Zoo History

met veel gesloten dierentuinen


De menagerie van Blaauw Jan

1675 of 1695 tot 1784

 

In de 17e eeuw waren in de Republiek der Nederlanden kermissen beroemd om de schat van vreemde dieren die daar aan het publiek werden getoond. Gezien het succes van deze reizende menagerieën op kermissen hoeft het geen verwondering dat in Amsterdam een inrichting tot stand kwam, waar permanent dieren uit de hele wereld konden worden bewonderd.

Daartoe liet Jan Berentsz Westerhof, meestal “Blaauw Jan” genoemd, bij zijn herberg aan de Kloverniersburgwal een hof omgeven door sierlijke galerijen, aanleggen. Op deze binnenplaats van zijn herberg was van 1675 of 1695 tot 1784 een menagerie gevestigd. Eerst waren daar alleen vogels te zien, maar de menagerie groeide uit tot een echt dierentuintje. Naast papegaaien en andere vreemde vogels, waren er leeuwen, tijgers, panters en bavianen – en bijzondere mensen.

De herberg van Blaauw Jan mocht zich in een grote populariteit verheugen. Zelfs keizer Josef II en Linnaeus behoorden tot de bezoekers. Naast dat de bezoekers in de herberg wat konden eten of drinken moesten ze vier stuivers betalen voor de toegang van de menagerie. Ze kregen daar voor heel wat te zien. In het midden was er een volière waarin vogels en vaak apen waren ondergebracht. Hieromheen was een perk met struisvogels dat weer omgeven werd met kooien met telkens wisselende dieren. Ook was er een naturaliënkabinet met dieren op sterk water, opgezette dieren en laden met hoorns, schelpen, insecten, enz.Bij Blaauw Jan werden niet alleen dieren, maar ook opvallende mensen tentoongesteld. Zo woonden in de herberg rond het midden van de 18de eeuw de dwerg Wybrand Lolkes, “niet hoger dan 29 Duim”, en de 2,25 meter lange reus Cajanus. In het najaar van 1764 was er een echte Amerikaanse Mohawk Indiaan te zien in de herberg van Blauw Jan. Een in de Mohawk Vallei  (Noord Amerika) wonende Duitser probeerde met zijn buren geld te verdienen in Europa. Via Engeland bereikte hij Amsterdam met twee Indianen. Eén van hen, genaamd Sychnecta, verkocht hij aan de uitbater van de herberg, die hem vervolgens tentoonstelde. Sychnecta keerde in de zomer van 1765 terug in de Mohawk Vallei.

Vanaf de 17de eeuw waren er regelmatig beesten uit verre landen te zien in Amsterdam. De dieren kwamen op de schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie naar Amsterdam. Totdat ze verkocht werden, kon het publiek ze bewonderen. De opbrengsten voor Blaauw Jan die uit entreegeld en de versnaperingen van de bezoekers voortkwamen werden dan ook aanmerkelijk verhoogd door de handel in deze vreemde dieren. Nergens anders konden in die tijd vorsten en rijke kooplieden voor hun menagerieën en volières zo goed terecht als daar bij Blaauw Jan. Dieren uit de herberg werden verkocht aan de hoven van Frankrijk, Zweden en aan dat van de stadhouder in Den Haag.  

Zo’n 70 jaar na het ontstaan raakte de menagerie van Blaauw Jan in verval. Er gaat zelfs een verhaal dat de hokken van de leeuw zo slecht was dat er iemand had opgemerkt dat ze bij hun daarin alleen een varken durfde op te sluiten. Een ander verhaal laat dan ook horen dat er een leeuw was ontsnapt en naar de Kloveniersburgwal wandelde, waar alle voorbijgangers het op een lopen zette. Door middel van een krijsende kip zou het gelukt zijn de leeuwin terug te voeren naar haar hok.

 

Herberg-menagerie “Blaauw Jan” werd in 1784 gesloten (mede doordat de aanvoer van nieuwe dieren stokte vanwege de Vierde Engelse Oorlog). De collectie werd overgenomen door de dierenhandelaar Anthony van Aken, die er een menagerie in Rotterdam mee inrichtte. Voor 23000 gulden verkocht Blaauw Jan Westerhof aan Frans Soukes de opstallen, die er een winkel en magazijn voor aardewerk vestigde. Nu staat er het schouwburgcomplex de Doelenzaal.

 

Als herinnering aan de menagerie van Blaauw Jan staat er sinds 1994 een bronzen beeldengroep van hagedissen (45 hagedissen!) in het Amsterdamse Kleine Gartmanplantsoen.

 

 

 

Create a Free Website