestijging in 625 v.G.T.), viel de stad (2Kon 25:1-8). In de vijfde maand van dat jaar (de maand Ab, die overeenkomt met juli/augustus) werd de stad in brand gestoken, werden de muren omvergehaald en werd het grootste deel van de bevolking in ballingschap gevoerd. Maar „enkelen van het geringe volk van het land" mochten achterblijven; zij bleven nog in het land totdat Gedalja, die door Nebukadnezar was aangesteld, vermoord werd en vluchtten toen naar Egypte. Zo lieten zij Juda ten slotte volledig verlaten achter (2Kon 25:9-12, 22-26). Dit gebeurde in de zevende maand, Ethanim (of Tisjri, die overeenkomt met september/oktober). De zeventig jaar der verwoesting moeten dus omstreeks 1 oktober 607 v.G.T. zijn begonnen en in 537 v.G.T. zijn geëindigd. Tegen de zevende maand van dit laatste jaar kwamen de eerste gerepatrieerde joden in Juda terug, zeventig jaar na het begin van de volledige woestligging van het land. — 2Kr 36:21-23; Ezr 3:1.

Van 537 v.G.T. tot de bekering van Cornelius. In het tweede jaar na de terugkeer uit ballingschap (536 v.G.T.) werd het fundament van de tempel in Jeruzalem opnieuw gelegd, maar pas in het 6de jaar van de regering van Darius I (de Pers) werd de herbouwde tempel voltooid (Ezr 3:8-10; 6:14, 15). Daar de heerschappij van Darius pas in Babylon gevestigd was toen hij in december 522 de opstandige Nebukadnezar III had verslagen en hem kort daarna in Babylon gevangengenomen en gedood had, kan het jaar 522 v.G.T. als het troonsbestijgingsjaar van koning Darius I worden beschouwd. Zijn 1ste regeringsjaar begon dan in de lente van 521 v.G.T. (Babylonian Chronology, 626 B.C.–A.D. 75, blz. 30). Het 6de jaar van Darius begon derhalve op 12 april 516 v.G.T. en liep tot eind maart 515 v.G.T. Op grond van deze berekening werd de onder leiding van Zerubbabel ondernomen herbouw van Jehovah’s tempel op 6 maart 515 v.G.T. voltooid.

De volgende heel belangrijke datum is het 20ste jaar van Artaxerxes (Longimanus), het jaar waarin Nehemia toestemming kreeg om naar Jeruzalem te gaan en de stad te herbouwen (Ne 2:1, 5-8). De redenen waarom het hier om het jaar 455 v.G.T. moet gaan en niet, zoals algemeen geloofd wordt, om 445 v.G.T., worden besproken onder het trefwoord PERZIË, PERZEN. De gebeurtenissen die in dit jaar plaatsvonden, zoals de herbouw van Jeruzalem en zijn muren, markeren het beginpunt voor de profetie omtrent de „zeventig weken", die in Daniël 9:24-27 opgetekend staat. De daar genoemde weken zijn duidelijk „jaarweken" (Da 9:24, AT; Mo; RS; zie ook de voetnoten in PC en WV) en bedragen dus in totaal 490 jaar. Zoals onder het trefwoord ZEVENTIG WEKEN wordt getoond, wees de profetie vooruit naar het verschijnen van Jezus als de Messias in het jaar 29 G.T., zijn dood op „de helft van de week" of in het midden van de laatste jaarweek, dat wil zeggen in 33 G.T., en het einde van de periode van Gods speciale gunst voor de joden in 36 G.T. De 70 jaarweken eindigden dus met de bekering van Cornelius, 490 jaar na 455 v.G.T. — Han 10:30-33, 44-48; 11:1.

Het verschijnen van Jezus als de Messias viel precies in het voorzegde jaar, misschien ongeveer zes maanden nadat Johannes de Doper in „het vijftiende regeringsjaar van Tiberius Caesar" met zijn predikingswerk begonnen was (Lu 1:36; 3:1, 2, 21-23). Daar de Romeinse senaat Tiberius op 15 september 14 G.T. tot keizer uitriep, liep zijn 15de jaar van de tweede helft van 28 G.T. tot ver in 29 G.T. (Zie TIBERIUS.) Uit alles blijkt dus dat Jezus’ doop en zalving in de herfst van het jaar 29 G.T. plaatsvonden.

