Een tentoonstelling over de geschiedenis van de jaarmarkt te Sint-Lievens-Houtem
Erfgoed - Jaren markt
Op 11 en 12 November 2004 organiseerde de gemeente Sint-Lievens-Houtem haar jaarlijkse Land- en Tuinbouwdagen, beter bekend als "Joarmert Outem", een volksfeest dat in Vlaanderen zijn gelijke niet kent. De unieke combinatie van kramen, dieren, landbouwwerktuigen en kermisattracties op en rond het uitgestrekte marktplein lokt eik jaar opnieuw duizenden bezoekers. Wat de jaarmarkt pas echt bijzonder maakt, is de typische sfeer die er dan heerst. Er wordt gelachen en gezongen; gegeten en gedronken; geroepen en geschreeuwd; gekibbeld en afgedongen, enz. De geuren, de geluiden, de ambiance, de mensen en de dieren, dat alles is jaarmarkt Houtem.
Van 6 tot 14 November werd het eeuwenoude feest vereerd met een heuse overzichtstentoonstelling, ingericht in het Cultureel Centrum De Fabriek. Langs een weg bezaaid met historische documenten, een prachtige fotoreeks, een kortfilm, interviews en een collectie van oude markt- en landbouwattributen kom je meer te weten over de rijke geschiedenis van jaarmarkt Houtem.
Middeleeuwse oorsprong?
De Houtemse jaarmarkt vindt zijn oorsprong in de verering van de Heilige Livinus. In het zog van de jaarlijkse bedevaart naar het graf van deze heilige ontwikkelde zich een bloeiende handel. Marktkramers en veehandelaars profiteerden van de massale toestroom der bedevaarders om hun koopwaar en dieren aan de man te brengen. De datering van het ontstaan van de bedevaarttraditie en dus ook van de jaarmarkt levert echter een aantal problemen. Knelpunt hierbij vormt de authenticiteit van de Heilige Livinus en zijn levensverhaal.
Volgens de heiligenlegende was Livinus een Ierse bisschop die in het midden van de zevende eeuw onze gewesten kwam kerstenen. Tijdens zijn missioneringopdracht verrichtte hij tal van wonderen, hetgeen behalve sympathie en bewondering ook nijd en afgunst opwekte. Zo kwam het dat Livinus op 12 November 657 op brutale wijze werd vermoord te Sint-Lievens-Esse en uiteindelijk in Sint-Lievens-Houtem zijn laatste rustplaats vond.
Indien we, steunend op de dateringen in de legende, de wortels van de begankenis en de volksdevotie rond Livinus in de tweede helft van de zevende eeuw situeren, dan komen we tot de vaststelling van een meer dan 1000 jaar oude jaarmarkt. Maar bronkritisch en (literatuur) historisch onderzoek heeft aangetoond dat Livinus waarschijnlijk nooit heeft bestaan. Verwikkeld in een concurrentiele reliekenstrijd met de Sint-Pietersabdij zouden de monniken van Sint-Baafs de figuur van de Heilige Livinus in het leven hebben geroepen. Hierbij speelden ook economische motieven. Heiligen waren de middeleeuwse versies van de hedendaagse idolen; er was heel wat commercie mee gemoeid. Zo zal de cultus rond Livinus met de bijhorende bedevaarten en markten aardig wat geld in het laatje van de Bavelingen hebben gebracht. Tenslotte dient nog gezegd dat Livinus mogelijk niet zomaar werd verzonnen: bij de constructie van de levensgeschiedenis van de vrome martelaar baseerde men zich op gegevens uit de vita van Lebuïnus, een echte heilige uit Deventer. De falsificatie door Sint-Baafs kwam pas tot stand rond het midden van de elfde eeuw. Hoelang het heeft geduurd vooraleer Livinus onderwerp werd van een ware volksdevotie is onduidelijk. Naar onze mening kon de processie op 12 November (sterfdatum Livinus) reeds in de twaalfde eeuw op een massa bedevaarders rekenen. Op basis van dit vermoeden wagen wij ons aan een
Toltarieven op de jaarmarkt (oorkonde uit 1339).
schatting om de embryonale fase van de winterjaarmarkt in Sint-Lievens-Houtem ongeveer. 900 jaar geleden te situeren.
