Gods weg is de beste.....

Altijd!

 

 
 
Adres onbekend
 
Het was in een dichtbevolkte straat van een grote stad.
Een nog jonge postbode zocht een zekere meneer Z.
Het huisnummer was echter onleesbaar geworden en tot tweemaal toe
had hij al ergens aangebeld om te vragen of meneer Z misschien op dat adres woonde.
Nu belde hij aan op het derde adres. Als een mevrouw de deur opent vraagt hij :
"Woont hier misschien meneer Z. ?"
"Zeker", zegt die mevrouw, "'hij woonde hier maar hij is vertrokken."
En vraagt de postbode : "Ook een adres achtergelaten?"
Dan bemoeit ook een buurvrouw zich er mee en die zegt : "Overleden en begraven!"
"
Ja", zegt ook de eerste "overleden en begraven, adres onbekend."
De postbode pakt z'n pen en schrijft zonder verder na te denken achter op de enveloppe ;
"overleden en begraven,  geen adres achtergelaten."
Als de brief onbestelbaar terug komt op het postkantoor en in handen komt
van een hogere ambtenaar, dan vraagt die de jonge postbode :
"Zou jij dan wel een adres hebben achtergelaten wanneer je gestorven en begraven was?"
Eerst begreep de jonge postbode niet wat er vreemd aan was wat hij gedaan had.
Later thuis, toen hij er nog eens over nadacht en vooral toen hij in bed lag,
kwam steeds de vraag bij hem boven :


"
En ik dan, als ik gestorven ben, laat ik dan een adres achter?
Zouden mijn nabestaanden weten waar ik ben?
Wat is mijn adres voor de toekomst?"
Hij moet lang nadenken en na een innerlijke strijd toegeven,
dat ook hij niet kon zeggen ; "daar zal ik zijn als ik gestorven ben."

Dan vouwt hij zijn handen en vraagt:  
"Heer, U weet het, helpt U mij."
Hoe lang hij gebeden had wist hij niet meer maar ineens
was het als hoorde hij een stem die zei :

"Waar IK ben, daar zal Mijn dienaar zijn
."
Op dat ogenblik voelde hij zich rustig worden
en een diepe vrede daalde in hem.
Toen hij de volgende morgen op het postkantoor kwam
en die andere ambtenaar tegen het lijf liep zei hij:
 
"
Nu weet ik wat je gisteren bedoelde en nu weet ik ook mijn toekomstig adres
als ik gestorven en begraven ben."
"Waar mag dat dan wel zijn?" vroeg de ander.
"Bij Jezus".
Hij zei tegen mij : "Waar Ik ben daar zal ook Mijn dienaar zijn."
 
Wat is uw toekomstig adres?
 
 
 

 

Bent u een vreugdebode? 
 
Binnen enkele maanden was Martha volledig bedpatiënt geworden.
Ze was gebonden aan haar eigen huis, haar eigen kamer, haar eigen bed.
Het pittige witharige dametje had eerst heel wat te verwerken.
Het was niet gemakkelijk om opeens helemaal aan de kant te staan.
Maar na veel nadenken over de verandering die in haar leven had plaats gevonden,
nam ze twee belangrijke beslissingen.
Ten eerste besloot ze dat nu de Here deze beproeving op haar weg had geplaatst,
Hij daar een bedoeling mee moest hebben.
Ze wilde dat Hij tot Zijn doel zou komen.
Ze wilde proberen deze beproeving zo te dragen dat het zou zijn tot Zijn eer.
Ze besloot het opgewekt te aanvaarden, blij te dragen
en te trachten ondanks alles een zegen te zijn voor anderen.

Ten tweede was er het probleem hoe ze die lege uren op moest vullen.
Ze moesten niet verkwist worden, maar goed besteed –
en Martha wist hoe ze dat moest doen.
Haar blauwe ogen straalden toen ze tegen een jonge bezoekster zei:
“Als ik dan aan de kant moet staan, dan ben ik dankbaar dat ik met Gods Woord sta!”

Het dierbare, oude boek, dat haar gids geweest was door haar hele leven,
was nu altijd binnen het bereik van haar tere handen.
Ze verheugde zich in de boodschap die daaruit tot haar kwam en borg
dierbare beloften weg in haar hart
om erover na te denken als ze ’s nachts pijn had.

Wat een zegen werd zij voor haar bezoekers!
Als ze weer naar huis gingen, klonken in hun hart de bijbelwoorden na en
nieuwe waarheden over Gods Woord sprak ze tot iedereen die haar bezocht.

Op zekere zondag was ze op haar reis door de bijbel
gekomen aan het veertigste hoofdstuk van Jesaja.
Het wonder van die prachtige dichterlijke woorden vervulden haar geest nog,
toen er een bezoeker werd binnen gelaten.
Het was een jonge man van de kerk. Hij beleed een christen te zijn,
maar hij straalde weinig uit van de blijdschap in de Here.
Hij was altijd cynisch en kritisch  en had de gewoonte alleen
maar te kijken naar de donkere kant van de dingen.
“Niet bepaald een ideale bezoeker voor een bedpatiënt”, dacht Martha.
Toen hij de kamer binnenkwam zuchtte ze en zond in stilte
een gebed op dat ze hem zou mogen helpen..

Zoals gewoonlijk begon hij allerlei nare dingen op te sommen
die er in de afgelopen week gebeurd waren.
Maar plotseling merkte hij dat ze niet echt naar hem luisterde;
ze keek hem wat vreemd aan: “Scheelt er iets aan?” informeerde hij.

Martha glimlachte en met een vonkje humor in haar ogen zei ze:
“O, Fred, ik wou dat je eens kon leren een Sion te zijn!”.
Hij keek haar beteuterd aan. “Een Sion?”vroeg hij.

“Ja een Sion!”weet je wel, uit het veertigste hoofdstuk van Jesaja
– ik heb het net vandaag gelezen:”vreugdebode Sion…..
”Ik wou dat jij mij eens een vreugdeboodschap
bracht als je komt”.

Hij snapte het opeens en met een vuurrode kleur stamelde hij:
”Ja, ik….. ik wou…..ik zou u wel een vreugdeboodschap willen brengen,
als ik er één had, maar ik heb er geen”.
“Nou dan heb ik er één voor jou”, zei ze vrolijk.
Luister maar:”weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord?
Een eeuwig God is de Here, Schepper van de einden der aarde.
Hij wordt noch moede noch mat, Zijn verstand is niet te doorgronden.
Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert Hij sterkte”.
Nou denk je niet dat dat een vreugdeboodschap is?
De jonge man knikte instemmend en ze ging verder:
Fred, dit hoofdstuk begint ermee dat God zegt”Troost, troost Mijn volk….
spreekt tot het hart van Jeruzalem…..” kijk dat zou jij moeten doen, Fred.
Dat zouden alle gelovigen moeten doen – troostvol spreken –
troost brengen aan een ander “.

Ze zweeg even en ging toen verder:
”Ik weet wel zeker dat God deze boodschap
ook voor ons bedoelde en niet alleen maar voor die ene profeet”.

 Toen Fred naar huis reed, brandden de woorden van Jesaja in zijn hart.
Hij nam zich voor door Gods genade een “Sion” te worden.
Hij zou voortaan een vreugdeboodschap brengen in plaats van kommer en kwel.
Hij zou proberen Gods volk te troosten waar hij ook kwam.

 En u? Bent u een Sion? Een vreugdebode?  

 

 

 

Bestaat God wel?


Een man ging naar de kapper om zijn haar en baard te laten knippen.
Ze begonnen te discussiëren en spraken over vele zaken.
Al gauw kwamen ze bij de bekende vraag of God wel bestaat.

De kapper zei: "kijk, ik geloof niet dat God bestaat."
"Waarom zeg je zoiets"? vroeg de man.
"Nou, iemand hoeft alleen maar naar de wereld te kijken en hij zal zien dat
dat God niet bestaat. Als God echt bestaat, zouden daar dan zoveel zieke mensen zijn?
Zouden daar zoveel gehandicapte kinderen zijn? Nee, als Hij echt bestond, zou er geen ellende zijn op de aarde.
 
