Deze stuk is overgenomen van mijn scriptie ( eindwerkstuk)
WMO ( http://www.minvws.nl/dossiers/wmo-awbz/wmo-en-awbz-in-vogelvlucht/andere-sites-met-wmo-info.asp )
Burgers en professionals krijgen de komende jaren te maken met ingrijpende veranderingen in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en een nieuwe wet voor de maatschappelijke ondersteuning, de voorgenomen Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
De informatie over de Wmo is onder voorbehoud. Het wetsvoorstel is goedgekeurd door de Tweede Kamer. Pas als de Eerste Kamer akkoord gaat, is de Wmo een feit. De beoogde invoeringsdatum is 1 januari 2007.
In 2007 komt er een nieuwe wet, de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De Welzijnswet, de Wet voorzieningen gehandicapten en de huishoudelijke verzorging uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten gaan in de Wmo op. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2007.
4.1.1 Voor alle vragen bij één loket
Op dit moment zijn er nog teveel verschillende regels voor verschillende voorzieningen voor bijvoorbeeld mensen met een beperking en ouderen. Met de Wmo kunnen gemeenten al die regelingen bij één loket onderbrengen. Mensen kunnen er terecht voor informatie, advies en het aanvragen van hulpmiddelen en voorzieningen.
4.1.2 Meedoen aan de samenleving
De Wet maatschappelijke ondersteuning heeft als doel dat iedereen kan deelnemen aan de samenleving. Maar meedoen is niet voor iedereen even vanzelfsprekend. Ouderdom, handicap, sociaal-economische klasse of 'moeilijkheden thuis' kunnen hindernissen opwerpen om volop in de maatschappij te participeren. De Wmo wil mensen in staat stellen om mee te doen. Zodat mensen zichzelf beter kunnen redden.
4.1.3 De gemeente is verantwoordelijk
De gemeente wordt met de Wmo verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning. De gemeente moet er voor zorgen dat iedere burger volwaardig kan deelnemen aan de maatschappij. Daarbij mogen ouderen en mensen met een beperking geen drempels ervaren. Elke gemeente mag zelf bepalen hoe ze de maatschappelijke ondersteuning organiseren. De gemeente kan de dienstverlening beter aanpassen op iemands persoonlijke omstandigheden. De gemeente heeft immers beter zicht op de plaatselijke situatie dan de rijksoverheid. De gemeente weet welke organisaties ingeschakeld kunnen worden en aan welke voorzieningen burgers behoefte hebben.
Volgens wmo kan het individu eerst bij eigen omgeving hulp zoeken. De allochtonen willen dan naar hun kinderen om hulp te vragen. De ouder wordende eerste generatie verwacht veelal dat jongeren, zoals gebruikelijk in het land van herkomst, onvoorwaardelijk voor hen klaar staan. Jongeren willen nog steeds intensief zorgen voor hun ouders, maar stellen grenzen. Zij ondergaan de invloed van de Nederlandse cultuur waarin meer ruimte voor een eigen leven, gezin en ontplooiing in werk als een belangrijke waarden gelden.
- Eigen verantwoordelijkheid
De WMO spreekt over een kwetsbare burger. Vraag: waarom is dit een kwetsbare burger, hij
geldt toch voor iedereen? Ja, dat klopt, maar een kwetsbare burger heeft een extra steuntje in de rug nodig om mee te doen in de maatschappij en zijn plek te vinden. Er wordt gesproken over een inclusief beleid. Dit is een preventief beleid, waarbij voorzieningen worden getroffen die ook de kwetsbare burger in staat stelt zelfstandig deel te nemen aan de maatschappij
- Gelijke zorg voor iedereen
Op dit moment zijn er nog teveel verschillende regels voor verschillende voorzieningen voor mensen met een beperking en ouderen. Met de beoogde Wmo kunnen gemeenten al die regelingen bij één loket onderbrengen. Mensen kunnen er terecht voor informatie, advies en het aanvragen van voorzieningen. Dat is overzichtelijker en klantvriendelijker. Aan het loket kunnen mensen straks terecht voorzieningen uit de huidige Welzijnswet, de Wet voorzieningen gehandicapten en de huishoudelijke verzorging die straks onder werking van de Wmo komen.
Maar,er staat nergens in hoe de gemeenten de allochtonen zal ondersteunen bij de bovengenoemde loketten.