Officiële inrichting?
In het middeleeuwse Vlaanderen werd het recht tot het houden van een jaarmarkt verleend door de Vlaamse graaf of de Bourgondische hertog. Het bestaan van een stichtingsoorkonde voor de jaarmarkt van Sint-Lievens-Houtem is ons niet bekend. Toch leefde hier ongeveer honderd jaar geleden de overtuiging dat de beide jaarmarkten van Sint-Lievens-Houtem officieel werden ingesteld door een Bourgondische hertog. In een brief van 31 juli 1906 vraagt de gemeenteraad aan de dorpspastoor om - ter gelegenheid van de Jubelfeesten in 1907- een historische stoet in te richten, waarbij ook de "officiële inrichting der jaarmarkten van St. Pieter en 12 November door den Hertog van Burgondie" aan bod moest komen.
Eerste historische bronnen
De eerste bronnen die het bewijs leveren van een jaarmarkt in Sint-Lievens-Houtem dateren uit de veertiende eeuw. De jaarmarkt bleek toen reeds zulke proporties te hebben aangenomen dat een zekere reglementering noodzakelijk was. Dit resulteerde in de vaststelling van de toltarieven door de schepenen van Gent. in een oorkonde uit 1339 bepaalden zij de tol die zowel koper als verkoper aan de kerk van Sint-Lievens-Houtem dienden te betalen. Onder meer dat van elken paerde dat men vercoept, daer af sal men gheven, coeper ende vercoeper, elc twee schellen parasijse".
Verder vernemen we welke diersoorten (paarden, runderen, schapen en varkens) en welke koopwaren (laken stoffen, pelswerk, oude klederen en gevet leder) in die tijd op de markt van Sint-Lievens-Houtem werden verhandeld.
In een cartularium van de Sint-Baafsabdij uit 1395 vinden we een afschrift van de "voerbode van sente lievins houtem". Deze voorgeboden of politieverordeningen moesten de orde op de jaarmarkt bewaren en oneerlijke handel beletten. In feite betreft het dus een eerste jaarmarktregiement, daterend uit het midden van de veertiende eeuw. Er wordt onder andere gestipuleerd dat niemand vuur mag maken in de nabijheid van de huizen op het marktplein ("dat up de plaetse niemen vier-en make up XL voeten naer den huusen") en dat men met juiste maten ("ghereechte mate") moet meten en met juiste gewichten ('gherecht ghewichte") moet wegen. Wie de regels overtreedt, wordt zwaar gestraft ("up de hoegste boete").
Zomerjaarmarkt /vs/ winterjaarmarkt
Zowel de toltarieven als de voorgeboden gaan terug tot de veertiende eeuw. Alleszins werd er toen al een jaarmarkt ingericht in Sint-Lievens-Houtem. Maar op welke jaarmarkt had de reglementering betrekking? De winterjaarmarkt of de zomerjaarmarkt? Of beide?
Bij hun beschrijving van de geschiedenis van Sint-Lievens-Houtem stellen De Potter en Broeckaert dat "de instelling der groote jaarmarkt moet opklimmen tot een ver verwijderd tijdstip, aangezien wij van 't heffen van plaatsgeld reeds gewag vinden op het jaar 1339." Maar is deze argumentering wel correct?
Het is immers zo dat qua belangrijkheid de winterjaarmarkt (de "groote jaarmarkt") zeker tot diep in de zestiende eeuw overschaduwd werd door de zomerjaarmarkt. Met recht kunnen we ons dan ook afvragen of de toltarieven en het jaarmarktreglement uit de veertiende eeuw niet enkel voor de zomermarkt golden en ook speciaal daarvoor waren opgesteld. Indien dit zo zou zijn, dan vervallen eensklaps ook de argumenten die De Potter en Broeckaert aanhalen om de oorsprong van de winterjaarmarkt in een ver verleden te situeren.