Ik kan me niet voorstellen dat een God dit allemaal kan toestaan.
De man was even stil maar zei verder niets.
De kapper was inmiddels klaar en de man verliet de zaak.
Onderweg naar huis zag hij een oude man op straat met een heel lang haar en ongetimde baard.
De man ging onmiddellijk weer terug naar de kapperszaak en zei tegen de kapper: "KAPPERS BESTAAN NIET!"
"Maar ik ben toch een kapper en ik sta hier vlak voor je," antwoordde de kapper.
"NEE!" Schreeuwde de cliënt. "Kappers bestaan gewoon niet.
Als zij echt bestonden, zouden er geen mensen meer rond lopen met lang haar en ongetrimde baarden op de wereld."
De kapper antwoordde: "Ach, wij kappers bestaan zeker wel.
Het zijn gewoon de mensen die niet naar ons komen."

"Exact!" ging de man verder. "Dat is het hem nou juist. God bestaat ook zeer zeker wel.
Het zijn juist de mensen die niet naar Hem toe gaan en Hem niet opzoeken.
En daarom is er zoveel ellende op de aarde.

 

 

"Buitengesloten, verwijderd"

Zesenveertig jaren oud is hij, werk, thuis en dakloos.
Hij ligt in een diepe roes te slapen in z'n kartonnen doos,
de vele drank van gisteren heeft z'n uitwerking.
Plots komt hij met een ruk overeind, ruw wakker gemaakt door wéér dat gebeier
van die kerkklokken die de mensen op zondagochtend naar de kerk plegen te roepen.
Hij vloekt grommend en vèrvloekt het hele zooitje dat op z'n zondags uitgedost met Bijbel
en Psalmen/gezangenboek de kerk binnengaat.
Een jonge vrouw, óók op weg naar de kerk, kijkt medelijdend op hem neer en vervolgt zwijgend
haar weg. Weer anderen kijken vol afschuw of gunnen hem geen enkele blik.
Even later is het luiden van de klokken verstomd, het galmt nog na in zijn
door drank benevelde hoofd.
Rillend van de ochtendkou raapt hij z'n spullen op en loopt weg.
In een portiek zit een drinkebroeder en ze delen de overgebleven drank van gisteren,
zoals ze al het weinige dat ze hebben altijd samen delen.
Gedurende de gehele dag dringt zich langzaam de vraag op:
"Wat zouden die mensen daar toch doen in die kerk op zondagochtend?”
Hij besluit het te gaan vragen aan Jacob, een drinkebroeder die ooit "kerks" is geweest.
Jacob vertelde hem:  "Ze komen daar samen om God te ontmoeten, de kerk is Gods Huis!"
Gedurende de gehele week denkt hij na over die woorden. Zou God dan ècht bestaan?

Kordaat besluit hij de volgende zondagochtend eens te gaan kijken in die kerk,
hij wil die God óók wel es ontmoeten.
Nog vóórdat de klokken luiden staat hij gereed om naar binnen te gaan.
De ouderling van dienst, die de mensen in "Zijn Naam" begroet, kijkt hem aan en vraagt:
"Wat kom jij doen?"
Hij antwoordt: "Ik wil naar binnen, ik wil God ontmoeten!"
De neerbuigende blik van de ouderling doet hem ineenschrompelen
en het antwoord van de man is overduidelijk:
"Ga weg, je stinkt naar alcohol." Beschaamd draait hij zich om en loopt weg.
Nee, je kunt met alcohol in je lijf God ook niet ontmoeten, de man heeft gelijk denkt hij.
De volgende zaterdag besluit hij niet te drinken zodat z'n adem niet naar alcohol ruikt
en hij zeker zal worden binnengelaten.
Welgemoed, met heldere blik en niet naar alcohol ruikende adem,
staat hij de volgende zondagochtend gereed om de kerk binnen te gaan.
De ouderling bij de deur beziet hem met afkeurende blik en zegt:
"Ga weg, je bent ongewassen, zo kan je niet naar binnen."
De zondag hierop wordt hij wederom weggestuurd, nu zijn z'n kleren vuil.
De zondag daarna mag hij niet naar binnen omdat zijn schoenen stuk
zijn en de daaropvolgende zondag krijgt hij te horen:
"Je kunt onmogelijk naar binnen, je haren zijn vet
en je zal ook wel geen geld hebben voor de collecte."
Krakend sluiten de zware eikenhouten kerkdeuren zich.

Hij zit totaal ontnuchterd en moedeloos op de stoep van de kerk.
Zijn lichaam schreeuwt en gilt om de dagelijkse portie alcohol. Alles voor niets.
Wanneer laten ze hem nou binnen zodat hij God kan ontmoeten?
Plotseling merkt hij dat er iemand naast hem is gaan zitten!
Een kalme stem vraagt: "Wat is er?"
Zonder op te kijken antwoordt hij:
"Ik probeer al wekenlang binnen te komen in de kerk om God te ontmoeten,
maar ze willen me niet binnenlaten, dan stinkt mijn adem naar alcohol,
dan weer ben ik ongewassen, dan weer zijn
mijn kleren vuil, altijd is er iets, het is om moedeloos van te worden!!!"
"Och", zegt de man naast hem: "Ik mag ook niet naar binnen,
vroeger wel, maar ze hebben me buitengesloten."
Hij kijkt naar opzij, de man naast hem ziet er heel ordentelijk uit,
de blik in z'n ogen is héél vriendelijk en innemend,
verbazingwekkend dat hij niet binnen mag, dat ze hem hebben buitengesloten!
"Waarom mag jij niet naar binnen, waarom hebben ze jou buitengesloten,
je ziet er onberispelijk uit?" vraagt hij de man naast hem.
"Ze zijn het niet eens met mij, ze vinden me te revolutionair,
ik heb teveel mensen zoals jij binnengehaald in de kerk,
ik ben te lankmoedig, daarom hebben ze mij buitengesloten", zegt de man.
"Vertel es?", vraagt hij: "Hoe heet je?"
"Ik Ben Jezus", klinkt het naast hem.
Ze staan samen op en lopen weg om Jacob en al de anderen te gaan zoeken,
hij voelt een arm om z'n schouders, een intens gevoel van geluk doorstroomt hem.

Hij heeft "een Vriend" gevonden.

 

 

 

Dagboek van een Bijbel 

Januari:
Een drukke tijd voor mij: de meeste gezinsleden hebben het besluit
genomen om mij dit jaar wat meer te lezen.
De eerste twee weken ben ik dan ook aardig veel gebruikt, maar daarna
hadden ze zogenaamd geen tijd meer voor mij…..

Februari:
Deze maand was het schoonmaak.
Gisteren hebben ze me afgestoft en weer op m'n plaats teruggezet.
En vorige week heeft m'n eigenaar me een poosje gebruikt, omdat hij een meningsverschil had met zijn buurman en een paar teksten moest opzoeken
om te bewijzen dat hij toch echt gelijk had.

Maart:
De eerste dag van deze maand heb ik het druk gehad; mijn eigenaar werd
voorzitter van een vereniging en hij moest mij wel gebruiken om een toespraak
voor te bereiden.

April:
Opa heeft ons deze maand een paar weken bezocht.
Hij heeft mij elke dag uren op schoot gehad.
Hij schijnt meer met mij op te hebben dan alle anderen van zijn familie.
Ik vond het fijn.

Mei:
Ik heb een paar groene vlekken op mijn bladzijden gekregen.
Ze zijn afkomstig van een paar voorjaarsbloemen, die tussen mijn bladen
te drogen werden gelegd…

Juni:
Ik zie er uit als een verzamelalbum, want men heeft mij volgestopt met krantenknipsels. Een van de meisjes gaat namelijk trouwen.

Juli:
Vandaag stopten ze me in de koffer. Ik denk dat ze op vakantie gaan.
Wat zou ik graag thuis blijven!
Ik weet uit ervaring dat ik minstens twee weken lang in dit donkere ding
opgesloten blijf.

Augustus:
Ik zit nog steeds in de koffer; ze zijn vergeten me er uit te halen.

