Doing the 116

Doing the 116

 

 

Een bedevaart langs 116 grounds in Engeland

Site Navigation    


 Home

 Premier League

 The Championship

 League One

 League Two

 The Conference

 Lower League

 SPL

 Scotland

 Eire & Cymru

 Special Matches

 Other Grounds

 Groundlist

 Links

 
 
 

Racing Brussel

Racing Club Brussel

 

Racing Club Brussel (1894-1963)

 

1894 is een vrij fout jaar. Veel onfrisse figuren worden er dat jaar geboren (Hess, Mussert en Rost-van Tonningen) en ook het dubieuze IOC wordt in 1894 opgericht. Waren er dan geen lichtpuntjes in dat jaar. Jawel, want Brussel krijgt zijn tweede voetbalclub binnen de stadsgrenzen, naast Léopold Football Club. De atletiekclub Racing Club Brussel besloot namelijk dat het tijd wordt om ook een voetbaltak te beginnen. Voetbal begon namelijk steeds populairder te worden op het continent en de hardlopers wilden daarop inhaken om op die manier meer leden te trekken. Besloten wordt om op een terrein in Koekelberg te gaan spelen, waar later ook Daring Brussel en Skill Brussel hun wedstrijden gingen afwerken. Vandaag de dag is er van dat terrein niets meer over, maar staat er een gigantische basiliek. Een mooier monument voor een van de oudste voetbalvelden van België lijkt me niet mogelijk.

 

Racing Club Brussel is net op het goede moment begonnen met zijn voetbaltak, want de clubs schieten als paddestoelen uit de grond. Besloten wordt dan ook om, in navolging van Engeland, een competitie en overkoepelende bond op te richten. Deze bond krijgt de naam Union Royale Belge des Sociétés de Football-Association en organiseert buiten voetbalwedstrijden, ook atletiek- en wielerwedstrijden. Het belangrijkste is echter dat de bond erin slaagt om een competitie op te starten tussen de verschillende clubs in België. In de zomer van 1895 wordt dan de aftrap gegeven voor de competitie, die bestaat uit zeven clubs. Bij die zeven clubs zit ook Racing Club Brussel, als een van de vier Brusselse clubs. De zwart-witten hebben een aantal oefenwedstrijden gespeeld en hebben goede hoop om een mooi resultaat neer te zetten.

 

Het valt echter wat tegen. Overwinningen en nederlagen volgen elkaar gelijkmatig op en na 12 wedstrijden vindt Racing zich terug op plaats vijf met 6 overwinningen en evenzoveel nederlagen. Club Luik is overtuigend kampioen geworden, met Antwerp op plek twee. Het Brusselse voetbal heeft een nederlaag geleden. Het jaar erop is het tijd voor revanche. De club was ondertussen verhuisd uit Koekelberg, omdat ze niet meer het veld wilden delen met het volkse Daring (Racing was meer een middenklassenclub) en een eigen en groter stadion wilde. Het ging spelen in Ukkel, waar de wielerbaan van Longchamps flink wat mensen kon huisvesten. De verhuis deed de club erg veel goed, want ze werden er meteen landskampioen. In tien wedstrijden (de competitie bestond ondertussen niet meer uit zeven, maar uit zes clubs) leed Racing geen enkele nederlaag en gaf Club Luik (die 2e werden) en Antwerp FC (3e) het nakijken. Op twee gelijke spelen na tegen Club Luik was het een erg succesvol seizoen, want de overige wedstrijden werden gewonnen (waaronder alle zes de Brusselse derby’s). De meest indrukwekkende overwinning was de 18-0 tegen Sporting Club Brussel (uit Schaarbeek en dus geen voorloper van Anderlecht), tot op de dag van vandaag een record in 1e klasse.

