Familie Aalders-Gleis


Tuinieren

Sinds 2000 hebben we een volkstuin, eerst een klein tuintje aan de Peizerweg in Groningen samen met onze vriend Roy. We kregen het perceeltje van een andere vriend Lambert Sijens die ging verhuizen. Het is wel bijzonder dat Lambert en ik elkaar na 8 jaar dankzij het tuinieren weer hebben teruggevonden. Momenteel runt hij de Tuinen van Weldadigheid in Veenhuizen. Nadat het Volkstuinencomplex aan de Peizerweg moest wijken voor een busbaan zijn we in Hoogkerk op zoek gegaan naar een Volkstuin.

Op dit moment hebben we 4 percelen in bruikleen op het volkstuinencomplex van Smurfit-Kappa, voorheen strokartonfabriek 'De Halm' in Hoogkerk. We proberen hier op zoveel mogelijk biologische wijze bijzondere of oude groentenrassen te verbouwen. De soorten die je niet snel in de supermarkt zult vinden; paarse worteltjes, gele bietjes en rode snijbiet. Behalve lekker moet het bij voorkeur ook mooi of bijzonder zijn. Een hoge opbrengst vinden we minder interessant. Liever creëren we een oase waar ook het dierenleven een graantje mee mag pikken.

We doen het vooral voor ons plezier maar achterliggende gedachte is ook wel het behoud van biodiversiteit, de soortenrijkdom op aarde. Al het leven op aarde is met elkaar verbonden. Hoe groter de biodiversiteit, des te veerkachtiger de ecosystemen. Dit geld ook voor onze landbouwgewassen. De laatste decennia zijn veel soorten verloren gegaan die niet geschikt waren voor machinale verwerking in de voedingsmiddelenindustrie. Onze moderne samenleving is zodoende afhankelijker geworden van steeds minder soorten die op steeds grotere oppervlakten wordt geteeld. Soorten die soms alleen met gebruik van bestijdingsmiddelen op de been kunnen worden gehouden. Laten we, nu de VN 2010 heeft uitgeroepen tot het internationale jaar van de Biodiversiteit, onze tuinen diervriendelijker inrichten en enkele historische of bijzondere rassen verbouwen.

       

De volkstuin in 2006.

Al jaren vormt het programma Gardeners World op BBC 2 een bron van inspiratie. Eerst met Geoff Hamilton, later Alan Titchmarsh en Monty Don en momenteel Toby Buckland. Ook de prachtig geïllustreerde boeken van Peter Bauwens zijn een bron van inspiratie. Een interessante nederlandse site is die van de Historische Groentenhof. Veelbelovend zijn ook de Tuinen van Weldadigheid in Veenhuizen.

Een topper op onze tuin is Pronkboon 'Painted Lady' die we in 2000 meenamen uit Wales. Het bijzondere aan deze Pronkboon is dat hij rood-witte bloemetjes heeft. Met zijn gevlekte zaden is deze soort eigenlijk niet de juiste pronkboon voor Humkessoep, je moet namelijk witte zaden hebben, maar de smaak is hetzelfde. De laatste jaren verbouwen we ook Pompoenen en Kalebassen. Een leuke website is die van de Nationale Proeftuin. Deze site biedt de gelegenheid om zaden uit te wisselen met andere tuiniers.                                                      

In de volgende paragrafen willen we iets vertellen over de verschillende soorten groenten en aardappels die we verbouwen. Maar ook leuke bloemen als Helleborus, Primula auricula, Sneeuwklokjes en Blauwe Druifjes komen aan bod. Dit alles voorzien van mooie zelfgemaakte foto's. Ook gaan we hier wat smakelijke recepten plaatsen. Liefhebbers die zaden met me willen ruilen kunnen hier de zaadlijst voor groenten raadplegen,

Op deze pagina staat ook een artikel over de Stiense Boon. Graag wil ik alle personen die me hebben geholpen bij het verzamelen van de informatie hierbij bedanken.

Home                                                                                                                                                           Naar Boven

Volkstuin

In 1999 zijn we naar de westkant van Groningen verhuisd. Al vrij snel kregen we in Hoogkerk een stuk volkstuin in bruikleen van strokartonfabriek 'de Halm'. Geheel kostenloos, maar wanneer de Halm het nodig heeft moeten wij het per direct verlaten. Dit zou wel eens 2015 kunnen worden want er zijn plannen om op deze lokatie Station Hoogkerk-Vierverlaten te bouwen. Het volkstuinencomplex ligt aan de Zuiderweg langs het spoor Groningen-Leeuwarden.

De 3 nieuwste stukken volkstuin langs het spoor Groningen - Leeuwarden.

In maart zijn we begonnen met het verwijderen van onkruid, vooral winde en kweek. Rianne en Jeroen hebben ons hier goed bij geholpen. Nadat het meeste onkruid was verwijderd hebben we de stukken tuin laten fresen. Ook hierna hebben we nog kweek en winde moeten verwijderen. Op één stuk zit zoveel kweek dat we hebben besloten hier aardappels te zetten. De aardappels schijnen de groei van kweek af te remmen. Bij het rooien van de aardappels heb je bovendien weer de gelegenheid de wortels van de kweek en winde te verwijderen.

 

 

 

Het eerste stuk volkstuin wat we in 1999 kregen is in gebruik als fruit, helleborus en auricula tuin. Er staan 2 pruimebomen en 3 appelbomen. We hebben een aardbeienveldje, rode-, witte-, zwarte- en kruisbessen en rabarber. Sommige planten zoals de papaver en de snijbiet 'Bright Lights' krijgen de ruimte om zichzelf uit te zaaien. Naast de helleborus zaailingen en de aurikeltjes staan er nog wat vaste planten die niet meer bij ons thuis in de tuin passen o.a. geranium sanguinium, iris germanica en vlinderviooltje 'Confederate Flag'. Sinds 2 jaar hebben we een veldje gereserveerd voor tulpen.

In 2006 kregen we er twee nieuwe percelen bij voor de groenten, aardappels en natuurlijk de pompoenen, courgettes en kalebassen die veel ruimte nodig hebben. In 2007  konden we er een vierde stuk tuin bij krijgen. Het totale oppervlak van deze 4 stukken tuin schat ik op 400 m2.

 

   

Tuin 2:  juni 2007                                        Tuin 3:  juni 2007                                        Tuin 4:  juni 2007

Op tuin 2 gaan we sla, andijvie etc verbouwen. De kinderen hebben elk ook een stukje gekregen. Rianne gaat proberen een supergrote pompoen van het ras Atlantic Giant te verbouwen. Voor de winter hebben we een gat van 1 m. diep gegraven en volgestort met mest. Ben benieuwd hoe groot 'ie wordt. Op tuin 3 gaan we o.a. aardappelen, zonnebloemen en uien verbouwen. De paadjes hebben Jeroen en ik in een creatieve bui aangelegd met een rechthoek in het midden. Tuin 4 is aangelegd met een ruitvorm in het midden. Langs de ruitvorm hebben we verschillende soorten bloemen gezaaid om de vorm te benadrukken. In de hoeken en in het midden gaan we wat stokbonen vermeerderen. Op dit stuk komen ook de pompoenen, courgettes en kalebassen te staan. Ook staat er suikermaïs en meer zonnebloemen.

Het is inmiddels 2011. Tuin 3 hebben we niet meer. Het stuk was me te koud en te nat voor pompoenen. De huidige "eigenaar" laat hem al weer aardig verwilderen. We hebben wel weer enkele stukjes dichter bij de weg gekregen en samengevoegd. Hier is de grond zandiger en makkelijker te bewerken. Het schijnt dat hier jaren geleden eens een zandauto is omgekiept.

Tuin 4 met de ruitvorm bleek niet erg praktisch. de langs de randen gezaaide bloemetjes kwamen vrij onregelmatig op. Ook was er een stuk waar spontaan zonnebloemen opkwamen. Die hebben we laten staan.

De reuzenpompoen van Rianne is in 2007 niet gelukt. Door het vrij koude weer in de nazomer werd de pompoen niet groter dan een normale Centenaar. In 2009 hebben we het nog eens geprobeerd. We kregen 2 exemplaren van minstens 1 m. in doorsnee. Voor onze begrippen reuzen maar nog lang geen europees record. Dat ligt volgens mij op iets van ruim 500 kg. En vervolgens liggen ze thuis in de weg te liggen en valt de winter plotseling in. We hebben ze nog ingepakt in enkele lagen fleece, bubble-wrap en oude dekens maar het mocht niet baten. Uiteindelijk bevroren ze toch en gingen ze rotten. En dat is jammer want we telen toch ook een beetje voor de pot. Gelukkig hadden we genoeg andere pompoenen.

Ik heb ook het idee dat de grote percelen niet echt geschikt zijn voor de teelt van pompoenen. De grond blijft vrij nat en dus koud. Pompoenen hebben veel vocht nodig maar kou vinden ze niks. Dit jaar (2011) hebben we het grote perceel nr.4 daarom opgedeeld in bedjes. Deze zijn sneller droog en kunnen daarom meer warmte opnemen. Eens kijken wat het dit jaar gaat worden. Ik denk trouwens dat we dit jaar wat minder pompoenen en wat meer courgette gaan doen. Je hebt al snel genoeg pompoen en we vinden courgette in het zoetzuur eigenlijk lekkerder dan pompoen. En met courgette heb je van die mooie compacte planten.

Net als vorig jaar gaan we verschillende soorten knoflook verbouwen. Voor de winter heb ik 2 hoge bedden gemaakt met veel oude paardenmest. Het is nu al duidelijk dat niet alle knoflookjes het even goed doen. Geen idee waarom. De aardappels zitten ook al weer in de grond. Naast het hoofdgewas Parel wat bijzondere soortjes als Pink Fir Apple, Shetland Black en Rote Emma.  En de uien en shalotten zitten natuurlijk al weer in de grond. Gezaaid hebben we nog niets. De laatste weken is het erg droog. En winderig ook. Maar we moesten binnenkort toch maar eens beginnen. Hopelijk valt er daarna wat regen.

Het bleef lang koud in 2013. Begin april moest het grootste deel van de tuin nog worden geploegd en gefreesd. Dit lukte net voordat de aardappels de grond in moesten. Dit jaar hebben we maar liefst 26 rassen. Dankzij een ruil met een Duitse liefhebster die zo veel over had dat wij er niet voldoende plek voor hadden. Het meeste vond een goed onderkomen bij De Tuinen van Weldadigheid. We hebben dit jaar vooral aardappels van het type fingerling (Eng) / Hörnchen (Du), in Nederland hebben we hier volgens mij geen naam voor, we zouden het vingertjes of hoorntjes kunnen noemen, en "kleuraardappels", rood- en blauwvlezige aardappels.