September:
Eindelijk ben ik weer op mijn oude plekje gezet en ik heb gezelschap gekregen: bovenop mij liggen twee damesbladen, een autokrant en een paar puzzelboekjes
en een stripboek. Ik zou willen dat ik evenveel aftrek vond als zij.

Oktober:
Van de week werd ik een paar keer even ingezien; één van de gezinsleden is
namelijk ernstig ziek. Op dit moment lig ik midden op tafel.
Ik denk dat de dominee zo op bezoek komt.

November:
Ik ben weer op mijn oude plaatsje beland.
Iemand vroeg aan de vrouw des huizes of ik een verzamelalbum was.

December:
Het gezin is volop bezig met de voorbereiding op het kerstfeest.
Straks zal ik wel weer opengeslagen worden bij Lucas 2 en op oudejaarsavond
ergens bij Psalm 90. Maar verder hebben ze geen belangstelling voor mij.
Ik vrees dat de geschiedenis zich na de jaarwisseling herhaalt…

 

 

 

DE LAST

Waarom was mijn last zo zwaar?

Ik smeet de slaapkamerdeur dicht en leunde ertegenaan.
Is er dan helemaal geen rust in dit leven? Zat ik mezelf af te vragen.
Ik stommelde het bed in en gooide mijzelf neer,
het kussen tegen mijn oren duwende om het lawaai
van mijn bestaan uit te sluiten.
"Oh God," huilde ik, "Laat mij toch alstublieft slapen."
Laat me maar voor altijd blijven slapen om nooit meer wakker te worden!"
Met een diepe snik probeerde ik mezelf in onvergetelheid te vinden.
Daarna verwelkomde ik de zwartheid die over me heen kwam.

Licht omringde me toen ik weer bijkwam. Ik vestigde mijn aandacht op de bron:
het figuur van een man die voor een kruis stond.
"Mijn kind" vroeg die persoon, "waarom wil je bij me komen voordat ik klaar ben om je te roepen?
"Heer, het spijt mij, het is alleen maar omdat……..ik kan zo niet verder.
U ziet hoe moeilijk het voor mij is.
Kijkt u eens naar deze akelige last op mijn rug. Ik kan die gewoon niet meer dragen."

"Maar ik had je verteld dat je al je lasten op Mij mocht gooien, want ik zorg voor je!
Mijn juk is  zacht en Mijn last is licht."

"Ik wist wel dat u dat zou zeggen. Maar waarom moet die van mij dan zo zwaar zijn?"

"Mijn kind, iedereen in de wereld heeft een last te tillen. Misschien wil je een andere proberen?"

"Kan dat dan?"

Hij wees naar verschillende lasten die aan Zijn voeten lagen. "Ja hoor, je mag deze allemaal proberen."

Ze leken allemaal dezelfde grootte te hebben, maar elke last had een label met een naam erop.

"Daar is die van Joke" zei ik. Joke was getrouwd met een rijke zakenman.
Zij woonde in een prachtige villa en had haar drie dochtertjes
altijd in de prachtigste en duurste merkkleren.
Soms haalde ze mij zelfs op in haar Mercedes als mijn auto stuk was.

"Laat mij die maar proberen." Zo moeilijk kon die last van haar niet zijn, dacht ik.

De Heer haalde mijn last van mijn schouders af en legde die van Joke erop.
Ik viel meteen door mijn knieën vanwege het gewicht.

"Haal het eraf!" zei ik. "Waarom is dat ding zo zwaar?" "Kijk maar binnenin."

Ik maakte de touwtjes los en opende de bovenkant.
Daar binnenin was een figuur van haar schoonmoeder,
en toen ik die eruit haalde, begon ze te spreken.

"Joke, je zal nooit goed genoeg zijn voor mijn zoon," begon ze.
"Hij had je nooit moeten trouwen.
Je bent een verschrikkelijke moeder voor mijn kleinkinderen….."

Ik legde vlug dit figuur weer terug in het pak en haalde er een andere uit.
Het was Gabrielle, Joke haar jongste dochter.
Haar hoofd had een verband eromheen die resulteerde van de operatie
die had geprobeerd haar epilepsie te herstellen, maar tevergeefs…..

Een derde figuur was de broer van Joke.
Aan drugs verslaafd, was hij nu in de gevangenis
voor het vermoorden van een politieagent.

"Ik zie nu waarom haar last zo zwaar is Heer.
Maar ze lacht altijd, en ze staat altijd voor anderen klaar.
Ik heb me nooit gerealiseerd…."

"Wil je een andere proberen?" vroeg Hij zachtjes.

Ik probeerde verscheidene. Die van Paula voelde ook zwaar aan:
zij had 4 kleine jongens op te voeden zonder vader.
Die van Debora was ook zo zwaar: een jeugd van sexuele mishandeling
en een huwelijk van emotionele mishandeling.
Toen ik bij de last kwam van Ruth, hoefde ik die niet eens te proberen.
Ik wist dat ik daar reumatiek zou vinden, ouderdom, een veeleisende baan,
een lieve man in een verzorgingstehuis.

"Ze zijn allemaal te zwaar, Heer," zei ik. "Geeft u mij mijn eigen last maar weer terug."

Toen ik weer de bekende last op me had, leek die wel veel lichter dan al die andere.

"Laten we eens van binnen kijken" zei Hij. Ik draaide me om, en hield het pak goed vast.
"Dat is niet zo’n goed idee, " zei ik.

"Waarom niet?"

"Nou er zit nogal veel rommel in."

"Laat Mij maar eens kijken."

De vriendelijke kracht van zijn stem was onweerstaanbaar.
Ik opende mijn last.
Hij haalde er een steen uit.

"Vertel me hier eens over."

"Heer, u weet het wel. "Het is geld.
Ik weet dat we het niet zo krap hebben als sommige mensen in andere landen,
of zelfs de daklozen.
Maar we hebben geen ziektekostenverzekering, en als de kinderen ziek zijn
kunnen we ze geeneens altijd meenemen naar een dokter.
Ze zijn nog nooit naar een tandarts geweest.
En ik ben het zo zat om ze altijd in gekregen kleren te steken."

"Mijn kind, ik zal je toch in al je noden voorzien….en die van je kinderen.
Ik heb ze gezonde lichamen gegeven.
Ik zal ze wel leren dat duren kleren ze niet meer waarde geeft in Mijn ogen."

Toen haalde Hij er een figuur uit van een kleine jongen." "En dit?" vroeg Hij.

"André…. Ik liet mijn hoofd hangen, beschaamd om mijn zoon een last te noemen.

"Maar Heer, hij is hyperactief. Hij is niet rustig zoals die andere twee.
Hij bezeert zich altijd omdat hij zo wild is, en de mensen denken vast dat ik hem mishandel.
Ik ga altijd tegen hem tekeer, en er komt een dag dat ik hem echt pijn ga doen…."

"Mijn kind," zei Hij, "als je Mij vertrouwt, zal ik jouw kracht vernieuwen.
Als je Mij toestemming geeft om je te vullen met Mij Geest, dan zal ik je geduld geven."

Toen haalde Hij een paar kiezelsteentjes uit mijn pak.

"Ja, Heer," zei ik met een zucht. "Die zijn klein. Maar ze zijn belangrijk voor mij.
Ik haat mijn haar. Het is dun, en ik kan er niets mee beginnen.
Ik heb geen geld om eens naar de kapper te gaan.
Ik ben te dik en ik kan maar niet op dieet blijven.
Ik haat al mijn kleren. Ik vind het gewoon verschrikkelijk zoals ik eruit zie!"

"Mijn kind, de mensen kijken naar de buitenkant, maar ik kijk naar het hart.
Door Mijn Geest kan je zelfbeheersing krijgen om wat pondjes kwijt te raken.
Maar je schoonheid komt niet van hoe je er van buiten uitziet.
Inplaats daarvan moet het komen van je binnenste, de onvergankelijke schoonheid
van een zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is in Mijn ogen"

Mijn last leek nu wel lichter als daarvoor. "Ik denk dat ik het nu wel aankan." Zei ik.

"Er is nog meer," zei Hij. "Geef mij die laatste steen eens."

"Oh, die hoeft u niet te nemen. Die kan ik zelf wel aan."