 

Racing Club bleef sterk presteren aan de wielerbaan en behaalde in 1898 als 1899 de tweede plek. Beide keren waren de mannen van Club Luik een maatje te groot voor de rest. Echter, een nieuwe eeuw betekent nieuwe kansen. Zo ook voor de mannen van Racing Club. De competitiestructuur was door de bond wat aangepast. Doordat sommige clubs soms erg lang moesten reizen, was er besloten om de 10 clubs regionaal onder te verdelen. Vreemd genoeg werd er besloten om een competitie van zes te maken (met de Waalse en Brusselse clubs + Antwerp FC) en een van vier (met de Vlaamse clubs erin). Waarom er niet besloten is om Antwerp in de Vlaamse competitie mee te laten doen is een even onbegrijpelijke daad, zoals de Belgische bond ze vandaag de dag nog maakt. Racing bleek al snel thuis onverslaanbaar te zijn. Er werd vijfmaal gewonnen met indrukkende cijfers als 4-0, driemaal 5-0 en eenmaal zelfs 10-1. Racing werd echter een helemaal andere ploeg als ze eenmaal niet in eigen stadion speelden en uit werden er slechts 4 punten gepakt. Dat zorgde ervoor dat er een beslissingswedstrijd tegen Antwerp zou plaatsvinden om te bepalen wie er in de kampioenswedstrijden tegen Club Brugge zou mogen aantreden. Op neutraal terrein bleek Racing ook niet op zijn sterkst, maar de 1-0 was genoeg voor de dubbel tegen de Bruggelingen. In Brugge kwam de oude kwaal van angst voor het onbekende weer opzetten en het favoriete Racing werd met 3-0 aan de kant gezet. In een volgepakt Longchamps waren het de blauw-zwarten die onder de indruk waren van de onbekende ambiance en ze mochten blij zijn dat Racing slechts met 8-1 won. Racing was hierdoor weer landskampioen en in de Brusselse cafés werd tot in de late uurtjes doorgefeest, want de titel was weer terug in de voetbalhoofdstad van het land.

 

Na het niet echt succesvolle project met de gesplitste competitie, werden beiden weer bijeengevoegd. Antwerp besloot om niet mee te doen, waardoor een andere Antwerpse club werd toegelaten op het hoogste niveau: namelijk Beerschot. Dit Beerschot bleek een heel goede ploeg en lang zag het ernaar uit dat de mannen van ’t Kiel de titel zouden grijpen. Racing profiteerde echter van zijn ervaring en haalde het met een punt verschil van de Antwerpenaren. Opnieuw won Racing dus de titel, maar ze waren gewaarschuwd voor Beerschot. In 1902 besloot de bond om weer de competitie in tweeën te splitsen, maar nu om louter sportieve redenen. Uit beide competities zouden de nummers 1 en 2 in een kampioenspoule moeten uitvechten wie er uiteindelijk kampioen zou worden. Het vreemde was dat de Brusselse clubs verspreid zaten over de twee competities. Zodoende kon het zijn dat Racing wel bij Beerschot en Antwerp in de competitie zat, maar niet bij Union St. Gilles en Léopold Club. In de finalepoule zouden ze elkaar wel tegenkomen, want Union en Léopold werden 1 en 2 in hun poule. Racing pakte vrij simpel de eerste plek in zijn groep en mocht samen met Beerschot als enige niet-Brusselse club het gaan uitvechten om de landstitel. Beerschot bleek al snel het zwakke broertje te zijn in de groep en ook Union St. Gilles zakte weg, zodat het uiteindelijk tussen Racing Club Brussel en  het elitaire Leopold Club ging. Beide clubs gaven elkaar geen duimbreed toe en uiteindelijk eindigden de clubs met een gelijk aantal punten bovenaan. Opnieuw moest een beslissingswedstrijd de winnaar aanwijzen. Racing Club was daar expert in, maar na 90 minuten stond het slechts 3-3. In de blessuretijd scoorde Racing de bevrijdende 4-3 en prolongeerde de club de titel.