Daar Jezus bij zijn doop in 29 G.T. „ongeveer dertig jaar" was (Lu 3:23), werd hij dertig jaar eerder, of omstreeks de herfst van het jaar 2 v.G.T., geboren. Hij werd geboren tijdens de regering van Caesar Augustus en toen Quirinius stadhouder van Syrië was (Lu 2:1, 2). Augustus regeerde van 27 v.G.T. tot 14 G.T. De Romeinse senator P. Sulpicius Quirinius was tweemaal stadhouder van Syrië. De eerste maal volgde hij klaarblijkelijk P. Quintilius Varus op, wiens ambtsperiode als legaat van Syrië in 4 v.G.T. eindigde. Volgens sommige geleerden viel het eerste stadhouderschap van Quirinius in 3/2 v.G.T. (Zie INSCHRIJVING.) Herodes de Grote was toen koning van Judea, en wij hebben gezien dat er goede gronden bestaan om aan te nemen dat hij waarschijnlijk in het jaar 1 v.G.T. stierf. Zoals dus door al het beschikbare bewijsmateriaal en vooral de schriftuurlijke verwijzingen te kennen wordt gegeven, werd Gods Zoon in de herfst van 2 v.G.T. als mens geboren.

De latere apostolische periode. Voor een aantal gebeurtenissen die tijdens deze periode hebben plaatsgevonden, kan bij benadering een datum worden vastgesteld. De door de christelijke profeet Agabus geuite profetie over een grote hongersnood en de vervolging die daarna op instigatie van Herodes Agrippa I werd ontketend, als gevolg waarvan de apostel Jakobus werd gedood en Petrus werd gevangengenomen, kunnen klaarblijkelijk geplaatst worden omstreeks 44 G.T. (Han 11:27-30; 12:1-4). In dat jaar stierf Herodes Agrippa, en er zijn aanwijzingen dat de voorzegde hongersnood omstreeks het jaar 46 G.T. plaatsvond. Deze laatste datum kenmerkt waarschijnlijk de tijd waarin Paulus en Barnabas reliefwerk verrichtten. — Han 12:25.

Paulus’ eerste bezoek aan Korinthe kan gedateerd worden aan de hand van het proconsulaat van Gallio (Han 18:1, 11-18). Zoals onder het trefwoord GALLIO wordt verklaard, schijnt dit proconsulaat zich uitgestrekt te hebben van de zomer van 51 G.T. tot de zomer van 52 G.T., hoewel sommige geleerden de voorkeur geven aan 52/53 G.T. Derhalve begon Paulus’ achttien maanden durende activiteit in Korinthe waarschijnlijk in de herfst van 50 G.T. en eindigde in de lente van 52 G.T. Dit wordt verder bevestigd door het feit dat twee van Paulus’ metgezellen in Korinthe, Aquila en Priskilla, daar kort tevoren uit Italië waren aangekomen omdat keizer Claudius een edict had uitgevaardigd waarin alle joden gelast werd Rome te verlaten (Han 18:2). Volgens Paulus Orosius, een geschiedschrijver uit de 5de eeuw, werd deze verordening in het 9de jaar van Claudius, dat wil zeggen, in 49 of begin 50 G.T., uitgevaardigd.

De twee jaar die Paulus in Cesarea in de gevangenis doorbracht, vielen in de laatste twee jaar van het stadhouderschap van Felix. Daarna werd Paulus door Felix’ opvolger Porcius Festus naar Rome doorgezonden (Han 21:33; 23:23-35; 24:27). De datum waarop Festus zijn ambt aanvaardde, is enigszins onzeker, daar het historische bewijsmateriaal niet allemaal tot dezelfde conclusie leidt. Het jaar 58 G.T. schijnt echter het meest waarschijnlijk te zijn. In ieder geval kan men Paulus’ daaropvolgende aankomst in Rome tussen 59 en 61 G.T. plaatsen.