"Mijn kind, geef die aan Mij." Weer was die stem van Hem onweerstaanbaar.
Hij reikte Zijn hand uit, en voor de eerste keer zag ik die lelijke wond in Zijn hand.

"Maar, Heer, deze steen is zo erg, zo vreselijk…, zo…Heer!
Wat is er met Uw hand gebeurt? Dat zijn vreselijke littekens!"

Niet langer was mijn aandacht gevestigd op mijn last. Voor de eerste keer keek ik naar Zijn gezicht.
Op Zijn wenkbrauwen zaten ook erge littekens, alsof iemand doornen erin geramd had.

"Heer", fluisterde ik. "Wat is er met U gebeurt?"

Zijn liefdevolle ogen raakten me diep in mijn ziel.

"Mijn kind, dat weet je toch. Geef me nou eerst maar die steen.
Die behoort aan Mij toe. Ik heb het gekocht."

"Hoe dan?"

"Met mijn bloed."

"Maar waarom, Heer?"

"Omdat ik je liefheb met een eeuwige liefde. Geef het aan Mij."

Ik plaatste mijn vuile steen in Zijn verwonde handpalm.
Het bevatte alle viezigheid en vuilheid van mijn leven: mijn trots, mijn egoïsme,
de depressie die me steeds zo kwelde.

Hij draaide zich naar het kruis en gooide mijn steen in een bad van bloed aan de onderkant van dat kruis.

Het maakte haast geen rimpeling.

"Nu, Mijn kind, je moet weer teruggaan. Ik zal altijd bij je zijn.
Als je verdrietig bent, roep Mij dan aan en Ik zal je helpen en je dingen laten zien die je nu nog niet voor kan stellen."

"Ja, Heer, ik zal U aanroepen."

Ik boog voorover om mijn last weer op te pakken.

"Die mag je hier achter laten als je dat wilt.
Zie je al die andere lasten? Dat zijn de pakken die de anderen aan Mijn voeten hebben neergelegd.
Die van Joke, Paula, Debora, Ruth… Als je je last hier laat, dan zal Ik hem samen met jou dragen.
Onthoud, Mijn juk is zacht en Mijn last is licht."

Toen ik mijn last bij Hem had gelaten, begon het licht te vervagen.
Maar ik hoorde Hem nog fluisteren: "Ik zal je nooit begeven, of verlaten."

Een vrede overstroomde in zijn ziel. Ik stond rechtop en wandelde weer terug in het leven.

 


 

3 Bomen - 3 Dromen

Lang geleden stonden er op een heuvel drie kleine bomen;
ze stonden daar en droomden van wat ze later wilden worden
wanneer ze groot waren.

De eerste kleine boom keek naar de sterren en zei: "Ik wil een schat bewaren.
Ik wil bekleed worden met goud en gevuld met kostbare stenen.
Ik word de mooiste schatkist in de hele wereld!"

De tweede kleine boom keek naar de kleine stroom die beneden voorbij kronkelde op weg naar de oceaan.
"Ik wil over verre wateren reizen en machtige koningen vervoeren.
Ik wil het machtigste schip ter wereld worden!"

De derde kleine boom keek naar de vallei daar beneden waar ijverige mannen en vrouwen
aan het werk waren in een ijverig stadje. "Ik wil helemaal niet weg van deze heuveltop.
Ik wil zo groot worden dat de mensen later, wanneer ze hier voorbijkomen en naar me kijken,
hun ogen naar de hemel richten en aan God denken.
Ik wil de grootste boom van de wereld worden!"

Er gingen veel jaren voorbij. De regen kwam, de zon scheen, de kleine bomen groeiden en groeiden.
En op een dag kwamen de houthakkers de heuvel opgewandeld.
De eerste houthakker keek naar de eerste boom en zei:
"Dit is een prachtige boom. Het is echt de volmaakte boom voor mij".
En met een paar zwaaien van zijn blinkende bijl viel de eerste boom tegen de grond.
"Nu gaan ze een mooie kist van mij maken; ik zal een kostbare schat bevatten", dacht de eerste boom.

De tweede houthakker keek naar de tweede boom en zei: "Dit is echt een sterke boom.
Een perfecte boom voor mij". En met een paar zwaaien van zijn
blinkende bijl ging ook die tweede boom tegen de grond.
"Nu ga ik verre oceanen kunnen bevaren", dacht de tweede boom.
"Ik zal een groot schip worden dat machtige koningen vervoert".

Maar de derde houthakker keek niet eens op. "Elke boom is goed voor mij", gromde hij.
En met een paar zwaaien van zijn blinkende bijl viel ook de derde boom om.

De eerste boom was blij toen hij in de werkplaats van de timmerman werd binnengebracht.
Maar de timmerman maakte uit zijn hout een voederbak voor dieren.
De eens zo fiere boom werd niet met goud bekleed en hij werd ook niet gevuld met een kostbare schat.
Hij hing vol zaagsel en werd gevuld met hooi voor de hongerige dieren.

De tweede boom glimlachte toen de houthakker hem binnenbracht op een scheepswerf.
Maar er werd die dag helemaal geen machtig zeilschip gebouwd.
De eens zo sterke boom werd in stukken gezaagd en er werd een eenvoudige vissersboot mee gebouwd.
Hij was te klein en te zwak om op oceanen, of zelfs op een stroom te varen.
In de plaats daarvan werd hij naar een meer gebracht.

De derde boom was totaal in de war toen de houthakker hem in een paar
grote stukken hakte en hij zo werd achtergelaten op een grote houtstapel.
"Wat gebeurt er toch met me?", dacht de eens zo machtige boom.
"Al wat ik wilde was om op die heuvel te blijven staan en mensen naar God te wijzen".

Er gingen weer heel wat dagen en nachten voorbij.
De drie bomen waren hun vroegere dromen helemaal vergeten.
Maar op een nacht werd de eerste boom verlicht door een helder sterrenlicht
toen een jonge vrouw haar pasgeboren kind in die voederbak legde.
"Ik had zo gehoopt dat ik een wiegje voor hem had kunnen maken", fluisterde haar man.
De moeder nam zijn hand in de hare en glimlachte omdat het licht zo mooi op dat vuile en ruwe hout scheen.
Dit wiegje is prachtig", zei ze. En plots besefte de eerste boom dat hij op dit moment
de kostbaarste schat van de hele wereld bevatte.

Op een andere avond nam een vermoeide man met zijn vrienden plaats in de oude vissersboot.
De man viel in slaap terwijl de tweede boom langzaam over het grote meer voer.
Plots begon het te bliksemen en stak er een vreselijke storm op.
De kleine boot kraakte.
Hij wist dat hij niet sterk genoeg was om zoveel reizigers veilig door dit stormweer te vervoeren.
De vermoeide man werd wakker. Hij stond recht, strekte zijn hand uit en zei: "Weest stil".
Toen ging de storm even plots liggen als hij was begonnen.
En toen begreep de tweede boom dat hij de Koning van hemel en aarde mocht vervoeren.

Op een vrijdagachtend werd de rust van de derde boom ruw verstoord,
toen de twee stukken
van zijn stam werden weggehaald van die grote houtstapel.
Hij wist niet wat er gebeurde toen hij verder gedragen werd langs die woedende menigte.
Hij sidderde toen de soldaten de handen en voeten van een man aan zijn stam vastnagelden.
Hij voelde zich angstig, schuldig en ellendig. Maar de volgende zondagochtend,
toen de zon opkwam en de aarde beefde van vreugde toen besefte die derde boom
dat Gods liefde alles had veranderd.
Het gebeuren had de derde boom sterk gemaakt.
En iedere keer wanneer de mensen opkeken naar die boom zouden ze aan God denken.
Dit was veel beter dan de grootste boom in de wereld te zijn.
Hij was de boom die voor altijd naar de hemel mocht wijzen!

Wanneer je dus weer eens een keer in de put zit omdat je niet hebt gekregen wat je had verwacht,
blijf dan rustig en wees toch gelukkig. Misschien heeft God wel iets veel beter voor jou in petto ...

 

 

Sponsors

 

Geef niet op...