 

Racing Club Brussel was nu definitief de grootste club van het land en er werd besloten om te verhuizen naar een nieuw stadion. De club bleef in Ukkel en ging spelen aan de Vivier d’Oie (Ganzenvijver in het Nederlands). Daar werd een tribune van steen gebouwd (een unicum in België), waarop 1500 mensen konden zitten. Voor de rest werd het veld omsloten met staantribunes. De tribune straalde zoveel klasse uit, dat de clubs die naar Racing moesten eigenlijk al met 1-0 achterstonden. Aan de Vivier d’Oie werd in 1904 ook de eerste interland op het continent gespeeld. Een volgepakt stadion zag België en Frankrijk met 3-3 gelijkspelen. Alleen al daarom mag deze tribune nooit verdwijnen; het is een van de belangrijkste monumenten in het voetbal, ook al wordt er aan de Ganzenvijver niet meer gevoetbald. Als er ooit een voetbalmuseum in België komt moet deze tribune daarheen worden getransporteerd.

 

Terug naar Racing Brussel, dat met zijn nieuw stadion opnieuw een gooi deed naar de landstitel. Opnieuw was er het systeem met een A- en een B-poule, waarin de nummers 2 zich zouden plaatsen voor de kampioenspoule. Racing zat nu ineens weer in de Brusselse/Waalse poule en haalde uiteraard de finalepoule. Opvallend genoeg waren het de vier zelfde deelnemers als het jaar ervoor. Ditmaal kwam er echter geen beslissingswedstrijd, want op een gelijkspel tegen Beerschot na, won Racing al zijn wedstrijden. Union St. Gilles werd op ruime afstand tweede, maar zou in de jaren daarna de rol van beste Brusselse club overnemen. In 1904 was er bijna weer dezelfde finalepoule als voorgaande jaren, met Racing Brussel, Union en Léopold. Alleen Beerschot was nu vervangen door een andere Vlaamse club, namelijk Club Brugge. Union was echter oppermatig en won alle zes zijn wedstrijd en had een geweldig doelsaldo van 25 voor en 4 tegen. Racing moest genoegen nemen met plek twee.

 

Het jaar erop werd weer alles bij elkaar gegooid en was er geen kampioenspoule meer. Voor de einduitslag maakte het niet veel uit, want opnieuw was Union te sterk voor de rest, eindigde Racing als 2e, Club Brugge als 3e en Leopold als 4e. De rest deed mee voor spek en bonen. De overmacht van Union was indrukwekkend: 17 van de 20 wedstrijden werden gewonnen en het doelsaldo was 83 voor en 12 tegen. Racing deed het zelf ook niet slecht met zijn 76 doelpunten en slechts 25 tegen, maar tegen deze overmacht was niets te beginnen. Toen het jaar erop Union zelfs ongeslagen kampioen werd, waren ze bij Racing (wat als derde eindigde) de waanhop nabij. Hoe kon er nu ooit de titel gewonnen worden et zo’n sterk team in de competitie? Dat bleek inderdaad vrij lastig, want Union pakte ook in 1907 soeverein de titel. 17 van de 18 wedstrijden werden gewonnen door de Unionisten en Racing eindigde op grote afstand als 2e.

 

Er moest iets gebeuren om de dominantie van Union te doorbreken en het bestuur besloot om een aantal sterke spelers aan te trekken om de titel te halen. Het had succes, want Racing verloor slechts punten in Brugge, na een 0-0 tegen Club. Union was ook weer heel sterk. Alle wedstrijden werden gewonnen, behalve de derby tegen Daring (2-0 verlies tegen de volksclub). Het zou dus aankomen op de onderlinge wedstrijden en daarin speelde Racing zijn frustratie over de voorgaande jaren helemaal weg. Aan de Ganzenvijver werd het 3-1 voor Racing, terwijl de uitwedstrijd tegen Union zelfs met 5-0 werd gewonnen. Racing Club Brussel werd op Union-achtige wijze kampioen, door 17 van de 18 wedstrijden te winnen. Achteraf zou blijken dat dit de laatste titel zou zijn die Racing ooit zou halen. Nooit zou er meer een kampioensploeg spelen op de Ganzenvijver, maar de club had een onwisbare indruk achtergelaten.