Toen in juli 64 G.T. Rome door een grote brand werd geteisterd, brak er op instigatie van Nero een hevige christenvervolging uit. Waarschijnlijk vonden kort daarna Paulus’ tweede gevangenschap en zijn terechtstelling plaats (2Ti 1:16; 4:6, 7). De verbanning van Johannes naar het eiland Patmos heeft volgens de algemene opinie tijdens de regering van keizer Domitianus plaatsgevonden (Opb 1:9). De christenvervolging bereikte vooral tijdens de laatste drie jaar van zijn regering (81–96 G.T.) een hoogtepunt. Volgens de overlevering is Johannes na de dood van Domitianus uit ballingschap teruggekeerd en omstreeks het einde van de 1ste eeuw G.T. in Efeze gestorven. Toen Johannes dus omstreeks deze tijd zijn brieven schreef, werd daarmee de bijbelcanon voltooid en kwam er een eind aan de apostolische tijd.

[Tabel]

BELANGRIJKE DATUMS tijdens de periode van de koningen van Juda en van Israël

OPMERKING: Deze tabel is bedoeld om een nuttig overzicht van sleutelgebeurtenissen in verband met de koningen van Juda en van Israël te verschaffen. Op grond van de in de bijbel opgetekende regeringsjaren van de koningen van Juda werden andere datums bepaald. De aangegeven regeringsjaren van de Judese koningen strekken zich van het voorjaar van het genoemde jaar tot het voorjaar van het daaropvolgende jaar uit. De datums voor de regeringen van de koningen van het koninkrijk Israël werden met die voor de koningen van Juda gecoördineerd. In de bijbel worden talrijke synchronismen vermeld, en die werden mede beschouwd bij het bepalen van deze datums.

De hogepriesters en profeten die in het bijbelse verslag in verband met de diverse koningen worden genoemd, worden hier vermeld. Maar de lijst is allerminst compleet. De Aäronitische priesterschap diende eerst in de tabernakel en later in de tempel, blijkbaar zonder onderbreking in de opeenvolging tot op de tijd van de Babylonische ballingschap. De bijbel geeft ook te kennen dat behalve de profeten die met name worden genoemd, nog velen meer dit heilige ambt bekleedden. — 1Kon 18:4; 2Kr 36:15, 16.

HET TWAALFSTAMMENRIJK

Datums v.G.T.

SAUL begon als koning over 1117

alle 12 stammen te

regeren (40 jaar)

Profeet: Samuël

Hogepriesters: Ahia,

Achimelech

Geboorte van David 1107

Samuël voltooide het ca. 1100

boek Rechters

Samuël voltooide het ca. 1090

boek Ruth

Het boek 1 Samuël werd ca. 1078

voltooid

DAVID begon te Hebron als 1077

koning van Juda te

regeren (40)

Profeten: Nathan, Gad,

Zadok

Hogepriester: Abjathar

David werd koning over 1070

heel Israël; hij maakte

Jeruzalem tot zijn

hoofdstad

Gad en Nathan ca. 1040

voltooiden 2 Samuël

SALOMO begon als koning 1037

te regeren (40)

Profeten: Nathan, Ahia,

Iddo

Hogepriesters:

Abjathar, Zadok

Bouw van Salomo’s tempel 1034

begon

De door Salomo in 1027

Jeruzalem gebouwde

tempel werd voltooid

Salomo schreef het ca. 1020

Hooglied

Salomo schreef het boek v. 1000

Prediker

HET KONINKRIJK JUDA HET KONINKRIJK ISRAËL

REHABEAM begon als koning 997 JEROBEAM begon als koning

te regeren (17 jaar); over de noordelijke

natie viel in twee 10 stammen te regeren,

koninkrijken uiteen blijkbaar eerst vanuit

Sichem, later vanuit

Tirza (22 jaar)

Profeten: Semaja, Iddo Profeet: Ahia

Sisak van Egypte viel Juda 993

binnen en roofde

schatten uit de tempel

in Jeruzalem

ABIA (ABIAM) begon als koning 980

te regeren (3)