We hebben 3 soorten tomaten en 3 soorten pepers voorgezaaid in een klein kasje met verwarming dat we in de vensterbank zetten. Dit ging prima. Courgettes, pompoenen, komkommer, watermeloen zaaiden we voor in een etagekasje buiten. Door de kou was de kieming slecht. Het duurde weken voordat enkele plantjes opkwamen. Eerlijk gezegd hadden we de moed al opgegeven en een paar planten bij Tuinland gekocht. Door de kou bleef ons etagekasje ook lang bezet zodat we geen ruimte hadden om andere planten voor te zaaien. Ook was er geen voldoende plek meer voor de tomaten die we intussen hadden opgepot en groeiden als kool. Gelukkig konden we een aantal planten stallen bij de buren die een grotere kas hebben.

De bonen zaaiden we weer voor in toiletrollen. We begonnen met de stokdroogbonen en de pronkbonen Ayocote en Tarahumara Tekomari. Eerst een klein weekje in de kamer waar het warmer was dan buiten. Na het opkomen gelijk naar buiten om af te harden. Daarna zo snel mogelijk de grond in. We hebben ook gezaaid in de vollegrond; wortel Purple Dragon, bieten Detroid en Golden Detroid, pronkboon Helle aus Egen, tuinbonen Double Red, Karmazyn en Blue Anton, en een paar soorten sla. Het duurde weken voordat de Helle aus Egen er boven stond. Normaal is dit 7 dagen. Ik schat dat we zo'n 2 tot 3 week achter lopen ten opzichte van normaal. Begin juni hebben we ook de eerste bonen gezaaid in de vollegrond, de stamdroogboontjes. Afgedekt met netten tegen de Kauwtjes. Na een week stonden de meeste er boven. Begin juni hebben we de rest van de boontjes gezaaid, stamsperziebonen, de kousebandachtigen Yard Long en Pretzelboon en Hyacinthboon. De laatste kwam echter niet goed op. Wat op kwam leek gelijk weg te rotten. In bloempotten bij huis zaaiden we de zeldzame pronkboon Policeman's Boots, een zwartzadige met bicolor bloemen.

Home                                                                                                                                                                                   Naar boven

Bijzondere Groenten

Hier gaan we een artikeltje schrijven over de bijzondere groenten die we tot nu toe hebben verbouwd. Tot die tijd verwijs ik u graag door naar de site van Diana. Zij is al iets langer bezig en op haar site lees je veel wat wij ook geschreven zouden kunnen hebben.

 

Home                                                                                                                                                                                    Naar Boven

Tuinsafari

In onze tuin komen we allerlei beestjes tegen. Als tuinier wil ik graag weten welke schadelijk zijn en welke nuttig. Slakken, bladluizen of leliehaantjes zie ik liever niet. Bijen, hommels en lieveheersbeestjes wel. Met vlinders, wantsen, kevers en vliegen wordt het al lastiger. Sommige zijn schadelijk maar andere juist nuttig. Wil je biologisch tuinieren dan is het belangrijk om te weten wat er allemaal leeft in je tuin. Doe je het goed dan houd alles elkaar in evenwicht en hoef je niet in te grijpen. De natuurliefhebber in mij wil graag de rijkdom aan insekten en andere beestjes die gewoon in de tuin voorkomen in al zijn schoonheid laten zien. Want vaak zijn ze prachtig. Eerst stonden hier een aantal collage's van allerlei leuke beestjes maar we merkten dat dit te veel geheugen vroeg. Totdat we een nieuwe kleinere collage hebben gemaakt moet u het even doen met de onderstaande links.

Geregeld ga ik met mijn digitale camera op tuinsafari om macro opnamen te maken van de beestjes in onze tuinen. Helaas weet ik niet altijd wat ik fotografeer. Sommige zijn zo klein dat je pas thuis op de PC goed ziet wat je hebt gefotografeerd. En probeer ze dan maar eens op naam te brengen. Gelukkig zijn er mensen als Cor Evers die me helpen met het determineren. Neem ook eens een kijkje op zijn website Tuinwild.nl. Andere sites die je kunnen helpen bij het determineren van beestjes zijn die van het KNNV en Albert de Wilde.  Wil je weten wat er op onze tuinen te vinden is kijk dan op Waarneming.nl. Ga hier naar "<Overzichten> en kies <Gebieden>. Vul bij <Naam> b.v. Hoogkerk in. Of gewoon je eigen woonplaats. Meer over Bijen en Hommels is te vinden op de site van Wilde Bijen.NL. Voor meer informatie over Nederlandse dag- en macronachtvlinders klik hier. Of voor kleine vlinders hier. Meer informatie over Lieveheersbeestjes is te vinden op Stippen.NL

Home                                                                                                                                                               Naar boven

Aardappels - Solanum tuberosum

Elk jaar verbouwen we een kleine hoeveelheid aardappels. Enerzijds vaak een vroeg ras dat resistent is tegen vele aardappelziekten zoals b.v. de biologische Junior. Anderzijds wat oudere rassen met bijzondere kleuren of vormen b.v. Vitelotte Noir. Een bijkomend voordeel van het verbouwen van aardappels is dat je onkruiden als kweek gemakkelijker kwijtraakt.

De vroege soort verbouwen we zodat we aardappels hebben wanneer ze in de supermarkt nog vrij duur zijn. Bijkomend voordeel van een vroege aardappel is dat deze vaak klaar is voordat de Phytophthora toeslaat. Texla, een nieuw ras, schijnt 100% resistent te zijn tegen Phytophthora. Helaas is deze soort weer gevoelig voor stootblauw. Met de hand gerooid moet dit geen probleem zijn. Wij planten onze aardappels meestal half april. Tot half mei is er kans op nachtvorst. Een stuk fleece kan hiet uitkomst bieden.

Met de wat meer bijzondere rassen is het altijd een avontuur of ze klaar zijn voordat de Phytophthora toeslaat. Vaak zijn het wat latere rassen die vrij gevoelig zijn voor allerlei ziekten. De Vitelotte Noir die we ooit probeerden mislukte helemaal. Deze bleek heel gevoelig voor deze schimmelziekte. De knolletjes van maximaal 4 cm die we oogsten rotten vrij snel weg. Desondanks waren de paarse aardappelpuree en de gebakken paarse krieltjes een sensatie. De paarse aardappelpuree combineerd bijzonder goed met witte groente zoals; witlof, bloemkool, witte wortels of witte bietjes. Met gewone aardapelpuree en een bleek stukje vis, kip of varkensvlees ogen deze groenten toch net iets minder.

De Roseval die we gewoon bij de AH hadden gekocht deed het juist heel goed. Hoezo gecertificeert pootgoed denk je dan. In 2008 hadden we Blauer Schwede en Schwarzer Ungarin. De Blauer Schwede had een flinke opbrengst. Helaas was de vleeskleur niet blauw. Volgens Ton Vreeken kan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en bodemgesteldheid de blauwe kleur achterwege blijven. Zo schijnt de Roseval onder bepaalde omstandigheden roserood vruchtvlees te kunnen hebben. De Schwarzer Ungarin had een duidelijk lagere opbrengst.

In 2009 hebben we Highland Burgundy Red, Shetland Black, Blaue St. Galler en Catriona geprobeerd. Gekocht bij Bioland Hof Jeebel in Duitsland. Dit bedrijf verzend niet buiten Duitsland dus moesten we het bij familie over de grens laten bezorgen. Highland Burgundy Red is een van de weinige roodvlezige aardappels op de wereld. We waren reuze benieuwd hoe deze zou smaken. Dit ras gaf een redelijke opbrengst. De smaak van deze roodvlezige aardappel was niet veel anders dan van de normale aardappels. Ik vond hem vrij melig met een lichte aardsmaak, een beetje ouderwets. Shetland Black is een prachtige paars gemarmerde aardappel. De paarse marmering verdwijnt helaas vrijwel geheel bij het koken. Ook dit ras was vrij melig met een goede ouderwetse smaak. De Blaue St. Galler is een vrij nieuw blauwvlezig Zwitsers ras met een wat rondere vorm dan de Vitelotte Noir. Ook heeft dit ras niet zulke diepe ogen zodat de aardappels makkelijk zijn te schillen. De opbrengst is goed. het is een licht bloemige aardappel met een milde bijna iets zoetige smaak. Bij blind proeven scorde deze het beste op smaak. Catriona is een oud Iers ras met een gele schil met paars rond de ogen. De vleeskleur is cremewit. Deze soort leek wel iets gevoeliger voor Phytophthora. Catriona is een lichtbloemige aardappel met een milde licht zoetige smaak.

Wat we in 2010 - 2011 aan soorten hebben verbouwd weet ik op dit moment even niet precies. Hoogtepunt was wel de Rote Emma, een vrij nieuw roodvlezig ras uit Duitsland. Het is een vastkokende aardappel met een wat kruidige smaak. In 2012 hebben we voor het eerst pootaardappels bij Alan Romans uit Schotland gekocht. Alan Romans verstuurde ook naar Nederland. Het lijkt er echter op dat Alan Romans zijn aardappels nu via Thompson & Morgan verhandeld wat betekend dat er wederom niet naar Nederland wordt verstuurd. Dit keer geen gekleurdvlezige rassen maar gekleurdschillige en enkele resistente rassen van het huis Sarpo. Van een postorderbedrijf uit Duitsland kochten we nog wat consumtieaardappelen waarvan we enkele als pootgoed hebben gebruikt. Hoogtepunt was de geheel nieuwe soort aardappel Mayan Twilight. Deze aardappel met zijn prachtige rood-geel gevlekte schil is geen Solanum tuberosum waartoe al onze bekende aardappelen behoren maar van de soort Solanum phureja. De groeiwijze lijkt veel op die van de ons bekende aardappels. De stelen iets stakeriger, de blaadjes en bloempjes iets kleiner. Van binnen zijn de aardappels vrij geel met soms iets roze. De aardappels zijn erg bloemig met een krachtige en volle aardappelsmaak. Voor de liefhebbers van een ouderwetse smaak een aardappel om zeker eens te proberen.

Andere aardappels die we in 2012 voor het eerst verbouwden zijn; Fries Woudgeeltje, Blue Belle, Blue Danube, Sarpo Una, Mandelkartoffel, Picasso, Amorosa en Koenigspurpur. Ook hadden we weer de Blaue St Galler, Rote Emma en Shetland Black. Dit jaar leek het blad van de zelf overgehouden aardappels wat vlekkeriger en ieler dan de voorgaande jaren. Er lijken zich wat virussen op te bouwen. Het lijkt dus niet slim om langer zelf pootgoed over te houden dan 3 jaar. Verder was 2012 een bijzonder nat jaar waarbij Phytophthora vroeg optrad. We moesten het loof daarom eind juli optrekken. De Blue Belle en Sarpo Una die een goede resistentie tegen Phytophthora moeten hebben lieten we tot half augustus staan. Toen takelde het loof zo af dat we het maar opgetrokken hebben. De Blaue St Galler had dit jaar de meeste rotte aardappels gevolgd door Picasso. Een aardappel die het dit jaar goed deed was de Blue Belle. Een prachtige geelschillige aardappel met blauwpaarse ogen. Een vastkokende soort met een milde smaak.