 

De club zou echter nog wel een keer van zich laten horen. In 1912 besloot de bond om een bekercompetitie op te starten. Uiteraard deed Racing daaraan mee en in de eerste ronde stond er een zware wedstrijd in en tegen Antwerp op het programma. In een loodzware wedstrijd sleepte Racing er op het tandvlees een replay uit, na de 1-1 in De Bosuil. Thuis werd het een makkie en Racing mocht in de kwartfinale afreizen naar Verviers, de ploeg die nion in de eerste ronde had uitgeschakeld. Ook daar werd het een relatief makkelijke wedstrijd en na de 0-3 was Racing een van de vier clubs die in de hoge hoed gingen. Een thuiswedstrijd tegen stadsgenoot Leopold Club was een prachtig affiche en de kaartjes vlogen de deur uit. Op een afgeladen volle Ganzenvijver werden de Leopoldianen op een hoopje gespeeld. Toen na 90 minuten de stofwolken waren opgetrokken stond er 4-1 op het scorebord en was mocht Racing in de finale het opnemen tegen een andere Racing, alleen kwam deze uit Gent. De finale was er een met weinig hoogtepunten. Beide teams waren te zenuwachtig en tot 5 minuten voor tijd stond het nog steeds 0-0. toen kreeg Bunyan ineens een bevlieging en legde de 1- voor Racing Brussel erin. De eerste beker ooit was voor Racing Club Brussel en het zou achteraf ook de enige blijken te zijn die Racing binnen zou halen. Toch heeft Racing met deze bekerwinst weer een belangrijk wapenfeit gehaald, waardoor ze nooit uit de geschiedenisboekjes zullen verdwijnen.

 

In de competitie was 1912 ook een goed jaar, waarin Racing 3e werd. Het jaar erop werd die prestatie herhaald, maar daarna ging het bergafwaarts. In 1920 degradeerde de club op een haar na net niet (AA Gent had net een puntje minder). Vijf jaar later was het wel raak en voor de eerste maal in zijn historie degradeerde Racing, een monument ging ten onder. Binnen een jaar kwam de club weer terug, maar ze veranderden van een topclub in een jojo-club en regelmatig pendelde de club op en neer tussen 1e klasse en 2e klasse. Tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog degradeerde de club in totaal vijfmaal en kwam even zo vaak terug. De glans over de club begon wel steeds doffer te worden, vooral omdat er in Brussel clubs waren die veel succesvoller waren. Union St. Gilles en Daring Brussel werden de leidinggevende clubs in de hoofdstad, terwijl Anderlecht zich begon op te werpen als de derde club van de stad.

 

Er moest iets gebeuren en Racing besloot om de Ganzenvijver te verlaten en ergens anders een groter stadion te bouwen. Ukkel werd verlaten en er werd gekozen om in het sjieke Watermaal-Bosvoorde een gigantisch stadion te bouwen. Het zou de laatste halte zijn voor Racing. Het nieuwe stadion liep wat vertraging op dankzij de veroveringszucht van Duitsland, waardoor het niet in 1945 klaar was. Ondertussen ging het sportief weer wel goed en was de club teruggekeerd op het hoogste niveau. In 1946 eindigde de club voor het eerst sinds jaren weer in de top van het Belgische voetbal, Racing werd 4e. Ook het seizoen erop verliep uitstekend met een 5e plaats. Langzaam werd er weer gedroomd over een Racing wat definitief terug zou keren aan de top. 1948 was sportief een minder jaar, met plek 12, maar het stadion was eindelijk klaar. Het kreeg de naam Drie Linden Stadion (oftewel Stade des Trois Tilleuls in het Frans) en het kon 40.000 mensen herbergen. Om het stadion te openen werd er een oefenwedstrijd tegen Torino geregeld. Dat Torino was op dat moment misschien wel het beste team ter wereld, helaas zou het team in het jaar erop (1949) te pletter vliegen tegen de berg Superga en Torino zou nooit meer de roem vergaren als in de jaren ervoor. In België konden de mensen Il Grande Torino nog aanschouwen en het stadion liep helemaal vol. Het zou overigens de enige keer zijn dat het zou gebeuren en dat was juist de nekslag voor de club. Het stadion bleek te duur en te weinig rendabel te zijn voor Racing en in plaats van een stimulans voor de club bleek het een veel te zware molensteen te zijn die om de nek van Racing hing.

