Lassen is
het verbinden van materialen door middel van druk en/of warmte, waarbij het
materiaal op de verbindingsplaats in vloeibare of deegachtige toestand wordt
gebracht (hoewel er ook uitzonderingen zijn, zie kouddruklassen), terwijl al of
niet materiaal met ongeveer dezelfde samenstelling wordt toegevoegd, waarbij
continuïteit ontstaat tussen de te verbinden delen.
Anders dan
bij solderen smelt bij lassen ook het materiaal van het werkstuk, dus niet
alleen het toevoegmateriaal.
De
geschiedenis van het samenvoegen van materialen gaat enkele eeuwen terug, maar
voor het einde van de 19e eeuw, was het enige beschikbare proces smeden. De
Grieken wisten in de 1e eeuw v.Chr. al hoe ze staal een warmtebehandeling
konden geven, en het is bekend dat andere oude volken basis principes wisten
van lassen. Smeden heeft zich snel ontwikkeld in de eerste helft van het 2de
millennium, en in 1540, publiceerde Vannoccio Biringuccio het eerste Europese
boek wat zich bezig hield met smeden en metallurgie, De la Pirotechnia. De
vaklieden uit de Renaissance waren zeer geoefend in het proces, en de industrie
groeide hard tijdens de volgende eeuwen. Met de ontdekking van de elektrische
boog door Sir Humphrey Davy in 1801, en daaropvolgende ontdekkingen tijdens die
eeuw, werd booglassen de meest gebruikte vorm van het metallurgisch verbinden
van metalen.
De
ontwikkelingen in de laswereld zijn verdergegaan, maar de nieuwe processen zijn
altijd voor specifieke doeleinden ontwikkeld.
Voordelen en nadelen van lassen
o Lasverbindingen
zijn heel sterk, licht en stijf
o Lasverbindingen
zijn vaak eenvoudiger, goedkoper en sneller (geautomatiseerd) te realiseren dan
andere verbindingstechnieken zoals bout- of klinkverbindingen: er dienen gaten
geboord te worden, monteren duurt langer
o Bestand
tegen hoge temperaturen
o Goede
krachtsoverdracht (beter dan bijvoorbeeld klinknagels)
o Geen
verzwakking van de constructie, in tegenstelling tot klinknagels en bouten, die
de doorsnede verkleinen;
o Lasverbindingen
zijn niet demonteerbaar
o Bij
het lassen treedt structuurveranderingen van gelaste materialen op, wat een
verandering in de mechanische eigenschappen (sterkte, hardheid) van het
materiaal veroorzaakt
o Alleen
min of meer gelijke materialen kunnen aan elkaar gelast worden
o Gelaste
verbindingen kunnen zijn uitgevoerd als één geheel (stomp gelast),
vermoeiingsscheuren lopen door de las
Er zijn in
de loop van de tijd vele verschillende lasprocessen ontwikkeld allen met
specifieke kenmerken en toepassingsgebied. Ze zijn echter in twee hoofdgroepen
in te delen, weerstand en booglassen.
Smeltlassen:
heeft als
belangrijkste kenmerk dat de gebruikte materialen volledig worden gesmolten en
niet alleen in deegachtige toestand worden gebracht zoals bij druklassen. Het
smelten van de materialen kan op verschillende manieren worden gedaan; d.m.v.
een elektrische boog, een chemische reactie of een laserstraal.