Op zekere dag liep een jongeman langs een verlaten weg
toen hij zoiets als een gehuil hoorde.
Hij kon niet met zekerheid zeggen wat het geluid was
maar het leek te komen van onder een brug.
Naarmate hij de brug naderde, werd het geluid harder
en toen zag hij een zielig tafereel.
Daar, liggend in de modderige rivierbedding,
zat een jong hondje van ongeveer twee maanden oud.
Het had een diepe snee in zijn kop en zat onder de modder.
Zijn voorpoten waren gezwollen waar ze stevig
vastgebonden waren met touwen.

De jongeman werd onmiddellijk met ontferming bewogen
en wilde de hond helpen, maar toen hij dichterbij kwam,
hield het huilen op en de hond liet zijn tanden zien en begon te grommen.
Maar de jongeman gaf niet op.
Hij ging zitten en begon zachtjes tegen de hond te praten.
Het nam veel tijd in beslag maar uiteindelijk stopte de hond
met grommen en kon de man centimeter bij centimeter dichterbij komen
en uiteindelijk de hond aanraken en het stevig vastgebonden koord losmaken.
De jongeman droeg de hond naar huis, zorgde voor de wonden,
gaf hem eten en water en een warm bed.
Zelfs bij dit alles bleef de hond,
telkens als de jongeman naderde, grommen.
Maar de jongeman gaf niet op.

Weken gingen voorbij en de man bleef voor het jonge hondje zorgen.
Toen kwispelde de hond op zekere dag met zijn staart.
Constante liefde en vriendelijkheid hadden gezegevierd en er begon
een levenslange vriendschap van loyaliteit en vertrouwen.

Als ik dit verhaal zo lees, dan voel ik een zekere herkenning.
Aan de ene kant de mens, die op een punt is gekomen, dat
ie ’t helemaal niet meer ziet zitten in ’t leven.
En aan de andere kant God, die klaarstaat om die mens te
omarmen en van de ondergang te redden.
Maar ook wij zijn vaak zo gewond door ’t leven, dat we
de liefde die God ons aanreikt maar moeilijk kunnen
aanvaarden. Onze pijn, ons wantrouwen, onze angst om
toch weer in de steek gelaten te worden……het zijn dingen,
die ons ervan weerhouden om Zijn liefde te aanvaarden.
Maar gelukkig laat God ons niet zomaar weer los. Zijn liefde
en geduld voor en met ons zijn zo groot, dat Hij zich over
ons blijft ontfermen, net zo lang totdat wij ons aan Hem
durven overgeven en Zijn liefde durven aanvaarden.
Dat is het begin van een levenslange relatie met onze
hemelse Vader.

 

Het briefje in de klaagmuur 

Hoe het mogelijk is begrijpt niemand, maar een Joodse jongen
overleefde in de oorlog drie concentratiekampen.
Hij verloor beide ouders, veel familie en kennissen, maar niet zijn geloof.
Brood- en broodmager, volkomen ondervoed en ontredderd,
vond hij uiteindelijk mensen die zich over hem ontfermden.
Na de oorlog emigreerde hij naar Amerika, werd goed opgevangen,
studeerde en trouwde en kreeg een zoon, Joey genaamd.
Natuurlijk voedde hij zijn zoon op in het Joodse geloof.
Hij vertelde hem ook wat er allemaal voor verschrikkelijks was gebeurd met diens opa en oma.
Maar toen Joey ouder werd ging hij met vrienden om, die, het was in de hippietijd,
op zoek gingen naar een godservaring in India.
Ook Joey  wilde zijn geluk in India gaan beproeven. Op een dag vertelde hij dat aan zijn ouders.
De vader schrok vreselijk.

'Wat ga je nou doen, zoon,' riep hij uit, "Jij hoeft niet op zoek te gaan naar een God. Wij zijn Joods!"

Joey hield echter voet bij stuk en toen hij kwaad de deur uit liep, riep de vader hem na:
"Als jij het geloof, waarvoor onze familie zo heeft geleden, de rug toe keert, hoef je hier niet meer terug te komen!"

Zo kwam er een vreselijke breuk tussen de vader en de zoon.

 Het was een paar jaar later. Joey woonde en werkte in India,
maar de ware God had hij nog steeds niet gevonden.
Op een dag ontmoette hij heel toevallig een oude kennis uit Amerika.
Ze kwamen aan de praat en de man zei: "Wat erg van je vader, hé?"
"Wat is er dan met hem?" vroeg Joey, "k heb hem al jaren niet gezien. We hebben geen contact met elkaar."

De kennis vertelde, dat de vader dood was, gestorven aan een hartaanval. Wat een schok voor Joey.
Hij begreep drommels goed, dat door zijn optreden de vader van verdriet gestorven was.
Hij kreeg flink spijt.
Dagenlang liep hij verdwaasd rond, alle herinneringen van vroeger kwamen boven.
Wat had hij een goede vader en moeder gehad! Dat hij dat niet gewaardeerd had...
Eindelijk nam hij het besluit om naar het land van zijn voorouders te gaan, Israël.
Daar bij de Klaagmuur zou hij treuren en vergeving vragen aan God.

Zo gezegd, zo gedaan. Na veel omzwervingen stond hij dan op de heilige plaats, de Klaagmuur,
waar honderden mensen dagelijks komen bidden en huilen.
Joey herinnerde zich nog de gebeden van vroeger en herhaalde de dierbare woorden.

Van een verkoper kocht hij een Joods gebedenboek en ook papier en pen om zijn innigste wens
op te schrijven en die, net als alle andere Joden, in een gaatje in de Klaagmuur te steken.

''t Zal wel moeilijk zijn nog een plekje te vinden, meneer," zei de verkoper.
"Als u niets vindt, kunt u uw gebed ook gewoon op de grond voor de muur gooien..."

Maar de zoon, die vreselijk veel wroeging had, wilde het zichzelf niet te gemakkelijk maken.
Hij zocht en hij zocht..., drie uur lang. Toen meende hij helemaal bovenaan nog een leeg spleetje gevonden te hebben.
Hij frommelde het papiertje erin, maar... het spleetje was toch niet leeg, want er viel een ander gebedje uit.
Het dwarrelde naar de grond. Joey raapte het op om het terug te stoppen.

 Nu is het niet erg netjes om de intieme wensen van een ander te gaan lezen,
maar Joey kon de verleiding niet weerstaan. Hij opende het en las wat er op stond.
Dit waren de woorden die hij tot zijn stomme verbazing las:

"Lieve Joey, als je ooit nog dit briefje mocht vinden, omdat je op zoek bent naar de God van je voorouders,
weet dan dat ik je volkomen vergeven heb. Afz. Je vader."

Vanaf dat moment wist Joey dat de God van zijn voorvaderen Abraham, Izaäk en Jakob, zijn God was.

 

 

 

De Kaartenbak.  

Op een dag was ik op een plek tussen waken en dromen.
Ik stond in een kamer.
Deze kamer was bijna leeg er stond alleen tegen de muur een ladenkast met kaarten
zoals je ze ook vindt in een bibliotheek waarin de titels van boeken op alfabetische volgorde staan.
Alleen hadden de laden die in deze kast stonden verschillende titels.
En de kast leek enorm groot.

Ik werd getrokken naar deze muur van laden en de eerste lade
die mijn aandacht trok had de titel "meisjes die ik leuk vond".
Ik opende de la en trok er 1 kaart uit. Toen ik de kaart las
legde ik geschokt de kaart terug en sloot snel de la,
ik realiseerde mij dat ik de namen die op die kaart stonden herkende.
En zonder dat iemand mij het hoefde te vertellen wist ik plotseling waar ik was.
Deze kast met kaarten was mijn leven. Het was een catalogus van mijn leven.
Hier stond geschreven elk moment, klein of groot, in elke detail, mijn leven.
Een gevoel van verbazing en nieuwsgierigheid, en tegelijk huiver
kwam over mij toen ik in het wilde weg laden open deed
en de kaarten las die er in zaten.
Sommige kaarten brachten mooie en gelukkige herinneringen boven,
anderen schaamte en berouw, zo intens dat ik over mijn schouder keek of niemand dit zag.
De la met opschrift "Vrienden" volgde de la met "Vrienden die ik bedrogen heb" op.
Sommige titels waren normaal, anderen huiveringwekkend.
"Boeken die ik heb gelezen", "leugens die ik heb verteld", "geborgenheid die ik heb gegeven",
"Moppen waarom ik gelachen heb".
Sommige waren gewoon komisch, zo exact waren ze gedocumenteerd.
Zoals:"dingen die ik tegen mijn broers en zussen heb geschreeuwd".
Anderen waren helemaal niet komisch:"Dingen die ik gedaan heb in mijn woede",
"brutale dingen die tegen mijn ouders heb gezegd".
Steeds was ik verwonderd over de inhoud.
Vaak waren er meer kaarten dan dat ik had verwacht
en soms waren het er minder dan dat ik had gehoopt.