De zoete aardappel is er ook in diverse vleeskleuren. Dit is echter geen Solanum tuberosum maar een Ipomoea batatas, een soort tropische knolvormende winde. In 2008 werd er in Gardeners World geëxperimenteerd met de zoete aardappel. Sommige soorten deden het heel redelijk buiten in de volle grond. In 2010 hebben we 2 zoete aardappelplanten gekocht bij Tuinland. Vermoedelijk hebben de planten te nat gestaan. De 2 geoogste knollen waren wat aangevreten door insectelarven. Toch smaakten ze prima.

Liefhebbers kunnen hier klikken voor informatie over bijzondere of oude aardappelrassen. Er wordt dan een Excel bestand geopend met links naar websites van organisaties van liefhebbers of handelaren. In 2013 kun je ook prima terecht bij Vreeken's of de Tuinen van Weldadigheid die hun assortiment pootaardappels danig hebben uitgebreid. Of kijk ook eens bij Leven van het Land.

 

Home                                                                                                                                                                                    Naar boven

Bonen

Bonen behoren tot de vlinderbloemenfamilie. Vlinderbloemigen hebben de eigenschap dat er zich op de wortel kleine, ronde knolletjes bevinden die gevormd worden door symbiose ofwel een samenwerking tussen de plant en stikstofbacteriën. Deze bacteriën bezitten het vermogen om stikstof uit de lucht om te zetten in stikstofvormen die de plant als voedsel kan opnemen.

 

In de meest gangbare Nederlandse zaadgidsen onderscheidt men Snijbonen, Sla- of Sperziebonen, Droge Bonen en Tuinbonen. Met uitzondering van de Tuinbonen zijn ze verkrijgbaar als stokboon of stamboon. Ook zijn ze onder te verdelen in ‘hardschil’ of ‘weekschil’ ook wel ‘met’ of ‘zonder’ draad genoemd.

 

Wat de meeste mensen wellicht niet weten is dat de meeste bonen die we kennen tot de zelfde soort behoren, namelijk Phaseolus vulgaris vrij vertaalt de ‘gewone’ boon. Gewoon is deze boon met zijn vele variëteiten en rassen allerminst. De Tuinboon (Vicia faba, synoniem Vicia vulgaris) en de Pronkboon (Phaseolus coccineus, synoniem Phaseolus Multiflorus) behoren tot andere soorten. Met dit schrijven wil ik laten zien hoe interessant bonen zijn en welke soorten wij tot nu toe hebben verbouwd.

 

Veld- of Labbonen (Vicia faba, synoniem Vicia vulgaris)

 

 

De Veld- of Labboon is een wikkeachtige boon. Het is een soort die al rond 7000 jaar voor Christus werd verbouwd in het Midden Oosten. Van hieruit verspreidde hij zich rond de Middellandse Zee. De grootste en meest bekende boon van deze soort is de Tuinboon. Wordt de boon kleiner dan heten ze vervolgens; Waalse boon, Wierdeboon, Paardenboon en Duivenboon. In Groningen wordt de Paardenboon nadat deze is geroosterd ook wel Molleboon genoemd. Hoewel alle soorten eetbaar zijn worden meestal alleen de Tuinboon en Waalse boon gegeten.

 

De kleur van de bonen is variabel. Er zijn bijna witte rassen, crèmekleurige, geelgroene, diep groene, rode, bruine en zwarte. De bloei vertoont minder variatie. Meestal zijn de bloemen wit, opgesierd met blauwzwarte vlekken. Er bestaan rassen met prachtige dieprode bloemen (Crimson Flowered), al of niet voorzien van zwarte vlekjes op de bloemblaadjes. Van de Crimson Flowered bestaat zelfs een selectie met rode zaden.

 

De zaden worden in min of meer rijpe toestand gegeten. De specifieke tuinbonesmaak wordt veroorzaakt door looizuur. De bruinkokende soorten bevatten dit meer dan de blankkokende. Kleine jonge tuinboontjes smaken het best. Ze zijn dan lekker sappig. Oudere tuinbonen zijn meliger maar goed te eten met rookspekjes, mosterd en rode uiringen. Wanneer men tijdens het koken een scheutje melk toevoegt, wordt het looizuur gebonden en wordt de smaak minder bitter. Bonekruid is niet alleen om de smaak te verbeteren, maar ook om tuinbonen heter verteerbaar te maken.  

 

De “gewone” boon (Phaseolus vulgaris)

 

De meeste bonen die we in Nederland kennen behoren tot de soort Phaseolus vulgaris. Deze soort werd rond 7000 voor Christus in Mexico en Peru in cultuur genomen en vormde met de maïs het hoofdvoedsel van de oude bewoners van de nieuwe wereld.

Maïs, bonen en pompoenen worden in Amerika de 'Drie Gezusters' genoemd. In Noord-Amerika zaaiden indianenstammen eerst maïs, hiertussen werden bonen en pompoenen gezaaid. De bonen slingerden zich langs de maïsstengels omhoog en de pompoenen bedekten de bodem. Voor de steun die de maïsstengels de bonen geven krijgen ze van dit peulgewas stikstof uit de bodem terug en de ranken en de bladeren van de pompoenen houden de bodem koel en vochtig. De volkeren langs de kust en langs de grote meren gebruikten vis en visafval om deze groenten te voeden. Na de ontdekking van Amerika kwam deze boon in het begin van de 16e eeuw naar Europa.

Omdat men de boontjes in het Europese continent op dezelfde manier als asperges bereidde, namelijk met boter en nootmuskaat, kregen ze de naam aspergiebonen, wat later afgekort werd tot sperziebonen.

 

Er bestaan ontzettend veel variëteiten en rassen van deze soort waarvan de sperzieboon, ook wel slaboon of prinsessenboon genoemd, de meest bekende is. Maar ook de bruine boon en de snijboon behoren tot dezelfde soort.

 

                                            

 

De slaboon is op vele manieren in te delen: slaboon/droge boon, weekschillige/hardschillige, met- of zonder draad of stamboon/stokboon. Er zijn rolronde bonen (Sperzieboon) of platte bonen (Snijbonen). De kleur kan groen, geel of paars zijn. Sommige soorten zijn prachtig gevlamd (Kievitsboon). De zaden hebben allerlei kleuren en prachtige tekeningen (Yin Yang boontje, Heilig Boontje).

 

 

Hardschil/weekschil, met of zonder draad, enkel of dubbel

 

Mijn vader verbouwde vroeger weekschillige stokprinsessenbonen 'Dubbele Witte Zonder Draad'. Lange tijd dacht ik dat 'weekschil' hetzelfde was als 'zonder draad'. Een sperzieboon was een weekschil en droogbonen waren altijd hardschilligen. Het verschil kon je zien aan de punt van de peul. Weekschilligen dus zonder draad kon je herkennen aan het kromme puntje. Bij de hardschillige bonen was het puntje recht. Koop je vroeg in het voorjaar in de supermarkt sperziebonen uit Egypte of Marokko en de puntjes zijn recht, wees dan bedacht op draden. En als je zaad wilde winnen van de sperziebonen moest je er geen hardschiligen naast planten. Door kruisbestuiving kwamen er dan draden in de sperziebonen. Nu ik zelf de laatste jaren meer bonen verbouw rees mij het vermoeden dat 'hardschil' toch niet helemaal hetzelfde was als 'met draad'. En waren alle droogboontjes wel hardschilig? En wat was er nou dubbel? Ruurd Walrecht was zo vriendelijk mij dit uit te leggen. En op zijn verzoek deel ik deze informatie met u allen.

"De hardschil is de droge boon. Zeg maar de bruine boon uit de winkel. De peulen zijn glad en bol zoals de wilde boon. Daarom dorsen ze licht. Ze spatten makkelijk open. De draad is de aorta van de peul. Het voorziet de peul en zaden (bonen) van vocht, voedsel enz. en dragen mee aan de sterkte van de peul. De peul zelf bestaat uit weefsels die ook de sterkte aan de peul geven en waterafstotend zijn.

De weekschil is synoniem met slaboon, prinsessenboon ofwel sperzieboon. Dus een plaatselijke aanduiding voor het zelfde. De weefsels van de peulwand van deze weekschillen zijn zachter. Vandaar de naam weekschil. Bij de enkele weekschillen is dit weefsel nog vrij natuurlijk  maar zachter en bij de dubbele meer van het weefsel wat ik watercellen noem bij gebrek aan een bestaande term. De enkele slabonen zijn vaak geuriger en zoeter en de dubbele leveren meer kilo's zodat de handel daar voor koos. Als de bonen rijpen droogt bij de weekschil de peulwand in en wel meer dan bij de hardschil. De bonen worden hierbij ingehuld in de verdroogde peul. De peul snoert dus in tussen iedere boon. De consequentie is dat de weekschil moeilijk dorst door dit insnoeren.

Droge bonen hebben altijd draad. Met of zonder draad komt alleen bij de weekschillen (sla-, sperzie-, prinsessenbonen) voor. Eerst hadden alle weekschillen een draad. Met het draden eruit halen -haren- kost dit meer tijd en er blijft altijd wat achter in de gehaarde peulen zodat op de rand van het bord een pruikje groene draden overblijft. De weekschil van het voor ons gewone type werd ook in Frankrijk geteeld en daar komt de naam prinsessenboon ook vandaan. De weekschil werd en wordt daar heel gewaardeerd en binnen de kringen van adel zal dat pruikje uitgekauwde bonen op de rand van het bord wel niet beschaafd werden geacht. Door mutatie ontstond een boon, of waarschijnlijker, ontstonden er in de tijd op meerdere plekken mutaties en daar maakten de Fransen graag gebruik van. Bij afwezigheid van die belangrijke hoofdnerf liep de productie en gezondheid wel terug maar de teler kreeg er een meerprijs voor terug. Langzamerhand is dit nadeel waarschijnlijk door veredeling kleiner geworden. Je kan zeggen dat iedere weekschil met draad een oud ras is.

Toen de boon uit Amerika hier naar Europa kwam werd de boon op meerdere manieren gebruikt. Van het veldje met bonen at men de eerste peulen als salade (=slaboon of sperzieboon), daarna als de bonen zich ontwikkelde dopte men ze, zoals nu de cannelliniboon, borlottiboon en de Chevrier Vert  (=flageolet) des daags. De rest van het bonenveldje wat overbleef rijpte af en werd gedroogd en gedorst voor de winter, de droge boon.

Later splitsten zich deze gebruiken in aparte groepen. Geen dubbelgebruikrassen meer. Er ontstonden peulrassen (de weekschil), dopbonen en droge bonen. Zo bleef ieder groep naar gebruik het meest geschikt. De weekschil werd lekkerder, de dopboon dopte lichter en de droge boon bleef goed dorsbaar."