Er zijn
drie grote types elektrodebekleding:
1. Cellulose,
met een hoog gehalte aan cellulose in bekleding. Dit zorgt weliswaar voor veel
rook en spatten tijdens het lassen, maar heeft het lassen gaat snel en de las
is relatief ongevoelig voor corrosie;
2. Rutiel,
met een hoog gehalte aan SiO2 en TiO2. Dit lastype wordt het meest toepast, het
zorgt voor lassen met goede mechanische sterkte, ook in vermoeiing;
3. Basisch,
met een hoog gehalte aan krijt (calciumcarbonaat) en vloeispaat. Dit zorgt voor
een zuiver schoon lasbad en een las met zeer laag waterstofgehalte
MIG/MAG-lassen
Een
doorgesneden MIG-toorts
MIG/MAG
staat voor Metal Inert Gas/Metal Active Gas. Het zijn eigenlijk twee soorten
maar omdat het enige verschil het gebruikte gas is wordt het toch als eenzelfde
soort gezien. Bij deze twee lasprocessen wordt er tijdens het lassen continu
een draad aangevoerd. Tussen deze draad en het werkstuk wordt de boog in stand
gehouden. Het smeltbad wordt beschermd door een beschermgas. Bij MIG-lassen
gaat het om een een inert gas (bijvoorbeeld argon of mengsels van argon met
waterstofgas en helium); bij MAG om een actief gas (bijvoorbeeld kooldioxide of
argonmenggassen met Ar, CO2 en O2). Een inert gas reageert niet (met het
smeltbad) en een actief gas wel, dus heeft een actief gas invloed op de
samenstelling van de uiteindelijke las. Vaak worden er ook menggassen gebruikt
tussen inerte en actieve gassen. MIG/MAG-lassen is tegenwoordig het meest
gebruikte lasproces door zijn veelzijdigheid en snelheid: zo'n 50 % van alle
toevoegmetaal verkocht in België wordt voor dit proces gebruikt. Het is zo
populair wegens de mogelijkheid tot mechanisatie en robotisatie, hoge
flexibiliteit en hoge neersmelt.
Kortsluitboog
(short arc), bestaande uit herhaalde kortsluitingen
Sproeiboog
(spray arc), en Pulsboog (pulsed arc).
TIG is de
afkorting voor Tungsten Inert Gas, GTAW = Gas Tungsten Arc Welding) en dankt
zijn naam aan de Engelse naam voor wolfraam (tungsten) en het gebruik van een
inert gas. Bij TIG-lassen wordt de warmte verkregen door een boog te trekken
tussen een wolfraam elektrode en het werkstuk. Door de hoge smelttemperatuur
van wolfraam (3410 °C) (de temperatuur van het werkstuk ligt tussen de 6000 á 7000
graden, maar door de stroomrichting van het beschermgas en de vlamboog heeft de
elektrode maar een derde van de warmte van het werkstuk.) is dit een niet
afsmeltende elektrode. Het toevoegmateriaal wordt apart, handmatig, toegevoegd.
Het toepassingsgebied van TIG-lassen is vooral hooggelegeerd staal of
aluminium. Het wordt ook regelmatig gebruikt voor laaggelegeerd staal met dunne
plaatdiktes daar de lassnelheid vrij laag is. Aluminium, aluminiumlegeringen,
magnesiumlegeringen en aluminiumbronzen worden met wisselstroom (AC) gelast, de
rest met gelijkstroom (DC). TIG lassen is de meest moeilijke vorm van lassen,
dit komt omdat, in tegenstelling tot elektrode en MIG/MAG, je hier ook nog de
aluminium draad bij moet doen en je een pedaal hebt om de stroom mee te bepalen.
Onderpoederlassen
(en: submerged arc welding, SAW) is een zeer productief proces met een
elektrische boog die onder een laag poeder ligt. Het poeder vormt een slak die
het smeltbad beschermt tegen de invloeden van de lucht. Bovendien kunnen
hiermee de mechanische eigenschappen van de las worden beïnvloed. De
stroomsterktes bij onderpoederlassen kunnen heel hoog oplopen waardoor er een
dikke draad gebruikt kan worden en de neersmeltsnelheid erg hoog komt te
liggen. Overigens gebruikt men meestel draaddiamaters van 2,4 ,3,2 en 4 mm.
Door het gebruik van poeder kan er helaas maar in enkele posities gelast
worden, namelijk horizontaal onder de hand, een staande hoeklas en horizontaal
uit de zij. Naast het lassen met 1 draad zijn er veel verschillende varianten,
onder andere met 2 of meer draden (twin, tandem, drie-draads... ) met een strip
(0,5 mm dik en 30-120 mm breed voor het oplassen van een cladlaag
· Het
onder elektrische spanning brengen van de draad door één van de uiteinden ervan
door een sleepcontact te doen glijden. Dit contact is verbonden met één pool
van de stroombron. De andere pool is verbonden met het te lassen werkstuk.
· Het
uitstrooien van het poeder, rond het einde van de draad, van een bepaalde laag
laspoeder opgeslagen in een trechter.
· Het
afrollen, met een welbepaalde snelheid van de draad, door middel van
aandrijfwieltjes, om aldus bij contact met het te lassen werkstuk een
elektrische boog te doen ontstaan.