Ik was overweldigd door de hoeveelheid aan kaarten van mijn leven.
Was het mogelijk dat ik de tijd had in mijn 30 jarig leven
om deze duizenden, ja miljoenen kaarten te schrijven?.
Maar elke kaart beantwoordde mij die vraag, want elke kaart had
mijn handschrift en elke kaart was met mijn naam ondertekend.

Toen ik een kaart pakte uit de la met titel "Liedjes waarna ik geluisterd heb"
realiseerde ik mij dat deze bibliotheek
bleef groeien en dat er elke dag nieuwe kaarten bij kwamen.
De kaarten zaten netjes in de la. Alleen was de la enorm lang, er kwam geen einde aan.
Vol schaamte sloot ik de la. Niet zo zeer over de kwaliteit van de muziek maar meer
over het feit dat er zoveel tijd was verborgen in deze la.

Toen ik bij de la kwam met opschrift "gedachten vol lust"
voelde ik een lichte rilling door mijn lichaam gaan.
Ik deed de la maar een klein stukje open.
Ik wou niet weten hoe groot deze la was en pakte 1 kaart.

Vol afgrijzen keek ik naar de gedetailleerde inhoud.
Ik begon mij ziek te voelen over het feit dat zo'n moment opgetekend stond.
Ik was totaal in paniek.
En 1 gedachte kwam in mij op: Niemand mag ooit deze kaarten zien,
niemand mag weten van deze kamer.
Ik moet dit alles vernietigen.
Op dat ogenblik trok ik de la open. Het interesseerde mij niet meer hoe groot deze la was.
Deze la moest leeg en de kaarten moeten verbrand worden.
Toen ik de la eruit had en deze op de kop hield kwam er geen enkele kaart uit.
Ik werd wanhopig , trok er 1 kaart uit en probeerde deze te verscheuren,
maar ze bleken zo hard te zijn als staal.
Ik was verslagen en hulploos en deed de la terug in de kast.


Ik leunde met mijn hoofd tegen de muur en zuchtte vol zelfmedelijden.
Toen zag ik het.
De titel was "mensen met wie ik het Evangelie heb gedeeld."
Het handvat van de la blonk meer dan de anderen, het leek bijna nieuw, ongebruikt.
Ik trok de la open die niet langer bleek te zijn dan een paar cm.
Ik kon de kaarten die zich in de la bevonden op 1 hand tellen.
Toen kwamen de tranen, ik begon te huilen. De pijn die ik voelde was onbeschrijfelijk.
Ik viel op mijn knieën en weende bitter. Ik schreeuwde het uit van schaamte.
Door mijn tranen heen zag ik de kast met kaarten.
Niemand mag weten van deze kamer, ik moet hem op slot doen en de sleutel weggooien.

Toen ik mijn tranen droogde zag ik Hem.
NEE alsjeblieft niet Hem, niet hier, iedereen behalve Jezus.
Ik zag machteloos toe hoe Hij de kaartenbak opende en de kaarten begon te lezen.
Ik draaide mijn hoofd weg om niet Zijn reactie te moeten zien.
Toen ik eindelijk de moed had om Hem in het gezicht te zien
zag ik een verdriet dat nog groter was dan het mijne.
Hij leek automatisch de laden te openen waar de slechtste dingen over mij in stonden.
Waarom moest Hij ze allemaal lezen?
Eindelijk draaide Hij zich om en keek naar me vanaf de andere kant van de kamer.
Hij keek met medelijden naar mij. Ik liet mijn hoofd zakken,
deed mijn handen voor mijn gezicht en begon opnieuw te huilen.
Hij liep naar mij toe en legde Zijn arm om mij heen.
Hij kon zoveel dingen zeggen maar Hij zei geen woord. Hij huilde alleen met mij.
Toen ging Hij staan en liep naar de muur met de ladenkast.
Bij het begin beginnende haalde Hij de kaarten 1 voor 1 uit de laden
en begon Zijn naam over mijn naam te schrijven.
"NEE" schreeuwde ik terwijl ik naar Hem toe rende.
Het enigste wat ik kon uitbrengen was NEE toen ik de kaarten uit Zijn handen trok.
Zijn naam hoorde niet op deze kaarten!
Maar daar stond het in rood: de naam van Jezus over mijn naam geschreven.
Het was geschreven met Zijn bloed.
Vriendelijk pakte Hij de kaart weer uit mijn hand en legde hem terug in de la.
Hij begon te glimlachen toen Hij de andere
kaarten begon te ondertekenen.

Ik begrijp nog steeds niet hoe Hij zo snel de kaarten
kon ondertekenen maar het leek maar een kort ogenblik.
Toen hoorde ik dat Hij de ladenkast sloot en naar mij terug liep.
Hij legde Zijn hand op mijn schouder en zei: "Het is volbracht".

Ik stond op en Hij leidde mij uit de kamer. Er zat geen slot op de deur.
Er waren nog steeds kaarten om te schrijven…. 

 

 

Het cadeau van de parelvisser

Een plons in het water, golvende kringen, en dan was het water weer stil.
Kleine luchtbellen kwamen naar boven. 
Een zendeling stond aan de oever van de Indische Oceaan en tuurde in de diepte. 
Eindelijk - daar kwam een donker hoofd boven water en twee lachende ogen keken hem tegemoet.
 
De oude parelvisser schudde het water van zijn nog lenig lichaam.
 
"Wat kan jij duiken, Rambau!" riep zendeling David Morse die hier gekomen was
om aan de mensen de blijde boodschap te brengen van redding door Christus Jezus.
  "Kijk deze maar eens, Sahib" (=leraar) zei Rambau en nam een pareloester van tussen zijn tanden. 
Hij opende hem - daar lag een glanzende parel op zijn hand.
 
"Wat een mooie!"
"Ach", zei Rambau, "hij is goed, maar er zijn betere parels, veel betere.
Kijk, hier ziet u een paar foutjes.  Weet u, gisteren sprak u met mij over God. 
Maar ik ben en blijf een Hindoe.  Wij moeten erg veel doen om bij God te komen.
Zoals deze parel kleine foutjes heeft, zo heb ik veel fouten en zonden. 
Deze moet ik eerst goed maken en ervoor boeten".
 
"Beste vriend Rambau, God biedt aan elke zondaar, die aan Hem zijn fouten en zonden belijdt,
volle vergeving, ieder die met berouw tot Hem komt en
de Here Jezus Christus aanvaardt als zijn Verlosser,
wordt aangenomen als een kind van God. Begrijp je dat?"
 
"Nee, Sahib, zoals ik u al meer zei: Dit gaat me te gemakkelijk.
Misschien ben ik te trots, maar ik wil ervoor werken om een plaats in de hemel te krijgen.
Ik ben van plan, voor mijn zonden een pelgrimstocht naar Delhi te maken en zo hoop ik,
Gods barmhartigheid te zullen verdienen."
 
"Rambau, misschien kun je die lange reis niet eens volbrengen.
Vandaag is het de tijd van Gods genade; morgen kan het al te laat zijn.
Bovendien, Gods genade kunnen we niet verdienen, want Hij wil het geven.
Gods Zoon, Jezus Christus, heeft geleden op het kruis
en alles volbracht wat nodig is voor onze redding.
God wenst alleen dat we onze zonden aan Hem vertellen
en dan geloven dat Zijn Zoon de schuld betaaid heeft
voor zondaars die tot Hem komen.  Hij is de enige Redder.
Buiten Hem om gaat het niet.  Dan ga je onherroepelijk verloren."
Maar Rambau schudde het hoofd en ging naar huis.
 