 

Variëteiten:

 

Sla- of Sperziebonen ook wel Prinsessenbonen genoemd

 

Bij de sla- of sperziebonen worden de peulen geheel, of wanneer de peulen wat langer zijn gebroken of fijn gesneden, gebruikt als groente. Er zijn hierbij verschillende types of variëteiten te onderscheiden. De kleur van de bloemen, maar ook de kleur, de vorm en de grootte van de peul kan sterk verschillen. En dan is er nog het verschil in groeiwijze van de plant, lage types de zogenaamde stambonen of klimmende types ook wel stokbonen genoemd. Door deze enorme variatie is de gewone boon verre van gewoon en een groente die blijft boeien. In Nederland onderscheiden we de volgende types of variëteiten;

 

Naaldboontjes zijn Franse selecties die heel fijne en tot 20 cm lange peulen vormen. Het gewas is meestal weelderig en er wordt meerdere keren geplukt. Dit is nodig omdat ze vrij snel vliezig worden. De zaden zijn zwart, bruin, beige of gevlekt. Het is bekend dat gekleurde zaden net iets beter de koude en de vochtigheid verdragen bij een vroege zaai. Naaldboontjes worden soms aangeboden als ‘Haricots verts’.

 

Chinese boontjes zijn veel korter, maximaal 12 cm. Het gewas is meer gedrongen en er wordt maximaal twee keer geoogst. De peulen zijn zeer recht, fijn en gelijkvormig. Dit maakt dat het soms moeilijk te bepalen is wanneer je nu juist moet oogsten. De zaden zijn wit.

 

Sla-, Sperzie- of Prinsessenbonen hebben witte of bruine zaden, en een iets minder fijne peul dan de naaldboontjes. De peulen zijn vlezig en hebben de neiging snel over te gaan tot zaadvorming in de peulen.

 

Boter- of Wasbonen zijn stamslabonen met goudgele peulen. De meningen over de smaak van boterbonen lopen uiteen over zeer goed tot ‘flets’.

 

Spekbonen zijn eigenlijk dikke, vlezige grote slabonen die als breek- of snijbonen kunnen worden gebruikt. Ze geven een hogere productie dan de stamslabonen. De peul kan groen, geel of paars zijn. De smaak van de gele spekbonen is mild en zoetig. De paarse soorten, die groen worden bij het koken smaken iets sterker. Spekbonen zijn lekker in combinatie met rookspek.

 

Snijbonen hebben lange, platte, vlezige peulen en worden voor het gebruik gebroken, gesnipperd of gesneden. Vooral de oudere snijboonrassen, die snel draden zetten, moeten iets jonger geoogst worden.

 

Romanobonen zijn een soort Italiaanse snijbonen die korter, dikker, sappiger en breekbaarder zijn dan onze snijbonen. Ze kunnen groen, geel of paars zijn en hebben een fijne smaak. Worden ook gebruikt als breekboon.

 

Enkele stokslabonen hebben vrij platte, korte peulen, die tussen de zaden sterk zijn ingesnoerd. Ze hangen meestal met 6-8 stuks aan een tros.

 

Dubbele stokslabonen zijn wat langer en vleziger. De trossen bevatten ongeveer 5 stuks.  

 

 

Droge bonen

 

 

Bruine bonen
Bruine bonen worden, wat de smaak betreft, meer gewaardeerd dan witte bonen. Er bestaan kleine ronde bruine bonen, die niet zo vlug stuk koken. Deze zijn geschikt voor gerechten waarin de boon heel moet blijven. Een ander soort bruine boon, die langwerpiger en groter is, kookt eerder stuk. Dit is de soepboon.

 

Witte bonen 
De structuur van witte bonen is vaster dan die van bruine bonen. De vorm kan niervormig, rond of plat zijn.

 

Citroenboontjes

Zoals de naam al doet vermoeden zijn citroenboontjes geel. Ze zijn vaak vrij rond van vorm.

 

 

Kievitsbonen


Kievitsbonen lijken erg veel op de bruine boon en hebben een iets fijnere smaak. De kleur is beige met bruinrode vlekken. Na het koken worden kievitsbonen bruin. Er zijn zowel stok- als stamvormen (Coco de Prague nain). Op de foto van Coco de Prage Nain is te zien dat enkele boontjes vrij rood zijn. Dit fenomeen wordt veroorzaakt door de zogenaamde 'Jumping Genes', een min of meer wild gen. In 2008 heb ik uitsluitend deze rode boontjes gezaaid. Het meerendeel van het nageslacht was gewoon weer cremekleurig met een enkele rode vlek.

 

Flageolets
Flageolets zijn kleine, lange, platte iets gekromde lichtgroene bonen. Ze worden onder andere in Frankrijk verbouwd.

 

Rode kidney- of nierboon

De vorm van deze boon verklaart direct de naam: red kidney-bean (rode nierboon). Doordat deze boon uit Noord- en Midden-Amerika komt en erg veel werd en wordt gebruikt in het 'Wilde Westen", is de Engelse naam bekender dan de Nederlandse. Rode nierbonen zijn niervormig en rood-bruin van kleur. Rode kidneybonen smaken ietwat zoetig.

 

                                              

 

Zwarte kidney- of nierbonen 
Ook de zwarte nierbonen komen oorspronkelijk uit Midden- en Zuid-Amerika De glimmende zwarte bonen worden wel in plaats van kleine bruine bonen gebruikt.

 

Koetjes- of Yin Yang bonen

Er zijn meerdere boontjes die half wit half anderskleurig zijn. De zwart-witte variant heet logischerwijs Koetjes- of Yin Yang boon. Maar andere kleurcombinaties zijn ook mogelijk. Sommige zoals 'Mocca with Cherry' zijn zelfs 3 kleurig.

 

 

Heilige- en Soldatenboontjes

Er zijn ook boontjes met een heel bijzondere tekening rond de navel. Veel mensen zien er een engel, monstrans, tinnen soldaatje of adelaar in. Vandaar de vaak tot de verbeelding sprekende namen. Het Heilig boontje wordt nog wel eens verwart met het Soldatenboontje.

                             

 

Pronkbonen (Phaseolus coccineus, synoniem: Phaseolus multiflorus)

 

         

 

De pronkboon lijkt een ruwe snijboon maar behoort toch tot een andere soort namelijk Phaseolus coccineus. Deze klimmende bonen onderscheiden zich van snijbonen door een robustere groei, en doordat de wortel vaak knolvormig verdikt is. Bij de jonge plantjes zijn de gewone boon en de pronkboon gemakkelijk van elkaar te onderscheiden doordat bij de gewone boon de zaadlobben na kieming boven de grond zitten terwijl die van de pronkboon onder de grond blijven. De pronkboon is ook sterker tegen ziekten en verdraagt goed gure weersomstandigheden. Waarschijnlijk doordat de pronkboon in het land van herkomst op grotere hoogte groeit.

                                

Bij de pronkbonen worden er 4 ondersoorten onderscheiden; de roodbloeiende, de witbloeiende, de rood-wit bloeiende en de stamvorm. Er zijn echter ook enkele rose bloeiende soorten. De zwartzadige Riley bloeit bijvoorbeeld zalmroze en de paars-zwart gevlektzadige Sunset roze. De zaden van Painted Lady wijken met hun kleur, zacht crème bruinig met chocoladebruine vlekjes, af van andere pronkbonensoorten. 

 

De pronkboon is in tegenstelling tot de gewone boon een goede kruisbestuiver. Vandaar dat de verschillende variëteiten onderling vrolijk met elkaar kruisen. Hierdoor kun je andere zaadkleuren krijgen. Nadat ik in 2008 meerdere soorten pronkbonen heb verbouwd merk ik dat het lastig is om een relatie te leggen tussen de zaadkleur en de bloemkleur. Ik heb de indruk dat witzadige pronkbonen altijd wit bloeien, dat pronkbonen met gekleurde zaden nooit wit bloeien. Verder had ik het idee dat rood-wit bloeiende soorten altijd bruine of bruingevlekte zaden hebben. Tot ik op internet de pronkboon Policemans Boots tegenkwam. Een zwartzadige pronkboon met rood-witte bloemen. In 2013 ga ik deze variëteit proberen te vermeerderen. 

 

Naar het schijnt krijgt het zaad de kleur mee van de moederplant. Je ziet dus het jaar erop door de verschillende zaadkleuren dat de moederplant door een buurplant is bestoven. Pronkbonen worden in belangrijke mate bestoven door insekten. Dit kan gebeuren tot over een afstand van wel 1 km. Wanneer je een bepaalde soort enigzins raszuiver wilt houden wordt een minimale plantafstand van 500 m. geadviseerd. Het is ook mogelijk de plant te isoleren van de buitenwereld met behulp van een muskietennet. Bedenk dan wel dat de pronkboon vooral wordt bestoven door insekten.

 

 

Wat betreft de consumptie is de pronkboon een heel veelzijdige groente. Jong geplukt kan hij worden gegeten als snijboon. Let er tijdens het plukken op dat er zich nog geen zaden hebben gevormd. Wanneer het begin van zaadvorming zichtbaar is kun je er bijna zeker van zijn dat er zich draden hebben gevormd. Goede pronkbonen voelen ook iets rubberiger dan oude pronkbonen die vaak wat harder aanvoelen. Tijdens het snijden heb je een tweede kans om de bonen met draad er tussenuit te gooien. Er zijn natuurlijk ook moderne soorten zonder draad. De jonge pronkboon kan dus vers worden gegeten als snijboon. Het is ook mogelijk om hem zo in het zout te zetten en er de zogenaamde zoute snijbonen van te maken   of zo ongeblancheerd in de vriezer te doen voor later.                                                                 

 

De pronkboon vormt ook de basis voor de Twentse Humkessoep. Hierbij worden de jonge bonen gesneden en de dikke bonen gedopt. Het recept voor Humkessoep is te vinden op onze recepten pagina. Hierbij zijn we aangekomen bij de tweede gebruiksvorm van de pronkboon, namelijk als dopboon. De dikke bonen kunnen worden gedopt en de zaden vers gekookt. Je kunt ze dan zo eten of gebruiken voor een bonensalade. Zelf heb ik hiermee weinig ervaring. Als laatste kun je de zaden van de pronkboon laten drogen en eten als droge boon zoals b.v. bruine bonen of kidney bonen. In de omgeving van Aalsmeer wordt op deze manier de Stiense boon, ook een pronkboon, gegeten met rookspek en zoete appel. Een bijzondere pronkboon is de Boerenteen. Deze geeft zaden van wel 4 cm.   

 

In 2008 vond ik een wel heel bijzondere pronkboon tijdens het bonen doppen. De ene helft had de typische tekening van Painted Lady, de andere helft de tekening van wat ik 'creme spot' noem, een cremekleurige boon met een lichte chocoladebruine spikkel tekening. Op de foto rechts het zaad gefotografeerd op een spiegel zodat beide tekeningen goed zichtbaar zijn.