· Na
het ontstaan van de boog en het smelten van het uiteinde van de draad en van
het omringende laspoeder, gebeurt het afrollen van de draad met dezelfde
snelheid als deze van het afsmelten zodat een stabiele boog in stand gehouden
wordt.
Zoals de
naam al doet vermoeden wordt er bij plasmalassen gebruikgemaakt van een plasma.
Het plasma wordt gevormd door een hoog spanningsverschil te creëren tussen een
wolframelektrode en het werkstuk, hier langs wordt een gas gevoerd. Door het
spanningsverschil wordt het gas elektrisch geleidend en ontstaat er een boog
tussen elektrode en werkstuk. De boog moet beschermd worden tegen de invloeden
van buiten af, dit gebeurt door een beschermgas.
De verschillende
types plasma-lassen zijn:
· Microplasmalassen,
tot 15 A. Voor het lassen van zeer dunne plaat en dunne draden (vanaf 0,1 mm)
· Melt-in
plasmalassen, 15 tot 200 A. Gelijkwaardig aan het TIG lassen, maar een
stabielere boog, diepere inbranding.
· Keyhole
plasmalassen, boven 100 A. Zorgt voor een grote en diepe inbranding en een hoge
lassnelheid.
Bij het
exothermisch lassen wordt gebruikgemaakt van een zeer snel verlopende chemische
reactie, waarbij veel warmte vrijkomt. Hierdoor worden de te verbinden delen
bij de naad vloeibaar, terwijl er tegelijkertijd met een gietkroes vloeibaar
materiaal toegevoegd wordt. Het thermisch lassen wordt onder andere gebruikt
voor het aan elkaar lassen van spoorstaven en het verbinden van koperen draden.
Bij dit laatste proces wordt de warmte opgewekt doordat aluminium koper
reduceert, waarbij veel energie vrijkomt, en het koper vloeibaar wordt. Een
ander proces is de reductie van aluminium door ijzer, de thermietreactie:
Fe2O3(s) +
2Al(s) → Al2O3(s) + 2Fe(s);
ΔH = -851.5 kJ/mol.
Druklassen
is historisch gezien de eerste vorm van lassen, het vindt zijn oorsprong in het
smidsvuur. Wellen of smeden genaamd. Het door hitte in een deegachtige toestand
gebrachte metaal wordt vervolgens onder druk van hamerslagen aan elkaar gelast.
Men onderscheid kouddruklassen en warmdruklassen. Bij kouddruklassen worden
werkstukken zonder toevoeging van warmte, dus allen onder invloed van (zeer
grote) druk aan elkaar gelast. Overigens wordt dit procedé tegenwoordig als
verouderd beschouwd en hierdoor wordt steeds minder vaak toegepast. Verder
worden verschillende warmdruklassentechnieken beschreven.
Explosielassen
is een uitermate gewelddadig proces dat alleen door gespecialiseerde bedrijven
kan worden uitgevoerd. Met explosielassen, ook wel schokgolflassen genoemd,
kunnen (zeer) ongelijksoortige metalen toch tot een volkomen intermetallische
verbinding komen. Het wordt voornamelijk gebruikt om twee platen van
verschillende materialen, zoals staal en aluminium, op elkaar te lassen. De
twee platen worden met een bepaalde tussenruimte op elkaar gelegd en op de
bovenste plaat wordt een explosieve laag aangebracht. Als deze lading tot
ontploffen komt, worden de platen door de eenmalige schokgolf onder extreme
druk met elkaar verbonden. Bij dit proces speelt smelthitte geen
noemenswaardige rol. Bij explosielassen is de las zo sterk als de zwakste van
de gebruikte onderdelen.
Stiftlassen
wordt vooral gebruikt om kleine bouten, stukken rond of andere kleine dingen op
een plaat te bevestigen. De te lassen stift wordt in een pistool gebracht en
bij het inschakelen van de machine wordt er kortstondig een elektrische boog
tussen de stift en het materiaal getrokken. Als het materiaal en de stift zijn
gesmolten wordt de stift met grote kracht het materiaal in geschoten. Door de
aanwezigheid van een elektrische boog en een smeltbad hoort stiftlassen
eigenlijk bij zowel druklassen als smeltlassen.