En alles wat Morse, hoe vaak ook, tot de parelvisser zei, hielp niets.
Hij wilde Christus niet aanvaarden. 
Toch werden ze vrienden, de zendeling en de oude visser.
 
Op een dag kwam Rambau bij de prediker op bezoek. 
Hij had een doosje bij zich en zei: "Sahib Morse, hierin zit één voorwerp.  Ik wil u hierover vertellen.
Ik had een zoon.  Hij was ook een duiker.  Hij was de snelste parelvisser aan de Indische kust. 
Hij had het scherpste oog en de langste adem.  Hij kon 30 meter diep duiken. 
Hij was de vreugde van mijn hart.
Altijd droomde hij ervan, nog mooiere parels te vinden. 
En werkelijk, eens op een dag vond hij wat hij zocht. 
Maar die schelp was bijna onbereikbaar - zo diep en zo vast tussen de rotsspleten. 
Hij haalde hem boven, maar.., hij was te lang onder water gebleven,
zijn hart had te veel geleden.  Kort daarna stierf hij."
 
De oude man boog zijn hoofd en een ogenblik ging een korte siddering van diepe smart door zijn lichaam...
"... Jarenlang heb ik deze parel bewaard.  Maar nu ga ik naar Delhi en kom misschien niet meer levend terug. 
Nu geef ik hem aan u, mijn beste vriend."
 
Het was één van de grootste parels die hier ooit gevonden waren, er lag een wonderlijke glans overheen. 
De zendeling bekeek hem aandachtig en stil. Hij was even sprakeloos.
"Rambau, wat een parel!"
"Ja, deze wonderschone parel is foutloos",  antwoordde de Indiër.
 
Nu kwam de zendeling op een gedachte en zei:  "Laat me deze wondere parel van je kopen.
Ik bied er duizend dollar voor."
Stram richtte de man zich rechtop. Ernstig en streng antwoordde hij: "Sahib, deze parel is onbetaalbaar. 
Geen mens ter wereld heeft genoeg geld om te betalen wat deze parel mij waard is. 
Ik wil hem niet verkopen, ik wil hem u alleen geven als een geschenk."
 
"Nee, Rambau, hoe graag ik hem ook wil hebben - ik kan hem niet aannemen. 
Misschien ben ik te trots, maar aannemen vind ik te gemakkelijk.  Ik wil ervoor betalen of ervoor werken."
"Begrijpt u dan niet, of wilt u het niet begrijpen, Sahib - mijn enige zoon gaf zijn leven om deze parel te verkrijgen.
Haar waarde bestaat uit het levensbloed van mijn lieve jongen.  Ik kan hem niet verkopen - alleen maar schenken. 
Neem hem aan als een bewijs van de liefde die ik voor u heb."
 
"Rambau",  zei Morse langzaam, "ik gebruikte de woorden, die jij tegenover God gebruikt hebt."
 
De duiker keek de prediker lang en onderzoekend aan en langzaam, langzaamaan begon hij het te begrijpen.
 
"God biedt u het heil aan als een gratis gift, kosteloos. 
Het is zo groot en onbetaalbaar, dat geen mens op aarde het zou kunnen betalen. 
Het heeft aan God het levensbloed gekost van Zijn eniggeboren Zoon om de toegang tot de hemel vrij te maken. 
Door pelgrimsreizen van duizenden kilometers zou je Gods genade niet kunnen verdienen. 
Maar Hij gaf daarvoor vrijwillig Zijn geliefde Zoon in de vreselijke dood aan het kruis.
De liefde van God en Zijn verlossing voor zondaars zoals jij en ik
kunnen we alleen maar gelovend en dankend aannemen.'

Het werd licht in het hart van de oude parelvisser.  "Nu begrijp ik het", zei hij, keerde zich om en liep peinzend weg.
Na een uur kwam hij terug en zei: "Ik wacht niet langer, maar ik wil nu, zoals ik ben, tot God komen.
Ik kan niets verdienen, want ik sta bij Hem in de schuld. 
Als een verloren mens wil ik die onbegrijpelijke liefde van God aannemen
en Hem en Zijn Zoon Jezus Christus daarvoor danken."
 
Dit verhaal is waar gebeurd.
Wanneer u dit een duidelijke illustratie vindt van het aanbod van Gods liefde,
wilt u dan nu ook tot Hem gaan? 
Wat zal uw antwoord zijn?  Een nee of een heilig ja? 
Het gebeurde toen, het gebeurd ook vandaag nog steeds weer, en nu kan het bij u gebeuren. 
Dit kan het moment voor u zijn... Het ligt aan uw keuze !

Bron: http://www.bekeer-u.nu

 

 

 


 De waterdrager

  
 Een waterdrager in India had twee grote emmers;
elke emmer hing aan één kant van een juk dat hij over zijn schouders droeg.
Eén van de emmers had een barst en de andere emmer was in perfecte staat.
Terwijl die tweede emmer aan het einde van de lange weg tussen de rivier en het huis
van de meester een volle portie water afleverde was
tegen die tijd de gebarsten emmer nog maar halfvol.
Dat ging zo twee volle jaren verder. De waterdrager leverde altijd maar
anderhalve emmer water af in het huis van zijn meester.
Natuurlijk was de goede emmer bijzonder trots op zijn prestaties
omdat hij perfect voldeed voor het doel waarvoor hij gemaakt was.
Maar de arme gebarsten emmer was beschaamd om zijn gebrek en voelde zich ellendig
omdat hij maar de helft kon presteren van wat je van hem had mogen verwachten.
Nadat hij zich zo twee jaar lang als een mislukking had beschouwd begon hij
op een dag bij de rivier tegen de waterdrager te praten.

"Ik ben beschaamd over mezelf en ik wil me bij jou verontschuldigen."

"Waarom?", vroeg de waterdrager. "Waarom ben je beschaamd?"

"Omdat ik de laatste twee jaar slechts in staat ben geweest om maar een halve portie water af te leveren.
Door die barst in mijn zijwand verlies ik voortdurend water onderweg naar het huis van je meester.
Door mijn falen moet jij zo hard werken en krijg je niet het volle loon voor je inspanning",
antwoordde de emmer.
De waterdrager kreeg echt medelijden met de oude gebarsten emmer; hij wilde hem troosten en zei:
"Als we dadelijk teruggaan naar het huis van mijn meester moet je eens goed op die prachtige bloemen
letten aan de kant van de weg".
En inderdaad: toen ze de heuvel opliepen zag de gebarsten emmer de prachtige wilde bloemen
langs de kant van de weg en dat bracht hem toch een beetje troost.
Maar aan het einde van de reis voelde hij zich toch weer ongelukkig omdat
de helft van het water weer was weggelopen en hij verontschuldigde zich opnieuw
bij de waterdrager omdat hij weer gefaald had.
De waterdrager bekeek de emmer en zei: "Heb je dan niet gezien dat er alleen maar bloemen
groeien langs jouw kant van de weg en niet langs de kant van de andere emmer?
Dat komt omdat ik altijd al wist dat je een beetje lekte en ik heb daar mijn voordeel mee gedaan.
Ik heb bloemzaadjes geplant aan jouw kant van de weg en elke keer we terugkwamen van de rivier
heb jij ze water gegeven.
En zo heb ik twee jaar lang telkens prachtige bloemen kunnen plukken
om de tafel van mijn meester mee te versieren.
Als jij niet zou zijn zoals je nu eenmaal bent dan zou zijn huis er nooit zo prachtig uitzien."
En zo heeft ieder van ons zijn eigen "lekken". We zijn allemaal gebarsten emmers.
Maar als wij er open voor staan dan zal de Heer ons falen kunnen gebruiken om de tafel
van Zijn Vader op te fleuren.
In Gods grote plan gaat er nooit iets verloren.
Wanneer je dus een manier zoekt om elkaar te dienen
en als God je voor een bepaalde taak heeft geroepen,
maak je dan geen zorgen om je zwakke punten.
Wees je er wel van bewust maar geef Hem de mogelijkheid om er Zijn voordeel
mee te doen en zo kan jij ook meewerken aan schoonheid langs Zijn weg.