Profeet: Iddo

ASA begon kennelijk te 978

regeren (41), maar zijn

1ste regeringsjaar werd

vanaf 977 gerekend

Profeten: Azarja, Oded,

Hanani

ca. 976 NADAB begon als koning te

regeren (2)

ca. 975 BAËSA vermoordde Nadab en

begon vervolgens als

koning te regeren (24)

Profeet: Jehu (zoon van

Hanani)

De Ethiopiër Zera trok 967

tegen Juda ten strijde

ca. 952 ELA begon als koning te

regeren (2)

ca. 951 ZIMRI, een militaire

overste, vermoordde Ela en

regeerde vervolgens als

koning (7 dagen)

ca. 951 OMRI, legeroverste, begon

als koning te regeren (12)

ca. 951 Tibni werd koning over

een deel van het volk,

waardoor de natie nog

verder uiteenviel

ca. 947 Omri sloeg Tibni’s

tegenstand neer en werd

alleenheerser in Israël

ca. 945 Omri kocht de berg

Samaria en bouwde daar

zijn hoofdstad

ca. 940 ACHAB begon als koning te

regeren (22)

Profeten: Elia, Michaja

JOSAFAT begon kennelijk te 937

regeren (25), maar zijn

1ste regeringsjaar werd

vanaf 936 gerekend

Profeten: Jehu (zoon

van Hanani), Eliëzer,

Jahaziël

Hogepriester: Amarja

ca. 920 AHAZIA, de zoon van Achab,

’werd koning’ (2);

kennelijk leefde zijn vader

nog;

Ahazia’s regeringsjaren

tellen waarschijnlijk

vanaf ca. 919

Profeet: Elia

Joram, de zoon van ca. 919

Josafat, kreeg op een

of andere wijze met

zijn vader deel aan

de regering

ca. 917 JORAM, de zoon van Achab,

begon als alleenheerser

van Israël te regeren

(12); maar in ten minste

één tekst is misschien de

kortstondige regering van

zijn broer Ahazia, die bij

zijn dood geen zonen

naliet, ook aan Joram

toegeschreven

Profeet: Elisa

JORAM werd de officiële 913

mederegent van Josafat;

het kan zijn dat Jorams

koningschap vanaf die

tijd gerekend wordt (8)

Profeet: Elia

Josafat stierf en Joram ca. 911

werd alleenheerser

AHAZIA, de zoon van Joram, ca. 906

begon te regeren (1),

hoewel hij wellicht ca. 907

tot koning was gezalfd

Hogepriester: Jojada

ATHALIA maakte zich ca. 905 JEHU, een militaire

meester van de troon (6) overste, vermoordde Joram

en begon toen te regeren

(28); maar het schijnt dat

zijn regeringsjaren vanaf

ca. 904 werden gerekend

Profeet: Elisa

JOAS, de zoon van Ahazia, 898

begon als koning te

regeren (40)

Hogepriester: Jojada

876 JOAHAZ begon als koning te

regeren (17)

ca. 862 Joas deelde kennelijk in

het koningschap van zijn

vader, Joahaz

ca. 859 JOAS, de zoon van Joahaz,

begon als alleenheerser

over Israël te regeren

(16)

Profeet: Elisa

AMAZIA begon als koning 858

te regeren (29)

Joas van Israël nam n. 858

Amazia gevangen, sloeg

een bres in de muur

van Jeruzalem en roofde

schatten uit de tempel

ca. 844 JEROBEAM II begon als

koning te regeren (41)

Profeten: Jona, Hosea,

Amos

Het boek Jona werd

geschreven

UZZIA (AZARJA) begon als 829

koning te regeren (52)

Profeten: Hosea, Joël (?),

Jesaja

Hogepriester: Azarja (II)

Het boek Joël werd ca. 820

misschien geschreven

Uzzia ’werd koning’ ca. 818

in een speciale

betekenis, mogelijk nu

vrij van overheersing

door Jerobeam II

Het boek Amos werd ca. 804

geschreven

ca. 803 ZACHARIA ’begon’ in een

bepaald opzicht ’te

regeren’, maar kennelijk

werd hij pas ca. 792

volledig in het

koningschap bevestigd

(6 maanden)

ca. 791 SALLUM vermoordde Zacharia

en regeerde vervolgens als

koning (1 maand)

ca. 791 MENAHEM vermoordde Sallum

en begon vervolgens te

regeren, maar het schijnt

dat zijn regeringsjaren

vanaf ca. 790 werden

gerekend (10)

ca. 780 PEKAHIA begon als koning te

regeren (2)

ca. 778 PEKAH vermoordde Pekahia en

begon vervolgens als

koning te regeren (20)