                                                                              

 

Andere bonensoorten:

 

Enkele andere geslachten/soorten die in Nederland worden aangeboden zijn: Phaeolus lunatis (Limaboon), Glycine max (Sojaboon) en Vigna unguiculata (Marokkaans Oogboontje of Black Eyed Pea, Kouseband). Dit zijn soorten die iets meer warmte nodig hebben. Voor de teelt is een kasje aan te bevelen.

 

 

 

home                                                                                                                                                                                    naar boven

Boontjes verbouwen

Aan de grondsoort stellen boontjes weinig eisen. Boontjes worden na ijsheiligen, half mei, in de vollegrond gezaaid. De gemiddelde temperatuur van dag en nacht moet ongeveer 15 graden zijn. Bij het zaaien moet de grond niet te nat zijn. Anders gaan de bonezaden rotten. De grond mag best droog zijn. Stambonen worden gezaaid in polletjes of rijen. Bij polletjes doe je 4 zaden in een gaatje van ingeveer 4 cm diep. De afstand in de rij en tussen de rijen is ongeveer 30 cm. Je kunt er dan gemakkelijk tussendoor schoffelen. In rijen planten is ook mogelijk. Zaai dan om de 15 cm. 2 zaadjes. Stokbonen zaai je in een wigwam of tent gemaakt van b.v. bamboestokken. Hazelaar is mooier maar oude tentstokken voldoen ook prima. Eigenlijk kun je ze overal in laten klimmen. Bij een wigwam plaats je 4 stokken in een wigwam vorm. Bij een tent plaats je 10 stokken in 2 rijen van 5 met een tussenafstand van ongeveer 50 cm. tegenover elkaar. Vervolgens bindt je de toppen aan elkaar en plaatst bovenlangs in de kruisingen een lengtestok. Het is mogelijk deze tenten te schakelen. Als ze erg lang worden maak dan dwarsverbindingen zodat het geheel steviger wordt. Bij sperziebonen doe ik meestal 8 zaden rond een stok. 4 Maal 2. Bij Pronkbonen 4 zaden per stok.

Voorzaaien kan ook. Je kunt dit vanaf eind april doen. Wij doen dit altijd omdat de spreeuwen en kauwtjes anders de boontjes uit de grond trekken. Het schijnt dat ze het boontje wanneer deze met het nekje boven de grond komt deze aanzien voor een lekkere worm. Ze pikken hem uit de grond, zien dat ze zich vergist hebben, en pakken de volgende. Als tuinier zie je dat liever niet gebeuren. Wij zaaien daarom voor in toiletrollen en keukenrollen. In de wintermaanden beginnen we de rollen te sparen. Verder heb je nog een stevig doosje of manderijnenkistje nodig. Op de bodem leg je een oude krant. Vervolgens plaats je de closetrollen en keukenrollen als het kan in rijen in het doosje. De keukenrollen knip je eerst doormidden. Vervolgens doe je er gewone potgrond in tot circa 4 cm onder de rand. Doe dan per closetrol afhankelijk van de grootte van de zaden maximaal 4 zaden van een sperziebonesoort of 1 van een Pronkboon. Zet er per gezaaide soort gelijk een label bij. Staan de closetrollen netjes in een rij dan volstaat 1 label per rij. Label anders per rol. Is de grond droog dan kun je er een heel klein scheutje water bij doen om het kiemen te versnellen. Maar niet teveel anders verrotten de zaden.

Als de eerste bladeren zijn verschenen kunnen de plantjes worden uitgeplant. Het gevaar van uit de grond te worden getrokken is geweken. Hele jonge plantjes kunnen nog wel eens door slakken worden opgegeten. Strooi in dit gevaal een paar milieuvriendelijke slakkenkorrels rond de plantjes. De closetrollen kun je laten zitten. Die verteren later gewoon. Is het erg droog wanneer je de plantjes poot doe dan een scheutje water in het plantgat voordat je het plantje poot. Nog even een weetje. De kiemplantjes van sperziebonen, Phaseolus vulgaris, zijn te herkennen aan de zaadlobben die boven de grond uitkomen. Bij de Pronkboon Phaseolus coccineus blijven deze onder de grond.

Wil je zaad overhouden dan is het aan te bevelen bonen van het type Phaseolus vulgaris tenminste 1 1/2 meter uit elkaar te planten. Voor de zekerheid kun je sperziebonen beter niet dicht bij droogboontjes zetten. Zet deze liever 20 meter uit elkaar. Pronkbonen, Phaseolus coccineus zijn zeer goede kruisbestuivers. Wil je deze raszuiver houden dan plant je deze minimaal 500 meter en liever 1000 meter uit elkaar. Heb je deze ruimte niet dan kun je de plant afschermen met insektengaas. Neem b.v. een klamboe. Deze kun je gemakkelijk over een wigwam trekken. Het is aan te bevelen een paar insekten binnen de klamboe te krijgen voor de bestuiving. Het is mogelijk hiervoor vliegen te gebruiken. Je kunt deze als maden kopen bij een hengelsportzaak. Doe deze in een margarinekuipje waarin je enkele gaten hebt gemaakt. Zelf heb ik geregeld de stokken geschud. Of het geholpen heeft weet ik niet maar de bonen werden wel bevrucht. Later in het seizoen wanneer het natter wordt kunnen de bonen gemakkelijk ten prooi vallen aan Botrytis en gaan rotten. Haal dus op tijd het insektengaas weg om de bonen goed te laten doorluchten. Peulen die geel beginnen te kleuren kunnen worden geplukt en in huis op een warme plek te drogen worden gelegd. Je krijgt dan een hogere opbrengst dan wanneer je ze buiten laat hangen. Ze kunnen dan gaan schimmelen.

 

Home                                                                                                                                                                                       Naar Boven

De Stiense Boon, een zoektocht op Internet

In 2007 kreeg ik een Pronkbonen mix van Johan van der Hoek. Hierin zat een soort die als voorouder de Stinse Boon had. Volgens een kennis van Johan zou het ook een Stichtse- of Steense Boon kunnen zijn. Deze soort had zo’n 30 jaar kunnen kruisen met 3 andere Franse soorten maar was als type nog te onderscheiden. Het zaad was paars van kleur met een zwarte vlektekening geconcentreerd rond de navel. De bloemkleur was rood. Bij Staatsbosbeheer had ik me net beziggehouden met cultuurhistorie. Als noorderling en plantenliefhebber is de Stinseflora bij mij bekend en geliefd. Mijn nieuwsgierigheid naar deze boon was gewekt. Was het mogelijk dat ook een bonesoort tot de Stinseflora kon worden gerekend? Op zoek dus naar de Stinse Boon. Informatie over deze boon was in de bibliotheek of op internet niet voorhanden.

 

 

 

Op zeker moment zag ik op de site van de Nationale Proeftuin iemand die op zoek was naar de Stiense Boon. Het verschil tussen Stinse en Stiense is slechts één letter. Het zou dus best dezelfde boon kunnen zijn. Maar eens contact met de aanvrager Johan de Graauw opgenomen. Wellicht kon hij me iets meer vertellen over de Stiense Boon. De aanvrager vertelde me dat zijn moeder, geboren in Aalsmeer, deze bonen vroeger voor hem bereidde met gedroogde zoete appel en rookspekjes. Wat het nou precies voor een boon was wist hij me helaas niet te vertellen.

 

Maar eens gegoogeld op Stiense Boon. Een hit, het artikel ‘Deeltijdboer in Drenthe’ in de Noorderbreedte No. 5 uit 2005, met hierin het stukje “…de Stiense boon, die paars is en met grote rode bloemen bloeit”. Ergens in het stroomdallandschap van de Drensche Aa verbouwde Meino Smit deze bijzondere boon. Nog maar eens gegoogeld op Meino Smit. Een flink aantal treffers. Na enig zoekwerk vind ik een e-mail adres. Op de gok stuur ik een mailtje in de hoop dat ik de goede Meino Smit heb en dat hij wil reageren. Gelukkig krijg ik een reactie; De Stienseboon is geen snijboon, je moet de peul er dus afhalen. Het is een vrij grote boon (2 tot 3 cm, zwart/paars van kleur met spikkels….De peul is vrij hard en groot, er kunnen wel 4 tot 6 grote bonen per peul voorkomen.” Helaas, de Stiense Boon van Meino Smit lijkt toch iets anders te zijn dan de Stinse Boon.

 

Vervolgens nam ik contact op met Jac Nijskens van de Historische Groentehof in Beesel, een deskundige op het gebied van historische groenterassen. Van hem kreeg ik de volgende reactie; “Nee, die naam is niet bekend. In het Aardrijkskundig Woordenboek van Van der Aa uit de eerste helft van de 19e eeuw wordt al vermeld dat de boeren van Stiens o.a. bonen verbouwden. De originele rassen uit die tijd zijn er niet meer. Het zal wellicht een streekras zijn die elders weer een andere naam heeft….Op de foto is het duidelijker: Ik ken deze boon als de Groninger Pronkboon. Het is dus absoluut een pronkboon”.

 

Wanneer ik in februari 2008 in Dordrecht ben vraag ik Ton Vreeken van Vreeken’s zaadhandel nog maar eens naar de Stiense Boon. “Bloeit hij rood? Dan is het zeker een Pronkboon” aldus Ton Vreeken. Zo langzamerhand krijg ik het gevoel dat Meino Smit er naast zit en de Stiense Boon toch een Pronkboon is en mogelijk dezelfde als de Stinse Boon. Dat de Stiense Boon in de eerste helft van de 19e eeuw rond Stiens werd verbouwd klinkt geloofwaardig. Toch blijft deze mysterieuze boon me bezighouden. Na een paar maanden bedenk ik dat ik ook wel eens kan googelen op “Stiense Bonen”. Waarom had ik dat niet eerder gedaan? Nog twee hits. Één van een veiling van Stiense Bonen door de Historische Tuin in Aalsmeer en één van de IPK Genbank in Gatersleben (D). Vooral de laatste is een openbaring. Ik lees het volgende: Stiense Boon ‘Phaseolus coccineus L. var. Coccineus. In 1980 ergens in Nederland verzameld. De Stiense Boon is dus voor 100% zeker een Pronkboon! In de verzameling van de IPK zie ik ook nog een Steense Boon. Vermoedelijk ook een synoniem. De stoute schoenen aangetrokken en het IPK maar eens een mailtje gestuurd. Enige tijd later de volgende reactie: “Ich habe nur die Sorte Pronker (Steenseboon) gefunden. Wir haben sie vom Institut für Pflanzenzüchtung in Wageningen erhalten.  Laut unserer Datenbank ist der Fundort "Oude Wetering".