Weerstandlassen
van vandaag de dag wordt met machines en elektriciteit gedaan. De warmte die
nodig is om het materiaal in deegachtige toestand te brengen wordt verkregen
door de weerstand die ontstaat op de overgang tussen de te lassen delen door er
een zeer hoge stroom doorheen te jagen. Deze stroom overschrijdt de weerstand
van het materiaal waardoor het smelt. Als het materiaal in deegachtige toestand
is wordt er druk uitgeoefend op de lasplaats waardoor er een lasverbinding
ontstaat. De lasspanning bij dit proces is slechts enkele Volt maar de
stroomsterkte kan oplopen tot 20.000 ampère.
Belangrijke
parameters bij het weerstandlassen zijn elektrodedruk/tijd/stroom en de
elektrodegeometrie.
Het vlak op
de elektroden waartussen het materiaal wordt ingeklemd moet een zekere radius
hebben. Hierdoor wordt oa.de lasdiameter bepaald.
Puntlassen
is tegenwoordig het meest voorkomende weerstandlasproces. Het vindt zijn
toepassing onder andere bij het maken van overlapverbindingen in dunne plaat.
Vooral de automobielindustrie maakt er op grote schaal gebruik van. De te
verbinden delen worden tussen twee koperen elektrodes geleid waardoor een hoge
stroom gaat lopen en tegelijkertijd worden de elektroden onder druk gezet
waardoor een lasverbinding ontstaat. De elektroden zijn de belangrijkste delen
van een puntlasmachine, deze moeten zo weinig mogelijk weerstand bieden aan de
lasstroom en bestand zijn tegen de krachten die erop komen te staan. Daarom
wordt er meestal gekozen voor koper/chroom legeringen daar dit een compromis
levert tussen een lage soortelijke weerstand en hoge sterkte tegen vervorming
die kan ontstaan door warmte en druk. Vanwege de hoge temperaturen die bij het
proces vrij komen worden de elektroden meestal inwendig gekoeld met vloeistof
(meestal met gewoon water).
Rolnaadlassen
is te vergelijken met puntlassen, alleen worden de puntvormige elektroden
vervangen door koperen rollen. Deze worden aangedreven door een elektromotor
met vertraging waarvan de snelheid nauwkeurig in te stellen is. Door druk en
een pulserende stroom door de rollen te sturen kan worden gelast. Door de
snelheid in combinatie met het aantal laspulsen per tijdseenheid nauwkeurig in
te stellen kunnen veel lasvormen ingesteld worden. Denk hierbij bijvoorbeeld
aan brandstoftanks van auto's. Vanwege de gewenste vloeistofdichtheid moeten de
lassen elkaar overlappen. Ook kunnen, door anders in te stellen, (punt)lassen
met een regelmatige afstand ten opzichte van elkaar worden gelegd.
Projectielassen
is ook een vorm van weerstandlassen met het verschil dat er op de te lassen
delen een kraagje is aangebracht. Deze verdikkingen zitten op de lasplaatsen en
vormen een soort toevoegmateriaal. Na het indrukken door de machine in
combinatie met een hoge lasstroom zijn deze verdikkingen geheel opgegaan in de
las. Dit proces wordt onder andere veel toegepast in de automobielindustrie,
bijvoorbeeld de op het plaatwerk gelaste moeren, onder andere te zien onder de
motorkap van een auto.
Bij
drukstuiklassen worden de twee voorwerpen met elkaar in contact gebracht. Men
laat een elektrische stroom door de twee voorwerpen lopen. Deze zorgt voor een
temperatuursverhoging in het contactvlak tussen de twee voorwerpen, zodat het
metaal in het contactvlak smelt. De twee stukken worden dan met grote kracht
tegen elkaar geduwd, zodat de twee voorwerpen aan elkaar verbonden worden. Deze
methode wordt minder gebruikt dan het afbrandstuiklassen, omdat de kwaliteit
(vooral in vermoeiing) lager is en bij dit proces een goede
oppervlaktekwaliteit vereist is.