Profeet: Oded

JOTHAM begon als koning te 777

regeren (16)

Profeten: Micha, Hosea,

Jesaja

ACHAZ begon kennelijk te 762

regeren (16), maar zijn

1ste regeringsjaar werd

vanaf 761 gerekend

Profeten: Micha, Hosea,

Jesaja

Hogepriester: Uria (?)

Achaz werd kennelijk ca. 759

schatplichtig aan

Tiglath-Pileser III

van Assyrië

ca. 758 HOSEA vermoordde Pekah en

’begon’ vervolgens in zijn

plaats ’te regeren’, maar

het schijnt dat zijn

heerschappij pas ca. 748

volledig werd bevestigd,

of misschien ontving hij

in dat jaar de steun van

de Assyrische monarch

Tiglath-Pileser III

(9 jaar)

HIZKIA begon kennelijk 746

te regeren (29), maar

zijn 1ste regeringsjaar

werd vanaf 745 gerekend

Profeten: Micha, Hosea,

Jesaja

Hogepriester: Azarja

(II of III)

na 745 Het boek Hosea werd

voltooid

742 Het Assyrische leger

begon Samaria te

belegeren

740 Assyrië veroverde

Samaria, onderwierp

Israël; het noordelijke

koninkrijk hield op te

bestaan

Sanherib viel Juda binnen 732

Het boek Jesaja werd na 732

voltooid

Het boek Micha werd v. 717

voltooid

De bijeenbrenging van de ca. 717

Spreuken werd

voltooid

MANASSE begon als koning te 716

regeren (55)

AMON begon als koning te 661

regeren (2)

JOSIA begon als koning te 659

regeren (31)

Profeten: Zefanja, Jeremia,

de profetes Hulda

Hogepriester: Hilkia

Het boek Zefanja werd v. 648

geschreven

Het boek Nahum werd v. 632

geschreven

JOAHAZ regeerde als koning 628

(3 maanden)

JOJAKIM begon als koning te 628

regeren, schatplichtig

aan Egypte (11)

Profeten: Habakuk (?),

Jeremia

Het boek Habakuk werd ca. 628

misschien geschreven

Nebukadnezar II maakt 620

Jojakim schatplichtig

aan Babylon

JOJACHIN begon als koning te 618

regeren (3 maanden en

10 dagen)

Nebukadnezar II voerde 617

joodse gevangenen en

tempelschatten naar

Babylon

ZEDEKIA begon als koning 617

te regeren (11)

Profeten: Jeremia, Ezechiël

Hogepriester: Seraja

Nebukadnezar II viel Juda 609

weer binnen; belegering

van Jeruzalem begon

In de muren van Jeruzalem 607

werd op de 9de dag van de

4de maand een bres

geslagen

Jeruzalem en de tempel 607

werden op de 10de dag

van de 5de maand

platgebrand

De laatste joden verlieten 607

Juda omstreeks het

midden van de 7de maand

Jeremia schreef het boek 607

Klaagliederen

Het boek Obadja werd ca. 607

geschreven

OPMERKING: Nadat Samaria ingenomen was, werden de tien stammen van het koninkrijk Israël in ballingschap gevoerd. Maar het land werd niet woest en verlaten achtergelaten, zoals dit na de verwoesting van Jeruzalem in 607 v.G.T. met Juda het geval was. De koning van Assyrië bracht mensen uit Babylon, Kutha, Avva, Hamath en Sefarvaïm naar de steden van Israël over om hen daar te laten wonen. Hun nakomelingen waren daar nog steeds toen de joden in 537 v.G.T. naar Jeruzalem terugkeerden om de tempel te herbouwen. — 2Kon 17:6, 24; Ezr 4:1, 2.

 

Create a free website at Webs.com