 

Voor meer informatie en omdat ik deze bijzondere boon ook zelf wel eens met mijn eigen ogen wil zien maar eens contact opgenomen met de Historische Tuin in Aalsmeer en gevraagd om een paar zaden. Van de heer van Dam krijg ik de volgende reactie “Stiense bonen zijn Oost-Indische pronkbonen. Alleen is er rond Aalsmeer door de jaren heen een selectie ontstaan waarbij op de gespikkeldheid e.d. is geselecteerd. Hoewel het in principe mogelijk is om de bonen als snijbonen te eten, door ze jong te oogsten, worden ze hier als droge boon geoogst, en pas in de winter gegeten. Het gerecht staat dan ook in de maag, en is uistekend geschikt om de volgende dag te gaan spitten. De naam Stiense boon is volgens ons een verbastering dus van Oost-Indische boon. Het Aalsmeerse dialect is verwant aan het Westfries, ik ben daar de naam Stiense boon ook wel tegengekomen. Ik zal morgen even in de voorraad kijken, maar ik wil als U een adres geeft wel wat opsturen…”  En zo kreeg ik enkele dagen later met de post een enveloppe met 20 Stiense Bonen. Naast de verwachte paarse zaden met de zwarte stiptekening geconcentreerd rond de navel ook meer rossige zaden met een lichte stiptekening en wat meer bruinrossige zaden met zwarte vlekjes. Hoewel het al wat laat in het seizoen was toch snel 10 zaden gelegd.

 

 

 

De zoektocht naar de Stinse- of Stiense Boon leek zijn ontknoping te naderen. Alleen de herkomst van deze boon was nog onduidelijk. Werd de Stiense Boon halverwege de 19e eeuw rond Stiens verbouwd of was Stiense inderdaad een verbastering van Oost-Indische? In een laatste poging de herkomst van deze boon te achterhalen stuurde ik een mail naar het Nederlands Scheepvaartmuseum in Amsterdam en naar de Documentatiestichting Leeuwarderradeel waarin Stiens ligt. Van het Scheepvaartmuseum kreeg ik al snel een reactie: “De zogenaamde pronkboon wordt niet besproken in de publicaties over voeding op de schepen van de VOC. (o.a. een publicatie van Herman Ketting: Leven, werk en rebellie aan boord van Oost-Indiëvaarders (1595-1650) en Voeding op de schepen van de VOC uit Leidschrift,1988, Leiden.)  Er wordt slechts gesproken over witte en bruine bonen”. De Stiense- of Oost-Indische boon is in de documentatie helaas nergens terug te vinden.  

 

 

Intussen ben ik er via de documentaire ‘Eeuwig Moes’ en wederom wat googelen achter gekomen dat mijn oud studiegenoot en vriend Lambert Sijens in Veenhuizen ‘De Tuinen van Weldadigheid’ is begonnen. Dankzij hem krijgt de zoektocht naar de Stiense boon nog een verassende wending. Hij heeft de tuin overgenomen van Stichting de Oerakker. Drijvende kracht achter deze stichting die zich inzet voor het behoud van historische groenterassen was Ruurd Walrecht. Ruurd had onder andere een flinke verzameling boontjes waaronder de Stiense Boon. De verzameling van Ruurd was ondergebracht bij het Centre for Genetic Resources the Netherlands (CGN) in Wageningen. In juli nodigt Lambert me uit om mee te gaan naar het CGN en te kijken naar de verzameling boontjes van Ruurd die hier zijn uitgeplant. Na allerlei boontjes van het vulgaris type te hebben gezien komen we aan bij de pronkbonen. En daar sta ik dan na een half jaar oog in oog met een bloeiende Stiense boon. Naast de plant een petrieschaaltje met enkele paarse zaden met een zwarte vlektekening meer geconcentreerd rond de navel. Geen twijfel mogelijk. Dit is hem. De Stiense boon bestaat echt!

 

                                                               

Eind juli krijg ik onverwacht toch nog een reactie van de Documentatiestichting Leeuwarderadeel. “Het fenomeen Stiense Boon is mij niet bekend. Ik heb hier en daar geïnformeerd maar dat heeft niets opgeleverd”. Voor mij een bevestiging van mijn intussen steeds sterker wordende vermoedens dat de Stiense boon inderdaad niets met de plaats Stiens te maken heeft.

 

In de volgende maanden concentreer ik me meer op Pronkbonen in het algemeen en dan vooral het raszuiver houden van de soort. Ik kom te weten dat de pronkboon een zeer goede kruisbestuiver is en dat voor het raszuiver houden van de soort een minimum plantafstand van 500 meter een vereiste is. Ik denk aan Wageningen en mijn volkstuin waar de planten minder dan 5 meter uit elkaar stonden. Hoe zouden te tuinders in het verleden de pronkbonen raszuiver hebben gehouden vraag ik me af.

 

Mijn vriend Lambert heeft intussen bij Ruurd Walrecht de vraag uitgezet naar meer informatie m.b.t. de Stiense Boon en dan vooral wat betreft de herkomst. In oktober komt de vrij uitgebreide reactie van Ruurd:

 

“De naam stienseboon doet vermoeden dat de boon uit Friesland komt. Er is buiten de naam echter geen enkele link die die richting opgaat. Het is een pronkboon van het oude type, d.w.z. met draad in de peulen. De pronkboon heeft een aantal synoniemen zoals Piet Heinboon en namen die op de rode bloemkleur slaan. Dit biedt ook geen houvast. Stienseboon kan een verkeerde beschrijving zijn van een dialektische E die naar de I in peer gaat. Het is meestal iemand "van buiten" die iets beschrijft en niet thuis is in het plaatselijke dialekt. Een andere gissing is 'De bonen van Stien of Steen’ ofwel ‘Steen zijn boon’.


Waar de boon thuishoort is duidelijker; Zuid-Holland. De Pronkboon komt [oorspronkelijk, red.] uit de koude, mistige berggebieden van Mexico. Het is de minst koudegevoelige boon. In het winderige Zuid-Holland werd tabaksteelt bedreven. De grond was er goed voor en de nabijheid van de Noordzee verkleint het nachtvorstgevaar van de vorstgevoelige subtropische tabak. Tabak heeft heel grote windgevoelige bladeren. Wat men deed was het volgende. Om de vierkante tabaksakkers plaatste men in de winter een dichte rij rijshout (wilgentakken b.v.) In eind april zaaide men daar tegenaan de Stiense bonen. Alleen een pronkboon kan men zo vroeg zaaien en groeit met koud weer mooi door. Men verkreeg zo een muur van pronkbonen die de gevoelige tabaksplanten beschermden.
Tabak droogt heel langzaam (ik heb hier al 2 maanden in de schuur tabak te drogen hangen en het is nog slap en groen.) Men moet dus verwarmen om het goed droog te krijgen. Tabaksarbeiders mochten de rijpe peulen plukken en de bonen werden op de vloer in de drogerij dan ook nagedroogd. Zoals personeel in de steenfabrieken hun zoete appeltjes mochten drogen op de restwarmte van de fabriek. Het was een extraatje voor het personeel dus. Deze informatie heb ik van enkele aparte bronnen, o.a.  van een onderzoekend landbouwingenieur (1943) die het uit de praktijk noteerde. Het personeel in de tabaksteelt mocht de rijpe peulen plukken voor eigen gebruik”.

 

Uit het schrijven van Ruurd blijkt dat de herkomst van de Stiense Boon een relatie heeft met de tabaksteelt in Nederland. Opvallend is ook het deel waarin hij schrijft over het drogen van zoete appeltjes. Want van Johan de Graauw had ik eerder gehoord dat de Stiense Boon werd gegeten met zoete appeltjes en rookspek. Hij schreef het volgende; “Zelf heb ik nooit Stiense bonen klaargemaakt maar ik heb het mijn oude moeder (86) gevraagd. … mijn vader ...  hield er niet zo van en noemde de bonen gekscherend "kroostorren". … De bonen worden gaargekookt met een stukje rookspek. De appeltjes die mijn moeder gebruikte waren doorgaans verse appels genaamd "zoete veentjes" maar men gebruikte ook gedroogde appeltjes. … Er werden gebakken aardappeltjes bij geserveerd.

 

Naar aanleiding van het schrijven van Ruurd heb ik me vervolgens iets meer verdiept in de tabaksteelt in Nederland. Vanaf 1615 is er tabak verbouwd in Nederland. De teelt begon in de omgeving van Amersfoort en verspreidde zich vanaf hier over de Provincies Utrecht en Gelderland. Door import van kwalitatief betere tabak was de tabaksteelt rond 1900 bijna verdwenen. Gedurende WO I was er nog een opleving van de tabaksteelt in Zuid-Holland, Noord-Brabant en Noord-Limburg. Ook gedurende WO II was er weer een opleving van de tabaksteelt in Noord- en Zuid-Holland, Zeeland, Noord-Brabant en Noord Limburg. In 1959 maakte de valse meeldauw een eind aan de tabaksteelt in Nederland. In Amerongen vind je het tabaksmuseum waar nog steeds tabak wordt verbouwd. De perken worden omzoomd door een hoge heg van bonenstaken die de wind vangen. De gebruikte pronkbonen worden 'Tabaksbonen' of  'Amerongse bonen' genoemd.

 

 

Het gebied van de tabaksteelt ligt in het belangrijkste deel van de regio die van ongeveer de 11e t/m de 16e eeuw bekend stond als het Sticht Utrecht. In dit gebied had de bisschop van Utrecht wereldlijke macht. Het omvatte ruwweg de provincies Utrecht, Overijssel, Drenthe en de stad Groningen. Dit gebied was onderdeel van het grotere Bisdom Utrecht, het gebied waar de bisschop geestelijk leider was. Hierbij kwamen globaal nog de provincies Friesland, Noord- en Zuid-Holland, Zeeland en Gelderland. Nog steeds vind je de benaming Sticht terug in b.v. 'Waterschap Stichtse Rijnlanden'. Helemaal aan het begin van de zoektocht noemde Johan van der Hoek de Stichtse boon als mogelijk synoniem voor de Stiense boon. Gezien de relatie met de tabaksteelt is dit best aannemelijk. Ook gezien de relatie tussen tabak en Oost-Indië zijn synoniemen als Oost-Indische boon en Piet Hein boon te verklaren. Toen de boon later in Noord-Holland terechtkwam kan de naam zijn verbasterd tot Stiense.

 

Ik heb navraag gedaan bij het Tabaksmuseum in Amerongen in de hoop dat de Stiense of Stichtse boon bij hun bekend was. Helaas. Het bewijs voor het bestaan van een Stichtse boon, of de tabaksteelt rond Amersfoort als herkomstgebied van de Stiense boon is niet aantoonbaar.