Dit proces
is speciaal ontwikkeld voor het aan elkaar lassen van stukken rond, vierkant en
profielen. Afbrandstuiklassen wordt ook toegepast in productielijnen in
staalfabrieken om rollen staal aan elkaar te lassen als ze in bijvoorbeeld een
beitserij worden gevoed. De te lassen delen worden na het inschakelen van de
stroom afwisselend van en naar (of alleen naar)elkaar toegebracht, waardoor er
bij aanraking kortsluiting ontstaat en vlak voor de aanraking een vlamboog. Dit
veroorzaakt de hitte die nodig is om de te lassen delen in deegachtige toestand
te brengen. Als de aanrakingsvlakken in de juiste toestand zijn worden ze met
grote kracht op elkaar gedrukt waarna de lasverbinding ontstaat. Door dit
aandrukken ontstaat een uitstulping aan de buitenzijden van de las die evt kan
worden afgeschaafd (in geval van productielijnen in staalfabrieken). Bijkomend
voordeel is dat in principe geen schermgas hoeft te worden gebruikt omdat
eventuele oxides tijdens het stuiken naar buiten worden gedrukt. Bij
afbrandstuiklassen wordt in de praktijk vaak gewoon aardgas gebruikt dat
tijdens het lassen ontbrand en zo alle zuurstof verbruikt. Bijkomend voordeel hierbij
is dat het procesvenster wordt vergroot, dwz dat er minder ver hoeft te worden
getuikt om toch een goede oxidevrije verbinding te krijgen. Zo kunnen hardere
staalsoorten of dikkere plaat toch worden gelast.
Laserlassen
is een lasproces dat vooral wordt toegepast in de automobielindustrie.
Industriele lasers hebben doorgaans een uitgaand vermogen -in de vorm van
infrarood licht- dat ligt tussen de 2 en 10 kW. Dit vermogen wordt via optieken
(lenzen en spiegels) gefocusseerd tot een laserspot van ongeveer een halve
millimeter doorsnee. De energiedichtheid is zo hoog dat dit proces uitstekend
geschikt is om grote penetratiedieptes te bereiken en toch zeer hoge
voortloopsnelheden kan behalen. Voor een 2 mm dikke plaat staal waarbij gebruik
wordt gemaakt van een 6 kW laser kan de lassnelheid oplopen tot zo'n 5 meter
per minuut. Bij laserlassen ontstaat -indien het plaatmateriaal betreft- een
gaatje dat meeloopt met de laser en zich continue sluit achter de spot. Deze
manier van lassen wordt keyhole lassen genoemd. Een ander groot voordeel van
laserlassen is dat ondanks de hoge energiedichtheid toch met een relatief lage
warmte-inbreng wordt gelast. Dat komt doordat de las zeer smal is en door de
hoge energiedichtheid zeer snel. Slechts een kleine hoeveelheid metaal wordt
hierdoor gesmolten. Dit biedt grote voordelen wanneer het aankomt op het lassen
van zogenaamde hoge sterkte vervormingstalen zoals Dual Phase en TRIP staal
omdat de warmte-beinvloede zone veel kleiner is en daardoor de kristalstruktuur
zo min mogelijk wordt verstoord. Ook wordt veel minder spanning in de plaat
gebracht waardoor minder vervorming optreedt na het lassen. Verder heeft
laserlassen in carosserieën van auto's het voordeel dat de auto stijver wordt
omdat een laserlas platen staal over een lijn met elkaar verbind in plaats van
op punten zoals bij puntlassen.
Volkswagen
heeft in zijn fabrieken grote aantallen laserlasstations (> 200). Omdat dit
een grote investering betekent, volgen andere autofabrikanten mondjesmaat.
Laserlassen worden in Nederland vooral toegepast bij Corus in IJmuiden bij de
productie van staal. In beitsbaan 22 worden rollen staal aan elkaar verbonden
alvorens deze worden gevoed in de productielijn. Corus Hyfo gebruikt een laserlasmachine
voor de productie van buizen. Er wordt verder veel onderzoek gedaan naar
laserlassen bij Corus Research development and technology in IJmuiden en aan de
universiteiten van Twente en Delft. Lasersnijden is inmiddels de meest
gebruikte techniek voor het snijden van vormen uit plaat in Nederland.
Diffusielassen
wordt weinig toegepast en is zo genoemd, omdat door de toenemende temperatuur
de moleculen naar open plaatsen gaan (diffunderen) en zo de holten en poriën
opvullen. Dit gebeurt voornamelijk op het grensvlak.
De te
lassen delen moeten na een mechanische voorbewerking zeer schoon gemaakt en
onder druk in een inerte of vacuümomgeving tegen elkaar gehouden worden.
Door alle
technologische ontwikkelingen binnen de laswereld zijn er inmiddels een enorm
groot aantal materialen te lassen. Staal is wel de meest gebruikte maar ook
roestvast staal en non-ferro metalen (zoals aluminium) en zelfs sommige
kunststoffen zijn uitstekend lasbaar. Wel vereisen sommige materialen speciale
voorzorgsmaatregelen, bijvoorbeeld voorverwarmen, speciaal toevoegmateriaal of
een warmtebehandeling achteraf. Ook zijn lang niet alle lasprocessen bruikbaar
voor alle materialen.