Voor zover ons bekend, geeft geen enkele auteur andere historische bronnen aan die klaar en duidelijk melding maken van een middeleeuwse markt op 12 November. Was er in de Middeleeuwen überhaupt wel sprake was van een winterjaarmarkt in Sint-Lievens-Houtem? Is de winterjaarmarkt van Sint-Lievens-Houtem dan toch niet zo oud als algemeen wordt aangenomen?
Dat deze twijfel nog zo gek niet is, zien we bevestigd in de almanak uit 1558 van de Mechelse plantkundige Rembert Dodoens. Op 30 juni vermeldt Dodoens de jaar- en paardenmarkt te Houtem. In November daarentegen zoeken we tevergeefs naar een dergelijke verwijzing. Werd de winterjaarmarkt pas later opgericht? Misschien als één van de vele jaarmarkten in onze streek die in de achttiende eeuw onder Oostenrijks bewind tot stand kwamen?
Een eerste document die onze kritische twijfel kan temperen betreft een procesbundel uit de zeventiende eeuw. In 1634 wordt tegen Charles Everwijn, baljuw van de stad en het land van Aalst, een onderzoek geopend wegens machtsmisbruik en afpersing. Eén van de vele aanklachten heeft betrekking op de twee jaarmarkten te Houtem, "te wetene eene te Martinsmesse ende dandere te Ste Pieters daeghe in junij...". Tijdens deze Houtemse jaarmarkten, die "ghehauden worden tweemael t'sjaers met frequentiën van vele volcx ende tusschen de twee ende drije hondert craemen", zou de baljuw een veel te hoog marktgeld geïnd hebben.
Burgemeester Niclays Gheerts, als getuige opgeroepen, ontkent echter deze beschuldiging en verklaart dat de inning van het marktgeld geschiedde zoals het "van alle aude ende immemorialen tijden also gheuseert es geweest".
Wat leert ons dit processtuk? Ten eerste, dat er in 1634 reeds twee druk bezochte jaarmarkten werden. gehouden in Sint-Lievens-Houtem. Ten tweede blijkt uit het taalgebruik ("van alle aude ende immemorialen tijden") dat ook toen al de installatie van beide markten in een ver, niet nader te bepalen verleden werd geacht. En tenslotte - zoals hieronder zal blijken niet onbelangrijk - dat de winterjaarmarkt in die tijd bekend stond als de jaarmarkt te Sint-Martinsmesse.
Alleszins kunnen we uit het proces van 1634 afleiden,dat de winterjaarmarkt van Sint- Lievens-Houtem - geen achttiende eeuwse creatie is. Een echt bewijs van een middeleeuwse oorsprong of zelfs van zijn bestaan voor 1558, wordt echter ook niet geleverd.
Immers, rekening houdend met de gemiddelde levensverwachting toen, was een periode van tachtig jaar ook al te beschouwen als "sinds immemorialen tijd".
Uitsluitsel geeft ons een rekening van de Sint-Baafsabdij uit het jaar 1446. Deze rekening
bevat de uitgaven van de proost van Sint-Baafs toen deze van Gent naar Sint-Lievens-Houtem trok ter gelegenheid van de bedevaart met "Sint Martinsmesse", d.i. zoals we hoger aanhaalden op 12 November. Onder de koopwaren die werden aangeschaft en betaald vinden we vooral eetwaren, onder andere brood, wijn, azijn, mosterd, saffraan, kaneel, peper, look, eieren, erwten, haring, rogge, tong, kersen, boter, enz. Het is niet duidelijk of deze koopwaren in Gent vóór het vertrek, dan wel of ze in Houtem werden aangekocht. Waarschijnlijk gaat het om een combinatie van beide. Zeker is dat er in de vijf
Overzicht van het marktplein 1930.