“Gemiddeld hebben allochtonen in Nederland een slechtere gezondheid dan autochtonen en dus juist veel belang bij een goede OGZ. Daarbij gaat het niet alleen om de juiste gegevens over de gezondheidssituatie en om effectieve methoden om gezondheid te bevorderen en te
beschermen met de WCPV-taken. Maar ook om het betrekken van allochtonen zelf, zowel
bij het ontwikkelen van beleid en activiteiten als bij het uitvoeren ervan (personeelsbeleid).
(GGD Nederland start werkgroep interculturele OGZ ) http://72.14.203.104/search?q=cache:AuhfCldbpnIJ:www.ggd.nl/kennisnet/uploaddb/downl_object.asp%3Fatoom%3D29641%26VolgNr%3D139+allochtonen+en+wmo&hl=nl&gl=nl&ct=clnk&cd=15
4.1.4 Allochtonen moeten actief deelnemen aan maatschappij
Elke gemeente legt voor de invoeringsdatum van de Wmo in een vierjarenplan vast wat zij gaat doen aan maatschappelijke ondersteuning in de gemeente. In dat plan moet staan welke doelen de gemeente wil bereiken en welke activiteiten ze daarvoor ondernemen en hoe ze de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning verzekeren.
Het wetsvoorstel Wmo stelt een belangrijke eis aan dit vierjarenplan: de gemeente is verplicht om de inwoners te betrekken bij het opstellen van het plan. Ook moeten gemeenten advies inwinnen over het plan bij vertegenwoordigers van betrokken belangenorganisaties. Het vierjarenplan moet samen met het advies van belangenorganisaties naar de gemeenteraad worden gestuurd.
Vervolgens moet de gemeente verantwoording afleggen aan haar burgers en de gemeenteraad over de uitvoering van dit vierjarenplan. De burgers zijn immers betrokken bij het opstellen van de plannen. Er komt een handreiking voor lokale belangenbehartigers waarin wordt uitgelegd hoe zij effectief samen met de gemeente het Wmo-beleid kunnen neerzetten.
Allochtonen hebben meestal eigen vereniging die zich beperkt stelt binnen de religieuze en culturele normen. Trouwens zijn een deel van allochtone bevolking helemaal geen lid van een vereniging of belangenbehartigende organisaties. Ze zijn zo goed als geïsoleerd van verenigingsleven. Hoe kunnen de gemeenten de wet- wmo toegankelijke maken voor de allochtone organisaties en allochtone individu?
Om de vrijwillige inzet op pijl te houden schenkt de regering de komende jaren extra aandacht aan het weghalen van belemmeringen in wet- en regelgeving, het verbeteren van ondersteuning voor mantelzorgers en het werven van nieuwe vrijwilligers, vooral onder jongeren en allochtonen.
Hoe denken de gemeenten de allochtonen als vrijwilligers werven zonder sleutelfiguren en met een loket zonder achterbaan?
- Geen plaats binnen WMO voor allochtonen
Cliëntenparticipatie binnen WMO ( http://www.socialealliantie.nl/wmo )
Naast de rechtsbescherming voor de individuele burger hoort cliëntenparticipatie
wezenlijk bij de WMO. Bakker zei daarover in de kamer: “Hoe kan worden
voorkomen dat de link ontbreekt tussen cliëntenraden en de praktijk
van de mensen die aan het loket komen en er soms tegen problemen oplopen
of de praktijk van kleinere doelgroepen die niet direct in cliëntenraden
zijn vertegenwoordigd, zoals daklozen en allochtonen. Hoewel, allochtonen
vormen een heel grote doelgroep, maar zijn moeilijk vertegenwoordigd te krijgen.
Waar allochtonen vaak specifieke wensen hebben, is dat niet vertegenwoordigd
zijn een probleem.”
Uit de Kamer kwam kritiek op het feit dat (organisaties van) allochtonen tot dusver nauwelijks betrokken zijn bij de WMO, alsof zij geen belangrijke inbreng zouden hebben als het gaat om bijvoorbeeld de versterking van de sociale structuur in wijken. Minister Verdonk is nota bene de persoon geweest die Forum heeft gevraagd een advies uit te brengen over de positie van allochtonen in de WMO. (belangrijkste uitkomsten behandeling wetsvoorstel wmo in tweede kamer, januari/februari 2006
4.2 De Witte WMO; enkele kanttekeningen (S. Harchaoui,
voorzitter Raad van Bestuur FORUM)
Januari 2006
FORUM ziet enkele stevige problemen ten aanzien van de WMO. Deze worden ingegeven door de constatering dat de niet de wet zelf als wel de uitvoering ervan een richting dreigt op te gaan waarbij de hoofddoelstelling van de WMO -‘meedoen’- voor een grote doelgroep, namelijk allochtonen die zich in een kwetsbare situatie bevinden, nadelig kan uitwerken.