De laatste
decennia is het accent van ontwikkelingen in de laswereld vooral komen te
liggen op kwaliteitsverhoging. Dit kan gebeuren door het ontwikkelen van specifieke
lasprocessen, maar gebeurt vooral door het optimaliseren van de bestaande
processen en de opleiding van lassers. Kwaliteitscontrole van lassen gebeurt
vaak d.m.v. röntgenonderzoek of bijvoorbeeld met ultrasone apparatuur. Er zijn
nog vele andere onderzoeksmethoden. Zij hebben alle tot doel naar het inwendige
van de las te kijken. Dit noemt men niet destructief onderzoek (ndo). In die
gevallen waar ndo niet toepasbaar is wordt ook wel destructief onderzoek
gebruikt. Men last dan bijvoorbeeld proefstroken mee waar dan
buigproeven/trekproeven enz. van kunnen worden gemaakt.
De eisen
die aan een lasverbinding worden gesteld zijn een direct gevolg van de functie
van de construcite waar zij in zitten. Het streven is dan ook de
lasverbindingen aan deze eisen te laten voldoen. Echter moet men ook altijd
rekening houden met fouten die in de lasverbinding voor kunnen komen.
Lasonvolkomenheden volgens NEN-ISO 6520
1. Scheuren
1. langsscheuren
2. dwarsscheuren
3. radiaalscheuren
4. kraterscheuren
5. groep
van scheuren
2. Holten
1. gasholten
2. krimpholten
3. Vaste
insluitsels
1. slakinsluitsel
2. poederinsluitsel
3. oxide-insluitsel
4. metaalinsluitsel
4. Bindingsfouten
en onvolkomen doorlassing
1. bindingsfout
2. onvoldoende
doorlassing
5. Geometrische
afwijking
1. inkarteling
2. te
bolle sluitlaag bij stompe lassen
3. te
bolle hoeklas
4. te
zware doorlassing
5. ongunstige
overgang tussen plaatoppervlak en sluitlaag
6. overblousing
7. hoogteverschillen
tussen te lassen delen
8. uitlijnigheid
tussen de te lassen delen
9. uitgezakte
laslaag
10. gerepareerde
doorbrandingen
11. onvoldoende
gevulde sluitlaag
12. afgezakte
hoeklas
13. las
met onregelmatige breedte
14. onregelmatig
lasoppervlak
15. krimpgroef
in het doorgelaste materiaal
16. oppervlakte
poreusheid
17. foutive
aanhechting
6. Overige
onvolkomenheden
1. aantikplaats
2. lasspatten
3. beschadigingen
door verwijderen hechtplaten
4. beschadigingen
door slijpen
5. beschadigingen
door hakken
6. diktevermindering
door overmatig slijpen
Een scheur
is een plaats in het de constructie waar het materiaal uiteengetrokken is.
Scheuren in een constructie zijn zeer gevaarlijk en als deze in een
lasverbinding geconstateerd worden moet de verbinding ook altijd afgekeurd
worden. Eventueel kan de scheur gerepareerd worden d.m.v. gutsen, autogeen
branden of slijpen, waarna de lasverbinding opnieuw tot stand kan worden
gebracht.
Scheuren
zijn er in veel verschillende soorten en maten en kunnen ook veel verschillende
oorzaken hebben:
Deze
scheuren worden ook wel h/b scheuren genoemd. H/b staat dan voor hoogte/breedte
en slaat op de verhouding tussen de hoogte en de breedte, daar deze scheuren
meestal voorkomen bij lasverbindingen waar de hoogte groter is dan de breedte.