Ga dapper voort en weet dat we in onze zwakheid Zijn sterkte ervaren.

 

 

 

 

Sponsors

 

En God zei: ”nee”

Ik vroeg aan God om mijn trots weg te nemen
en God zei : '' Nee''.
 Hij zei, dat het niet aan Hem was

het weg te nemen, maar aan mij op het op te geven

Ik vroeg aan God mij geduld te garanderen
en God zeí : '' Nee''.
 Hij zei , dat geduld een bijproduct is
van verdrukking.
Het wordt niet gegarandeerd maar verdiend.


Ik vroeg aan God om me  geluk te geven en God zei : ''Nee''.
 Hij zei : ''Ik geef jou zegeningen,
 het is aan jou er gelukkig mee te zijn''.


Ik vroeg aan God om me pijn te besparen.
en God zei : ''Nee''.
 Hij zei : ''Lijden zet je apart van wereldse zorgen
 en brengt je dichter bij mij.”


Ik vroeg aan God of Hij
mijn geest wil doen groeien.
en God zei : ''Nee''.
 Hij zei : dat ik zelf moet groeien

maar Hij zal me vruchtbaar maken.

Ik vroeg aan God of Hij van me houdt
en God zei : ''Ja''.
 Hij gaf me Zijn enige Zoon die voor mij stierf
 en eens zal ik in de Hemel zijn omdat ik geloof.


Ik vroeg aan God om me te helpen van anderen
 te houden en God zei:
”Eindelijk begrijp je dan
waar het omgaat!”

 

 

 

Bidden helpt !!!

Een twee-onder-een-kap woning wordt de ene kant bewoond van door een godvrezende weduwe,
die maar ternauwernood rond kan komen van het weinige geld dat ze ontvangt.
De andere helft wordt bewoond door een klein gezin, waarvan de vader zeer vijandig is
tegen alles wat met kerk of God te maken heeft. Op zekere dag heeft de weduwe geen eten meer;
en ook geen geld om het te kopen. Wat nu?
In haar slaapkamer knielt ze neer en - onder het openstaande raam vertelt ze - zoals ze gewoon is -
hardop haar nood aan de Heere. In de aangrenzende slaapkamer zit haar buurjongen huiswerk te maken en
'toevallig' hoort hij zo door het openstaande raam het bidden van zijn buurvrouw.
Vlug haalt bij zijn vader. Samen luisteren ze naar het gebed, dat ze woordelijk kunnen verstaan.

Als de buurman hoort dat ze om brood bidt, denkt hij: wacht, ik zal haar eens te pakken nemen -
Vlug haalt hij een brood en gooit het met een flinke zwaai door
het openstaande raam bij zijn buurvrouw naar binnen.

Wanneer de weduwe met bidden ophoudt, ziet ze het brood op bed liggen.
Ze is verwonderd dat haar gebed zo spoedig verhoord is en opnieuw buigt ze haar knieën
om de Heere te danken voor de hulp die Hij haarschonk.
De buurman hoort het en wordt boos: wat? heeft de God van zijn buurvrouw haar geholpen?
Hij zal haar eens gaan vertellen wie dat brood heeft gegeven ... !
Even later staat hij bij zijn buurvrouw op de stoep en zegt hij: "U denkt dat uw God u dat brood heeft gegeven,
maar dat is niet zo, hoor; ik heb u dat brood gegeven! Bidden is onzin."

Gevat geeft de godvrezende vrouw - die hierdoor niet uit het veld geslagen is - hem ten antwoord:
"O, maar dat maakt het wonder alleen nog maar groter, dat de HEERE zelfs Zijn vijanden gebruikt
als Zijn knechten, net zoals Elia brood kreeg van roofvogels!"

 

 

 

Het is voorjaar!

Vorige week sprak mij iemand aan. Hij was gelovig opgevoed en het geloof in Jezus speelde in die tijd een belangrijke rol in zijn leven.
Maar als bij zo velen was het geloof in God en de bijbel wat op de achtergrond geraakt. Het was dor geworden in zijn geestelijk leven.
Eigenlijk was het net of God er niet meer was en er een grote leegte voor in de plaats gekomen was.
Maar toch...op de een of andere manier was er iets wat hem weer opnieuw deed verlangen.
Het was eigenlijk toevallig dat onze wegen elkaar kruisten.

In de week voorafgaand aan onze gesprek ging ik iedere morgen via de Westzijde naar mijn werk.
Aan het Papenpad staan op de hoek twee grote wilgen.
Het was me al een aantal dagen opgevallen dat de bomen nog steeds kaal waren en de prille lentezon deed me verlangen naar het voorjaar.
Het maakt me altijd vrolijker en opgewekter als het jonge groen weer aan de bomen komt. Maar deze bomen waren nog zo dor en doods.
De dag erna reed ik opnieuw dezelfde gang en plotseling was er wat veranderd. In een enkele nacht! Een grote, groene waas hing er over die prachtige grote wilgen: het voorjaar is weer terug!
De eerste blaadjes! Eerstelingen!

In ons gesprek moest ik plotseling aan die bomen denken. Ik schoot er bijna van vol.
Want zo kan het ook in ons geestelijk leven zijn. Misschien herkent u het wel! Je kunt zo in beslag genomen worden door allerlei zaken en interesses om je heen dat God op de achtergrond raakt. En plotseling is er iets, dat je doet, ja opnieuw doet verlangen naar een antwoord op je vragen. Opnieuw doet verlangen naar een ontmoeting met de Levende. Een verlangen dat je doet hunkeren naar een nieuw begin, een nieuwe
lente in je leven.
Eigenlijk heeft ieder mens dit Grote Verlangen. Velen hebben dit diep en diep weggestopt. Anderen proberen dit verlangen op allerlei manieren op te vullen met allerhande vervangingsmiddelen. Toch wordt dit verlangen slechts vervuld in de ontmoeting met God. Onze geestelijke honger gestild door Jezus, onze Heer.

En dan is het zo geweldig dat God niet omziet in rancune. Ons geen verwijten maakt. Hij houdt van ons, van u, op zo'n geheelomvattende wijze dat het telkens weer Zijn verlangen is om een nieuw begin met ons te maken. Het is als met de verloren zoon in de gelijkenis. Als de verloren zoon, na een afgewezen toekomst en een zelfverkozen weg tot zichzelf komt en zegt:
Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan, dan blijkt de vader al op de uitkijk te staan!

Kijk, zo is God, onze hemelse Vader, zo is Jezus. Vol ontferming bewogen. Hij ziet onze geestelijke dorheid. Hij ziet ons in onze geestelijke levenswoestijn en Hij staat al op de uitkijk. Hij wil water gieten op ons dorre land! Hij wil het lente doen worden in ons leven na een lange winter!
Of dat nu voor het eerst is of bij herhaling!

In het laatste bijbelboek, de Openbaring aan Johannes staan in hoofdstuk 3 vers 20 de volgende woorden: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand (hoort u, iemand!) naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij!

Met deze uitspraak heeft Jezus ons verzekerd dat Hij werkelijk ons leven wil binnenkomen.
Hij wil een nieuw begin maken en nodigt ons iedere dag!

Weet je, sprak mijn gesprekspartner, dat zou ik nou graa g willen! En ik herkende het zo: want het was ook mijn eigen ervaring tot het voorjaar werd in mijn leven. Samen hebben we een nieuw begin gemaakt! Ons leven opnieuw toegewijd aan de levendmakende Heer. Dan wordt alles anders! Dan is het of er plotseling zo'n groene waas over onze levensboom komt. Of het weer voorjaar wordt!
Zijn dan alle problemen en obstakels weggeruimd? O nee, ook in het voorjaar kan het stormen! Maar dicht blijvend bij het levende Woord zal
onze levensboom een nieuw bladerdak te zien geven! Een nieuwe kroon dragen! En vrucht dragen! Op Zijn tijd!

Ik wens u allemaal een hele fijne lente toe!
En weet je, daarna wordt het zomer!
Ook in jouw leven?


 Reinier Koffeman