De WMO richt zich op al diegenen voor wie meedoen geen vanzelfsprekendheid is. Allochtonen maken een groot deel uit van de doelgroep die de WMO voor ogen heeft. In de recente Sociale Staat van Nederland 2005, schat het SCP het aantal mensen met een ‘meedoen’-probleem op ongeveer 2, 25 miljoen. Volgens hetzelfde onderzoek bevinden zich in deze groep zo’n 600.000 allochtonen, een kwart van het totaal. Bestaand beleid en voorzieningen, die zich richten op het meedoen van deze groep allochtonen, zijn tot op heden onvoldoende in staat (geweest) om grootschalige effecten te boeken. Reden dus om als overheid actief aandacht te blijven schenken aan deze doelgroep.
Daar is echter bij de uitvoering van de WMO niet in voorzien. Er is een zestal mechanismen dat ertoe leidt dat de integratiedoelstelling van de Rijksoverheid door de WMO de facto juist doorkruist. Drie daarvan zijn tijdelijk en hebben te maken met het zware invoeringsproces. De andere drie zullen tijdens de uitvoering van de WMO blijven spelen:
Integratie heeft terecht een zeer hoge prioriteit op de maatschappelijke en politiek-bestuurlijke agenda. Ontegenzeggelijk hebben gemeenten de afgelopen jaren grote inspanningen verricht op het integratievraagstuk. Er is veel geïnvesteerd in inburgering, in reïntegratie van allochtonen, in de aanpak van achterstandswijken – vaak met een multiculturele component – en in veel gevallen is gepoogd de communicatie tussen bestuur, ambtenaren en allochtonen (organisaties en individuele burgers) te intensiveren.
Met de WMO is die trend aan het kenteren. Vooruitlopend op de invoering van de WMO valt bij de bestuurlijke en ambtelijke top van de gemeentelijke organisaties – met de nodige uitstralingseffecten naar de uitvoering – nu al een afnemende aandacht te zien voor integratie.
Het is niet zo dat er voor integratie geen ruimte is in de WMO. Met name de prestatievelden 1 (sociale samenhang en leefbaarheid) en 2 (jeugd) zullen in de praktijk een kader bieden voor veel van de gemeentelijke integratieactiviteiten.
De WMO biedt een breed kader. Maar is voor integratie deze breedte voldoende? De afgelopen jaren is meer en meer duidelijk geworden dat een succesvol integratiebeleid verschillende elementen integreert: structurele én culturele integratie; collectieve én individuele aanpak; fysieke, economische en sociale programma’s.
De WWB en het inburgeringbeleid maken geen onderdeel uit van de WMO. Het welzijnsintegratiebeleid en bijvoorbeeld het gemeentelijk jeugdbeleid doen dat wel. Het is niet ondenkbeeldig dat moeizaam tot stand gebrachte integrale aanpakken (bijvoorbeeld rond voortijdig schoolverlaten, of in de wijkaanpak) door de WMO onder druk komen te staan.[1] Dit risico is tot op heden naar onze mening te weinig doordacht en onvoldoende bezien op eventuele consequenties.
In de voor de WMO relevante beleidsnetwerken schitteren allochtonen door afwezigheid. Dat geldt in de eerste plaats voor “allochtone of gemengde organisaties”. Vrijwel geen enkele gemeente acht het relevant om de plaatselijke adviesraden, die zich met het thema integratie bezighouden, te betrekken bij de planvorming rond de WMO. In de tweede plaats zijn allochtonen ook niet aanwezig in de organisaties die in de netwerken wél een rol spelen. Organisaties van aanbieders en vragers van zorgondersteuning zijn doorgaans witte (grijze) organisaties. Ook zijzelf onderschrijven de noodzaak van het vergroten van de toegankelijkheid van een aantal belangenbehartigende organisaties. Op korte termijn lost dit het probleem van agendering van bepaalde onderwerpen echter niet op.