De scheur ontstaat door dat de las, door de grote v/d las langzaam van buiten
naar binnen stolt en omdat de eventuele aanwezige verontreinigingen een lager
smeltpunt hebben als het lasmateriaal worden deze naar binnen gedrongen. Als
alle verontreinigingen in het midden opgehoopt zitten is dit een zwak punt
geworden in de lasverbinding en kan de las ofwel door krimpspanning ofwel door
belasting van de constructie gaan inscheuren.
dit type scheuren treedt op in harde metaallegeringen, wanneer er door het
lassen veel waterstof (H) in de las opgenomen werd. Samen met trekspanningen
ontstaan hierdoor scheuren, soms tot 48u na het lassen. Het proces van de
scheurvorming is niet goed bekend, maar verondersteld wordt dat de waterstof
diffundeert naar insluitsels en poriën, daar waterstofgas, H2 vormt en zo tot
zeer hoge drukken leidt. Het gevaar op dit type scheuren kan beperkt worden
door lastoevoegmateriaal met weinig waterstof te gebruiken, niet op vette en
vuile oppervlaktes te lassen en het materiaal na te gloeien
Spanningsvrijgloeischeuren
deze intergranulaire scheuren ontstaan door de warmtebehandeling. Hierdoor
treden carbide-precipitatie op, waardoor het inwendige van de korrels versterkt
wordt. Verder segregeren onzuiverheden (S, P, Sn, As) naar de korrelgrenzen,
zodat deze verzwakken. De meeste vervorming treedt nu op langs die (verzwakte)
grenzen, zodat daar scheuren ontstaan.
Lamellaire scheuren
deze ontstaan bij de aanwezigheid van niet-metallische insluitsels in het
lasmetaal. Deze insluitels zijn ontstaan in de staalfabriek, tijdens het gieten
is er een veronreiniging in het staal terecht gekomen. Als het gegoten blok dan
wordt uitgewalst tot plaat wordt de verontreiging er tevens uitgewalst. En
misschien was de verontreiniging nog acceptabel in blokvorm als hij uitgewalst
is is dit totaal onacceptabel. Als er namelijk een lasverbinding ter hoogte van
de verontreiniging geplaatst wordt zal door de krimpspanning de verontreiniging
splijten en inscheuren. Met de huidige techniek van het continu-gietproces
komen deze verontreinigingen en dus deze scheuren haast niet meer voor.
Holten
kunnen
ontstaan door een aantal oorzaken, waarvan er een aantal op elk lasproces van
toepassing zijn en een aantal specifiek voor een bepaald lasproces zijn. De
oorzaken die op elk proces van toepassing zijn hebben voornamelijk te maken met
verontreinigde naadflanken. Deze verontreingingen kunnen zijn: verf, vuil,
vocht, roest, vet, enz. Bij booglassen met beklede elektrode zijn de oorzaken
meestal een onjuiste elektrodestand, een vochtige elektrode of plaatselijke
gasholten door start of herstart. Bij MIG/MAG lassen zijn de oorzaken vrij talrijk;
dit proces is vele malen gevoeliger voor gasholten dan BMBE lassen. Onder de
oorzaken behoren: onvoldoende gasbescherming (door bijvoorbeeld een onjuiste
instelling, wind of een onjuiste stand van het laspistool), verkeerde gas/draad
combinatie, een vervuild, excentrisch of te heet gasmondstuk. De oorzaken voor
het TIG lassen zijn vrijwel gelijk aan die van het MIG/MAG lassen.
Vaste insluitsels
Een
slakinsluitsel ontstaat door het niet goed wegbikken van de slak van een vorige
laag bij lassen die uit meerdere lagen bestaan, maar kan ook ontstaan door
verkeerde handelingen van de lasser tijdens het lassen.
Een
poederinsluitsel komt alleen voor bij onderpoederlassen en wordt veroorzaakt
door een te grote hoeveelheid poeder op de boog of door het niet goed
verwijderen van poeder alvorens aan een volgende laag te beginnen.
Metaalinsluitsels
ontstaan doordat er metalen in het smeltbad aanwezig zijn die niet meegesmolten
worden. Deze metalen zijn onder andere koper en wolfraam en kunnen in het
smeltbad terecht komen door het afbreken van de TIG-laselektrode of vanaf de
koperen smeltbadondersteuning.
Bindingsfouten en onvolkomen doorlassing
Een
bindingsfout, ook wel plakfout genoemd is, evenals een scheur, een zeer
ernstige onvolkomenheid en dient ook altijd afgekeurd te worden. De fout
ontstaat doordat er vloeibaar materiaal in aanraking komt met niet-gesmolten
materiaal i.p.v. dat al het materiaal gesmolten wordt. De bindingsfout fungeert
als beginnende scheur en kan onder spanning verder scheuren. De bindingsfout is
ook zeer moeilijk te constateren d.m.v. lasonderzoek en wordt daardoor vaak als
ernstiger gezien dan een scheur.