tiende eeuw reeds een bedevaart naar Sint-Lievens-Houtem was op 12 November. Dat daarbij ook een markt hoorde, lijkt ons - gezien de gebruiken uit die tijd, - een quasi evidentie. Indien ons vermoeden correct is dat het merendeel van de goederen vermeld in de rekening, aangekocht werd in Sint-Lievens-Houtem, dan mogen we gerust gewagen van een bloeiende markt. Gezien het uiterst gevarieerde pakket aan voedingswaren dat werd aangeboden, moet de winterjaarmarkt ook toen al een grote bekendheid hebben genoten. Komen we dan terug op de kritische invraagstelling van de vroegste historische bronnen. Vanuit de optiek dat er in 1446 waarschijnlijk al sprake was van jaarmarkt in Sint-LievensHoutem op 12 November, zijn we geneigd te geloven dat zowel de toltarieven uit 1339 als het jaarmarktreglement uit de 14de eeuw niet enkel op de zomerjaarmarkt, maar ook wel op de winterjaarmarkt betrekking hadden.
Hoe komt het dan dat de jaarmarkt op 12 November niet werd vermeld in de almanak lijkt ons de volgende : ze was niet belangrijk genoeg! Dodoens nam enkel die markten op met een nationaal prestige (vergeve mij het anachronistische taalgebruik), en de novembermarkt van Sint-Lievens-Houtem was in die tijd slechts van regionaal belang. In de lijn van die redenering kunnen we dan concluderen dat de zomerjaarmarkt - bij Dodoens wel vermeld - een grotere bekendheid genoot en van heinde en verre werd bezocht.
En dat was inderdaad zo. Een anoniem handschrift uit het jaar 1539, getiteld Relation des troubles de Gand, schetst een schilderachtig beeld van de Houtemse zomerjaarmarkt : 'Men vond er allerhande koopwaar op die dag, aangevoerd uit Gent en andere omliggende kwartieren. Op alle hoeken van het dorp kon men eten en drinken, en dan voornamelijk op. het grote en ruime marktplein. Daar stond de voornoemde koopwaar zodanig gesteld dat het leek op een groot slagveld. Verspreid over het dorp zag men muzikanten, de enen spelend op trommels en Duitse fluiten, de anderen op trompetten, doedelzakken of andere instrumenten. Het was echt fantastisch om zien en horen. Sommigen dansten, anderen vermaakten zich op andere manieren, want het merendeel van hen die naar Houtem trokken, deden dit helemaal niet uit devotie, maar omwille van het plezier." De populariteit van de zomerjaarmarkt was nauw verbonden met de Sint-Lievensprocessie der Gentenaars. Bij deze gelegenheid werden de relieken van de Heilige Lieven vanuit het Sint-Baafsdorp naar de kerk van Sint-Lievens-Houtem overgebracht, begeleid door een massa volk. Sommige bronnen spreken zelfs van een derde van de Gentse stadsbevolking! Dat een dergelijke volkstoeloop gepaard ging met een grote jaarmarkt, die qua omvang en uitstraling deze van November ver overtrof, ligt voor de hand. Toch stellen we vast dat heden ten dage net het omgekeerde het geval is.
De Heilige Livinus: oorsprong
van de jaarmarkt.
Wanneer is de kentering er gekomen? Wanneer is de balans omgeslagen? Een cruciale datum is 1540, toen keizer Karel in zijn Concessio Carolina de Livinusprocessie van Gent naar Sint-Lievens-Houtem verbood. Dit verbod had natuurlijk ook zijn weerslag óp de markt, die ineens een aanzienlijk aantal bezoekers verloor. Aanvankelijk bleef de zomerjaarmarkt nog de grootste van de twee, getuige de almanak van Dodoens uit 1558. Maar geleidelijk aan zou de winterjaarmarkt aan belang winnen. Uit het hoger geschetste proces anno 1634 blijkt dat beide jaarmarkten toen reeds ongeveer op gelijke voet stonden. De gestage groei van de winterjaarmarkt bleef zich doorzetten en vanaf de achttiende eeuw zou de novembermarkt in Sint-LievensHoutem toonaangevend worden voor het Oost-Vlaamse platteland.
Jan Mertens
Historicus