 

Samenvatting en Conclusie:

 

De Stiense Boon is een Pronkboon van het type Phaseolus coccineus var. Coccineus (L.). Dit wil zeggen een roodbloeiende Pronkboon. De zaden zijn paars met een zwarte vlektekening, gecentreerd rond de navel. Het is een oud land- of streekras dat zijn herkomst lijkt te hebben in het veengebied rond Aalsmeer. De Stiense Boon werd gebruikt in winsingels rond tabaksvelden. Van deze draadvormende boon werden de gedroogde zaden gegeten. De naam Stiense heeft geen relatie met de Friese plaats Stiens waar in de 19e eeuw ook een florerende bonenteelt was. Waarschijnlijk is Stiense een verbastering van het westfriesche dialect voor Oost-Indische. Waarom de boon Oost-Indische Boon werd genoemd is onduidelijk. Een relatie met de VOC lijkt er niet te zijn. Op VOC schepen werden geen Pronk-, Oost-Indische-, of Stiense Bonen gegeten. Oost-Indische zou kunnen verwijzen naar de tabaksteelt. Het kan ook zijn dat het gedurende een bepaalde tijd modieus was om iets Oost-Indisch te noemen. We kennen immers ook de Oost-Indische kers die in werkelijkheid uit Chili en Peru komt.

 

... of is Stiense wellicht toch een verbastering van Stichtse en zou het kunnen duiden op de herkomst van de boon, namelijk de tabaksteelt rond Amerongen. Zeker is dat de Pronkboon Phaseolus coccineus var. coccineus al sinds 1615 werd gebruikt als windsingel rond de tabaksvelden. In elk geval lijkt het vrij zeker dat de Stinseflora helaas niet kan worden verrijkt met een Stinse Boon.

 

Mogelijke synoniemen voor de Stiense Boon: Stinse Boon, Steense Boon, Stichtse Boon, Oost-Indische Boon, Kroostor, Tabaksboon*, Piet Hein Boon, Amerongse Boon*.

 

 

 * Volgens de heer Zeven zijn Tabaks- of Amerongse Bonen niet altijd Pronkbonen maar kunnen dit ook andere klimmende soorten zijn.

 

 

home                                                                                                                                               naar boven

Pompoenen en Courgettes

Sinds enkele jaren raken we een beetje verslaafd aan pompoenen. Enerzijds vanwege de prachtige vruchten anderzijds vanwege hun veelzijdige gebruik in de keuken. Op onze volkstuin hebben we al verschillende soorten verbouwd. Naast pompoenen verbouwen we ook courgette, de zogenaamde sierkalebassen (die eigenlijk pompoentjes zijn, ze bloeien namelijk geel) en dit jaar voor het eerst echte kalebassen (deze bloeien wit).

   

Half april zaaien we de planten voor in potjes van 12 tot 18 cm. De zaden worden bij voorkeur op de zijkant gezaaid. Ze komen dan gemakkelijker op. De potjes zeten we in een klein plastic kasje waar ze beschermd worden tegen eventuele koude nachten. Vanaf half mei, wanneer de temperatuur gemiddeld 15 graden celsius is, kunnen de plantjes in de volle grond. Wil je echt grote pompoenen spit dan eerst een gat van 1 m3 en vul deze deels met mest, laagje mest, laagje grond etc. Met een hark maken we eerst een ondiepe kuil van circa 50 cm. doorsnee en 10 cm. diep met een klein dijkje er om heen. Het jonge plantje staat dan vaak in iets vochtiger grond en met het water geven blijft het water mooi binnen het dijkje staan. Pompoenen zijn gulzige planten. Ze moeten immers in korte tijd grote vruchten produceren. Mest daarom geregeld bij met een meststof die rijk is aan kalium, b.v. tomatenvoeding. Zakt de temperatuur in de herfst gedurende langere tijd onder de 15 graden dan kunnen de pompoenen worden geoogst. De planten groeien dan niet meer en gaan ten onder aan meeldauw. Tip: neem bij voorkeur rassen die snel afrijpen en die resistent zijn tegen meeldauw. Voor pompoenen zijn onze zomers vaak te koud, te kort en te nat.

Home                                                                                                                                                        Naar boven

Helleborus

Sinds een jaar of 10 verzamel en kweek ik op kleine schaal Helleborus. Deze vaste plant die zo vroeg in het jaar al bloeit heeft voor mij iets magisch. Dat je het hoofdje voorzichtig op moet tillen voordat je de vaak prachtige tekeningen ziet maakt het verzamelen van Helleborus tot een spannend avontuur. Onderstaande planten heb ik gescoord bij dhr. Meijer die voorheen in Buitenpost zat en bij de Hessenhof  in Ede. Dit jaar heb ik voor de derde keer geprobeerd Helleborus met de hand te bestuiven. De eerste twee planten hebben inmiddels gebloeid en zagen er goed uit. Maar het is nog even wachten op de rest voordat ik van een succes kan spreken.

Plaats

Helleborus groeit het best op een plek in de halfschaduw. De bodem zou alkalisch (kalkrijk) moeten zijn en niet te nat (goed doorlatend). Bij mij groeit Helleborus in zand waaraan veel compost is toegevoegd. Als bemesting gebruik ik langzaam oplosbare organische mestkorrels en kalk.

 

Zaaien

 

Zaad van Helleborus kan vanaf eind mei worden verzameld. Het is belangrijk dat het zaad vers gezaaid wordt. Doe je dit niet dan kan het zaad in een soort winterrust gaan en kan het jaren duren voordat het zaad kiemt. De beste tijd om te zaaien is eind juli - begin augustus. Dit kan het best in wat zanderige grond. In het boek ‘Helleborus’ van Graham Rice en Elizabeth Strangman wordt de volgende methode toegepast:

 

“Neem zoveel aardewerken bloempotten als nodig met een diameter van 16 cm. Plaats een potscherf op de bodem en doe er 2 cm grind in. Vul de pot af met een mengsel van 1/3 gezeefde bladaarde, 1/3 turf en 1/3 zand of fijn grind. In deze pot zaai je circa 30 zaden. Neem een potlood, steek deze puntdiep in de aarde en doe er een zaadje in. Na het zaaien dek je de grond af met een laagje zand of fijn grind. De potten druk je vervolgens in een bak of bult grind. Om vraat te voorkomen kun je de potten nog afdekken met b.v. een plaatje leisteen.”

 

Helleborus is een winterkiemer en heeft een koudeperiode nodig om te kunnen kiemen. In het voorjaar zie je de zaailingen. Ik heb deze methode toegepast en tot op zekere hoogte werkt deze. Bij mij ging het een keer helemaal fout toen een laag sneeuw die de zaailingen

bedekte ging smelten. Hierdoor werd de grond veel te nat en rotten vrijwel alle zaailingen weg. Zorg dus dat de grond niet te nat wordt. Dek het af of plaats de potjes op hun kant.

 

Meer succes heb ik tot nu toe met spontane zaailingen. De zaden die bij mij in mei – juni op de zanderige grond vallen kiemen prima en rotten niet. In het voorjaar kan ik vaak dikke plaggen met zaailingen oogsten. Dankzij de zanderige grond is het goed mogelijk de zaailingen voorzichtig van elkaar te scheiden. De zaailingen kunnen vervolgens worden opgepot in potgrond of uitgeplant in de volle grond.

 

                                              

                                                            

Handbestuiven

 

Heb je een paar mooie planten met heldere kleuren of een mooie tekening dan zou je kunnen proberen deze met elkaar te kruisen. Het beste zou je dit kunnen doen in een kasje waar je de planten kunt afsluiten van bijen en andere dierlijke bestuivers. Ik heb geen kas en doe dit niet. Wat je vervolgens nodig hebt is één bloem met droog stuifmeel en één bloem die op het punt staat zich te openen. Neem met een wattenstaafje of een donkere balpen de je langs je mouw statisch gewreven hebt stuifmeel van de eerste bloem. Open vervolgens voorzichtig de tweede bloem en breng voorzichtig het stuifmeel op de stampers. Merk vervolgens de bloem die je hebt bestoven. Zelf draai ik er meestal een plastic clipje omheen waarmee je broodzakjes sluit. Wil je het beter doen dan gebruik je gekleurde stukjes wol. Gebruik voor elke kruising een kleurtje. Knoop de helft aan de bloemstengel en plak de andere helft in een notitieboekje. Schrijf hierin op welke kruising je hebt gemaakt b.v. wit X rood waarbij wit de vaderplant is en rood de moederplant.

 

Selectie

 

Na 2 tot 4 jaar zullen de planten voor het eerst bloeien. Niet alle bloemen zullen mooi zijn. Wil je top Helleborussen kweken dan zul je de mooiste en sterkste planten moeten selecteren. Na strenge selectie houd je vaak minder dan 10 % over.

 

 

Ziekten

De meest beruchte ziekte waaraan Helleborus kan lijden is de zwarte bladvlekkenziekte. Helaas, of gelukkig misschien wel, heb ik hier nog nooit een goed voorbeeld gezien. Om deze en andere ziekten te voorkomen is het aan te raden om voor de bloei het oude blad te verwijderen. Gooi dit niet op de composthoop. Waar mijn Helleborussen wel last van hebben is de schimmelziekte Botrytis. Vaak treed dit op bij pas gekochte planten die kennelijk in kassen zijn opgegroeid. Op het moment dat deze, vaak hele mooie planten, buiten in de volle grond worden geplant manifesteert zich deze ziekte. Wat je vaak als eerste ziet is dat de jonge frisse bladscheuten ineens omvallen. Bij nadere beschouwing zie je dan vaak dat de stengel vlak boven de grond zwarte vlekken vertoond en verschrompeld. Hoewel de plant er erg onder kan lijden lijkt de ziekte niet dodelijk. Vaak komt er elk jaar nog wel een deel van de plant op wat overleeft. Maar van de eens zo mooie plant blijft weinig over. Je kunt de ziekte enigzins voorkomen door de plant niet te diep te planten. Houd de kroon van de plant open. Strooi mogelijk wat grind rond de kroon zodat de lucht erbij kan. In noodgevallen kun je spuiten met een anti schimmel middel. In het late voorjaar kan Helleborus ook last hebben van bladluis. Op de zoete luizenpoepjes die op de onderliggende bladeren vallen gaan vaak schimmels groeien. Verwijder daarom deze bladluizen.

 

 

Home                                                                                                                                                                                     Naar boven

Primula auricula

Primula auricula en Aurikel

 

 

Primula auricula is een geelbloeiende primula uit het Alpengebied. Auricula is Latijns voor oor. In dit geval waarschijnlijk bere-oor. Ook kenmerkend voor Primula auricula is ‘farine’, de poederige witte laag die je op alle delen van de plant kunt tegenkomen. Primula auricula groeit op kalkrijke grond.

 

In hetzelfde gebied komt ook Primula hirsuta voor, een paarsachtig bloeiend primulaatje met hetzelfde soort blad. Primula hirsuta houdt echter van zure grond en heeft geen farine. Omdat beide planten kennelijk aan elkaar verwant zijn en naast elkaar voorkomen, kunnen beide planten met elkaar kruisen. In het wild, in de omgeving van Innsbruck zijn er in de 16e eeuw een aantal van deze kruisingen verzameld. Dit werden de voorouders van wat we nu Primula x pubescens of Aurikel noemen.