Deze fout
komt aleen voor bij stompelassen en houdt in dat de grondlaag van de las niet
ver genoeg door de vooropening heen komt. Dus uiteindelijk wordt de lasnaad
niet volledig gevuld. Dit kan voorkomen als de voorbewerking niet goed
uitgevoerd is; een te geringe vooropening, ongelijkheid in de laskanten,
onvoldoende boogenergie of onervarenheid van de lasser.
Geometrische
fouten zijn alle fouten die betrekking hebben op de geometrie: de vorm van de
las. Ze worden vaak veroorzaakt door een onjuiste instelling van de lasstroom
of een verkeerde stand van de elektrode.
Inkartelingen
ontstaan als er materiaal wordt weggesmolten en vervolgens niet opgevuld met
toevoegmateriaal. Oorzaken hiervan zijn een te hoge stroom-instelling of een
verkeerde stand van de elektrode/het laspistool.
In verband
met het gunstig laten verlopen van de krachtlijnen door de lasverbinding moet
de las een vloeiend verloop hebben, d.w.z. geen scherpe hoeken. Zijn er toch
scherpe hoeken aanwezig in de lasverbinding dan zullen de krachtlijnen hier
bijeen komen en een grote spanning veroorzaken waardoor de kans op scheuren
ernstig vergroot wordt.
Overblousing
wordt tevens veroorzaakt door een te hoge stroom of verkeerde stand van het
laspistool/de elektrode. Het houdt in dat een las overmatig gevuld is waardoor
de sluitlaag is gaan overhangen. Het komt meestal voor bij lassen die in
postitie gemaakt zijn.
· hoogteverschillen
tussen te lassen delen
· uitlijnigheid
tussen de te lassen delen
Deze fouten
worden beiden tijdens de voorbewerking al gemaakt. Als de lasser dit
constateert voordat hij begint met lassen moet hij de laswerkzaamheden
uitstellen om de fouten te laten corrigeren.
Een hoeklas
moet altijd in het midden van de hoek liggen d.w.z. bij een dwarsdoorsnede moet
de lijn vanuit de hoek van de lasnaad naar het midden van het oppervlak van de
las 45° maken. Bij een afgezakte hoeklas is deze hoek kleiner en ligt de
hoeklas dus te ver naar beneden.
De fouten
uit deze groep kunnen voorkomen worden door de nabewerking juist uit te voeren.
Onder aantikplaats wordt verstaan het punt waar bij BMBE-lassen de elektrode
tot ontbranding is gebracht. Doordat er op dat punt een kortsluiting plaats
vindt kan het materiaal hierdoor beschadigen. Een simpele oplossing is het punt
licht te slijpen. Lasspatten moetten te allen tijde verwijderd worden, indien
een constructie na montage geverfd wordt zal de verf niet goed hechten als er
nog lasspatten aanwezig zijn. De overige fouten uit deze groep worden voorkomen
door tijdens de nabewerking voorzichtig te werk te gaan en goed op de eisen te
letten.
Vooral de
kwaliteit van lastoevoegmaterialen is enorm toegenomen. De fabrikanten hebben
het fabricage proces verbeterd en hebben betere toevoegmaterialen ontwikkeld
ook het totale aanbod is flink vergroot, waardoor er voor meer materialen
specifieke toevoegmaterialen zijn. De kwaliteit van de toevoegmaterialen zit
vooral in de bekleding van een elektrode, de vulling van een lasdraad of het
poeder voor onder poederdek lassen. Door te experimenteren met andere
fluxmengsels werden andere resultaten gehaald met lassen. Ook metallurgisch
gezien heeft men het productieproces van zowel lasdraad als ruw materiaal
tegenwoordig zeer goed in de hand. Hierdoor ontstaat een hogere
kwaliteitsborging.
Bij het
lassen is, zoals bij ieder ander productieproces, de veiligheid van groot
belang. De gloeiende metaalspetters kunnen brandplekken geven. Daarom zijn
lange handschoenen en eventueel een beschermend schort nodig. Ook mag er geen
brandbaar materiaal in de omgeving liggen. De vlamboog geeft een zeer fel licht
af, met vooral schadelijke UV-stralen. Een laskap met een donker glaasje
beschermt de ogen en het gezicht. Er komen ook schadelijke gassen vrij (onder
andere ozon), het heeft daarom de voorkeur dat er geforceerde ventilatie is
(dat de lucht wordt weggezogen).
Linken