 

Na jaren van grauwe middenmoot degradeerde Racing in 1952 weer naar de 2e klasse.  Twee jaar later won de club weer promotie naar 1e klasse, maar boven de club pakten zich donkere wolken samen. De club kon het gigantische stadion niet meer betalen en werd na de promotie het stadion uitgezet. Racing mocht dus weer in 1e klasse uitkomen, maar had geen stadion meer. Gelukkig werd er een oplossing gezocht voor een van de Founding Fathers van de Belgische competitie en Racing mocht voor een symbolisch bedrag gebruikmaken van het Heyselstadion. Dat stadion was echter nog groter dan het Drie Linden Stadion en het zag er vaak erg triest uit met de weinige toeschouwers. De club degradeerde meteen weer naar 2e en ook daar konden ze zich slechts met moeite handhaven. Steeds minder mensen kwamen naar Racing en de club werd 16e en laatste in 2e klasse. Voor het eerst moest de vernederende gang naar 3 klasse worden gemaakt en voor veel fans ging dat te ver. In 3e speelde Racing vaak voor een paar honderd toeschouwers en die zagen Racing binnen 2 jaar weer kampioen worden. Tweede klasse bleek echter te hoog gegrepen voor de eens zo roemrijke club en in 1961 moest er een wedstrijd gespeeld worden tegen White Star voor het behoud van een plekje in 2e. White Star won en langzaamaan begon de zwanenzang van Racing Brussel.

 

Zowel in 1962 als in 1963 zat er niet meer in dan een matige klassering in de 3e klasse. Weinig toeschouwers, geen succes, geen stadion en weinig toekomstperspectief. Racing Club Brussel besloot om een fusiepartner te zoeken en op die manier kwam er een einde aan een van de meest succesvolle clubs uit de Belgische historie. Zesmaal werd de club landskampioen en ze waren de eerste winnaar van de Belgische beker, maar het té ambitieuze plan met het Drie Linden Stadion zorgde ervoor dat de club ten onder ging. Er werd gefuseerd met White Star, een andere club uit Brussel, en er werd gekozen om in het Fallon Stadion van White Star te gaan spelen. Uiteindelijk zou deze club ook de nodige successen behalen, vooral nadat er nogmaals werd gefuseerd, nu met Daring Molenbeek. RWDM zou nog een titel pakken en een gevestigde naam worden in 1e klasse. RWDM zou uiteindelijk in 2003 verdwijnen, maar via een kleine club in provinciale worden de letters RWDM nog hooggehouden. Via de “R” in die naam blijft de geschiedenis van Racing Club Brussel nog doorleven. Ook bestaat Racing Club Brussel nog steeds als hockeyclub en die spelen aan…de Ganzenvijver, daar waar de voetbalclub zijn grootste successen behaalde en misschien wel de plek die ze nooit hadden moeten verlaten.

 

Geschreven door: Sir Stanley Matthews


Vivre d'Oie

 



Stade Trois Tilleuls


 

 

© 2005 All Rights Reserved.