Integratie is weliswaar een thema dat onder prestatieveld 1 & 2 van de WMO aan de orde komt maar dat wil nog niet zeggen dat het bij de uitvoering van de WMO ook belangrijk wordt gevonden. Gemeenten zijn voor de uitvoering namelijk helemaal niet bezig met negen prestatievelden, maar met hooguit vier, zo constateren wij. Centraal in de activiteiten van gemeenten staat prestatieveld 6: individuele verstrekkingen aan mensen met een beperking. Dat is ook logisch, want daar zit vanuit gemeenten bezien het nieuwe beleid en bovendien het grote (financiële) risico.
In het verlengde van prestatieveld 6 zijn gemeenten bezig met prestatieveld 5 (collectieve, preventieve voorzieningen), prestatieveld 4 (het versterken van de civil society) en prestatieveld 3 (het inrichten van een loket). De doelgroep die daarbij vóór op het netvlies staat zijn mensen met beperkingen. Allochtonen zijn niet in zicht.
De WMO stoelt, zoals veel kabinetsbeleid, op het idee van zelfredzame burgers. Daar valt veel voor te zeggen, omdat de klant (patiënt) lange tijd veel te veel als object en niet als subject van zorg is gezien. Het overgrote deel van de allochtone zorgvragers mist echter de vaardigheden die nodig zijn om in het model van de zelfredzame burger te passen. Daardoor mag worden verwacht dat het nu al zorgelijke (en op de lange duur kostbare) ondergebruik van voorzieningen door allochtone zorgvragers in de toekomst nog verder zal toenemen.
Er zijn de afgelopen jaren op landelijk niveau positieve ontwikkelingen te bespeuren geweest met betrekking tot de interculturalisatie van zorg en welzijn. In vrijwel alle gevallen is de overheid hierbij betrokken geweest. Op lokaal niveau, echter is hiervoor vanuit de overheid onvoldoende tot geen aandacht. Gemeenten zijn zich aan het inwerken in een sector waarmee ze nooit te maken hebben gehad. En die sector blijkt een wereld op zich. Het is dan ook niet raar dat specifieke ontwikkelingen als interculturalisatie, die zich voltrekken aan de randen van deze complexe wereld, lokaal vooralsnog buiten beeld blijven. Maar als er lokaal géén interculturalisatiebeleid wordt gevoerd, zal aanbodsvernieuwing niet vanzelf zal plaatsvinden en zullen bestaande drempels blijven bestaan.
Zover wij kunnen waarnemen is er geen sprake van onwil van gemeenten. Veel meer is er sprake van een situatie waarin gemeenten alle zeilen moeten bijzetten om een grote beleidsoperatie door te voeren. In alle drukte raakt het perspectief van integratie daarbij geleidelijk van tafel. Juist in deze hectisch is het zaak dat de Rijksoverheid – de Tweede Kamer voorop – het overzicht houdt en waarborgt dat de WMO voor een van zijn belangrijkste doelgroepen niet verkeerd uitpakt.
Om de kansen, die de WMO wel degelijk biedt, te benutten is nodig dat iedereen zich het belang van het integratieperspectief realiseert en samenwerkt om de kansen te benutten. Dat betekent dat sommige partijen – waaronder de gemeenten – verder zullen moeten kijken. De partijen die samen hun schouders onder dit thema moeten zetten zijn
Tegen deze achtergrond willen we een krachtig beroep op u doen om de staatssecretaris van VWS te bevragen op haar visie omtrent de mogelijke negatieve gevolgen van (het invoeringsproces van) de WMO voor de integratie (‘het meedoen’) van grote groepen allochtonen. Daarbij gaat het wat ons betreft níet om het tegenhouden of zelfs aanpassen van de huidige conceptwettekst. Wat wel nodig is, is dat er vanuit de Rijksoverheid voldoende aandacht wordt geschonken aan het integratie-effect van de WMO. Door bijvoorbeeld gemeenten te stimuleren om de thematiek in hun beleidsplannen WMO te behandelen en wellicht door zélf het voortouw te nemen in het ontwikkelen van instrumenten om in de invoering en uitvoering van de WMO datgene wat is bereikt of wat kan worden bereikt op het terrein van integratie te waarborgen.
S. Harchaoui,
[1] De sturingsfilosofie in de WMO (prestatievelden met meetbare doelstellingen en activiteiten) laat weinig ruimte voor een WMO-overstijgende aanpak.