 

                                                                                 

 

Primula x pubescens is bij sommige tuincentra of postorder bedrijven te koop. Soms worden deze verkocht onder de naam Primula auricula. Wanneer je Primula auricula koopt kun je echter ook de geelbloeiende botanische soort kopen. De meer bijzondere Aurikels zijn te koop bij gespecialiseerde kwekers. In Nederland zijn dit er niet zoveel. Je moet dus al snel uitwijken naar België of Groot Brittanië. De gelegenheid om bijzondere Aurikels te kopen is de Nationale Rotsplantendag die jaarlijks eind april wordt gehouden in de Botanische Tuinen te Utrecht.

 

 

Historie en indeling

 

In de 16e eeuw werden de eerste aurikels verzameld en in tuinen in Wenen geplant. Eind 16e eeuw krijgt Clusius, dan botanicus in dienst van Maximiliaan de 2e van oostenrijk, enkele plantjes cadeau van Professor Aichholz. In 1583 beschrijft Clusius 6 soorten Aurikels. Wanneer Clusius in 1593 naar Leiden verhuist neemt hij waarschijnlijk enkele Aurikels mee. Tussen 1620 en 1685 vluchten de Hugenoten naar Groot Brittannië. Hun Aurikels nemen ze mee. Rond 1750 ontstonden de zogenaamde ‘edges’. Een edge is een aurikel waarbij het buitenste bloemblad is gemuteerd tot blad. Op de bloem kan meer of minder farine voorkomen. Zonder farine is de buitenste rand groen, met een beetje farine lijkt de rand grijs en met veel farine is de rand wit. De bloem heeft een rings gewijze opbouw en is van binnen naar buiten toe b.v. geel-wit-zwart-grijs in het geval van een ‘grey-edged’. In 1764 benoemt James Justice twee typen Auricula, de Engelse en de Luikse. Door de eeuwen heen neemt het aantal soorten toe. In 1809 wordt begonnen de Aurikels in klassen in te delen. De eerste groep die werd ingedeeld waren de zogenaamde ‘selfs’. Een self heeft naast het gele hart en de witte ring met farine hier om heen slechts één effen kleur. In 1824 werden hieraan de ‘alpines’ toegevoegd. Een alpine heeft geen farine en heeft iets van schaduwwerking in zijn bloem zitten. In 1873 werd in Groot Brittannië de ‘National Auricula Society’ opgericht. Tegenwoordig worden de volgende klassen onderscheiden; Alpines, Borders, Doubles en Shows, waarbij de Shows zijn onder te verdelen in; Edges, Selfs, Stripes en Fancies.

 

 

Alpines

 

Een alpine is een sterke en rijkbloeiende Aurikel. Het hart is wit tot geel. Op het buitenste bloemblad is een soort schaduwwerking zichtbaar. Op een alpine zit nooit farine. Niet op de bloem, niet op het blad.

 

Hiernaast Primula auricula 'Douglas Red'. Gezien de lichte schaduw rond het hart zou ik zeggen dat het een alpine is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Border

 

Er is geen goede standaard voor de border Aurikel. Kenmerkend voor de border is dat het een sterke plant is die het in de tuin prima doet. Soms lijken de border Aurikels op eenvoudige oude kruisingen, soms ook op Alpines, Selfs of Stripes.

 

De aurikel hiernaast is al tientallen jaren in de familie. Ik kreeg hem van mijn neef Hilbrand. Hij doet het prima op de volkstuin. Ik reken hem daarom tot het border type.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Doubles

 

Een double is een gevuldbloemige Aurikel. Er zijn gevuldbloemige Aurikels in allerlei kleuren. Ze kunnen kenmerken hebben van Aurikels uit elk van de andere klassen b.v. green- edged of alpine.

 

                                

 

Shows

 

Show Aurikels zijn onder te verdelen in; Edges, Selfs, Stripes en Fancies. Bij show aurikels kan het buitenste bloemblad effen, ringvormig of gestreept zijn. Show aurikels willen nogal eens tere plantjes zijn die je maar beter in een potje kunt houden en beschermen tegen de elementen. Typerend voor deze aurikels is ook het voorkomen van farine. In de regen zal de farine wegspoelen en verliest de plant zijn karakter. In de 19e eeuw werden deze aurikels in een zogenaamd aurikel theater of aurikel kabinet gehouden. Een soort open legkast voor buiten die men naar eigen smaak kan inrichten en versieren.

 

Selfs

 

Is het buitenste bloemblad effen dan is het een self. De kleur kan variëren van cremewit tot bijna zwart en alles hiertussen.

 

Edge

 

De Edges zijn nogmaals onder te verdelen in; Green Edge, Grey Edge en White Edge. Bij de edge speelt het voorkomen van farine een belangrijke rol. Komt er geen farine voor op het buitenste bloemblad dan is het een green edge, zit er een beetje farine op het buitenste bloemblad dan is het een grey edge en zit er veel farine op dan is het een white edge. Kenmerkend ook voor de edge Aurikel is de donkere bijna zwarte ring in het midden.

 

 

Fancy

 

 

Is de ring in het midden niet bijna zwart maar b.v. rood of geel dan is het een fancy Aurikel. Primula auricula 'Astolat' is een goed voorbeeld van een fancy.

 

 

Stripes

 

                                                                                                                                                  

Wanneer er in het buitenste bloemblad een streeptekening voorkomt in plaats van een ring vormige dan spreekt men van een stripe Aurikel.

 

Wil je meer weten over Aurikels, lees dan ‘Auriculas for everyone’ van Mary A. Robinson.

 

Voor meer plaatjes van de mooiste auricula's, klik op de volgende link naar de auricula gallery      

 

 

Ziekten en plagen

 

In de vollegrond zijn aurikels van het border type vrij ongevoelig voor ziekten en plagen. Er wil er wel eens een aangevreten worden door rupsen, slakken of snuitkevers maar normaliter vermeerderen ze zich goed. Gevoeliger voor ziekten en plagen zijn de show auricula's. In potjes gehouden zijn ze snel te nat of te droog. Zijn ze te nat dan rotten al snel de wortels weg. Houd je ze te droog dan hebben de plantjes vrij snel last van de zogenaamde "wortelluis". Een goede nederlandse naam heb ik hiervoor nog niet gevonden. In het boek van Mary Robinson wordt het "Root Aphid" genoemd. Deze aandoening is te herkennen aan een spint-achtige afzetting op de voet van de plant. Tik je de plant uit de pot dan zie je de witte webachtige spinsels op de wortels aan de buitenzijde van de kluit zitten. Kijk je heel goed dan zie je ook de luizen zitten. Een goede remedie heb ik hiervoor nog niet. Wat ik de laatste jaren doe is de plant uit de pot tikken en de grond verwijderen. Vervolgens verwijder ik de aangetaste wortels en pot het plantje opnieuw op. Ik ben er geen fan van maar het is aan te bevelen de wortels te behandelen met een insekticide voor oppotten of na het oppotten een pil met een systemisch insecticide in de grond te duwen. De plant in de vollegrond zetten lijkt ook te helpen. Maar niet altijd.

 

 

 

 

 

Home                                                                                                                                                                                    Naar boven


Sneeuwklokjes

Er was een tijd dat ik dacht dat er maar één soort sneeuwklokje bestond te weten Galanthus nivalis. Na het lezen van het boek 'Sneeuwklokjes' van Hanneke van Dijk en Gert-Jan van der Kolk weet ik dat er zo'n 500 cultivars zijn verdeeld over 19 soorten. Ik vrees dat ik inmiddels een beetje besmet ben met het Galanthus virus. Hoewel onze tuin niet vol staat met tig soorten sneeuwklokjes ben ik de laatste jaren toch wel bezig een kleine collectie op te bouwen. In het voorjaar kun je me dan ook geregeld gehurkt of liggend de tekening van een sneeuwklokje zien bestuderen of met een fototoestel in de aanslag. Naast het gewone sneeuwklokje Galanthus nivalis en Galanthus elwesi heb ik ook nog G. nivalis 'Flore Pleno', G. nivalis 'Viridapice' en G. elwesi 'Dionyssos'. Een aanrader is het sneeuwklokjesfestival dat jaarlijks wordt georganiseerd door kwekerij de Boschhoeve te Wolfheze. Een ander goed adres voor bijzondere sneeuwklokjes of andere leuke bloembollen is kwekerij 'De Bôlle Jist' in Finkum.

Home                                                                                                                                                                                        Naar boven

 

Muscari

Toegegeven, ik ben een heel klein beetje besmet met het Galanthus virus. Maar de verschillen tussen de verschillende variëteiten zijn vaak zo klein dat ik het meestal niet goed zie. De prijzen van sommige soorten zijn ook zo hoog dat ze voor mij onbetaalbaar worden. In sommige opzichten doet het verzamelen van sneeuwklokjes me denken aan de tulpenmanie in de 17e eeuw. Nee, dan liever het Blauwe Druifje. In onze blauw-witte bloementuin een onmisbare voorjaarsbloeier waarmee je mooie blauwe vlakken creëert. Na het Blauwe Druifje volgde al snel het Witte Druifje. Daarna kwam het lichtblauwe Druifje ‘Valeri Finnis’ en mijn favoriet Muscari latifolium met een bloem die aan de onderkant wel zwart lijkt. En daar hield het niet op. Er bleek een blauw-witte variëteit Mount Hood te bestaan, een gevuldbloemige ‘Fantasy Creation’ en zelfs een heerlijk geurend geel Druifje genaamd ‘Golden Fragrance’. Geel is niet mijn kleur maar de muscarimanie had toegeslagen. Intussen hebben we circa 15 variëteiten. Het gewas Muscari telt ongeveer 30 soorten. De herkomstgebieden zijn het Middelandse Zeegebied, Midden Azië en de Kaukasus. De meeste zijn winterhard. Het is een vrij gemakkelijk bolgewasje dat gemakkelijk verwilderd. Zet hem liever niet op een plek die ’s winters erg nat wordt. Plant de kleinere soorten in groepen van minimaal 25 stuks. Strooi de bolletjes uit en plant ze waar ze vallen. Dit geeft een natuurlijk effect. Blauwe Druifjes zijn eenvoudig te zaaien. Zaai de zaadjes direct na het afrijpen van de zaadknoppen. Gebruik een wat zanderige grond die in de winter droog blijft. Zet de pot of bak bijvoorbeeld op zijn zij. Na de winter verschijnen dan grasachtige sprietjes. Het duurt 2 of 3 jaar voor de plantjes gaan bloeien. Wanneer je in de tuin niet teveel wiedt zaaien de plantjes zichzelf ook uit.

 

Een mooi sortiment Muscari en andere bolgewasjes vind u bij Peter C. Nijssen.

Home                                                                                                                                                                                              Naar Boven

 

Create a Free Website