Doing the 116

Doing the 116

 

 

Een bedevaart langs 116 grounds in Engeland

Site Navigation    


 Home

 Premier League

 The Championship

 League One

 League Two

 The Conference

 Lower League

 SPL

 Scotland

 Eire & Cymru

 Special Matches

 Other Grounds

 Groundlist

 Links

 
 
 

Crossing

Crossing Schaarbeek

 

“Hei! Doë zên die êzels van Schoerebeik!”

Het is een mooie, zonnige herfstdag in oktober. De blaadjes vallen van de bomen en zorgen voor een nostalgisch, bijna weemoedig gevoel. Wat is er dan beter om een stukje voetbalhistorie op te gaan zoeken? Aangezien dat in Nederland amper meer mogelijk is door alle nieuwbouw, moest ik een stukje zuidelijker gaan kijken. In België liggen namelijk nog volop juweeltjes van stadions. Ik had de keuze te over deze dag, maar mijn reisdoel was duidelijk. Deze dag wilde ik het Stade du Crossing (het voormalige stadion van Crossing Schaarbeek) gaan bezoeken. Ik was er al eens eerder geweest, maar toen was het hermetisch afgesloten. Dit keer hoopte ik op meer geluk, vooral omdat het stadion nog steeds gevaar loopt om definitief gesloten en gesloopt te worden. Als dat gebeurt rest er alleen nog maar de Crossing bushalte en is er voor het overige niets meer over van legendarische Crossing Schaarbeek. Als straks de laatste fans en spelers sterven is de club niet meer dan een voetnoot in de rijke geschiedenis van het Belgische voetbal en dat zou erg jammer zijn. Vandaar een kleine ode aan deze club en dit stadion.

 

Schaarbeek (een deelgemeente van Brussel) zelf is een interessant gebied. Het zuiden en het oosten zijn puissant rijk (er staan kolossale huizen en er liggen schitterende parken), terwijl het in het westen en noorden erg verpauperd zijn (veel vervallen huizen en dubieuze belwinkels). Juist dit maakt de gemeente zo leuk en interessant. Schaarbeek heeft ook enkele bekende zonen voortgebracht, waarvan Jacques Brel misschien wel de bekendste is. Maar ook Raymond van ’t Groenwoud, Georges Grün (Nederland heeft nog nachtmerries van hem) en Paul Deschanel (ex-president van Frankrijk) zijn geboren Schaarbekers. Schaarbeek is ook de plaats waar Hendrik van Tulder (een van de bekendste Tilburgers en tevens vermaard architect) is gestorven. De geschiedenis van het gebied zelf is erg interessant. Schaarbeek is namelijk lange tijd een landelijk gebied geweest, nu amper nog voor te stellen, waar veel kersenbomen stonden. De Schaarbekers hadden afdwongen dat ze een privilege kregen om hun kersen in de stad Brussel te verkopen. Een erg lucratief privilege, want er waren ontzettend veel brouwerijen in de stad die het Kriekbier brouwden. De kersen vonden dus gretig aftrek onder die brouwerijen en Schaarbeek floreerde daardoor. Doordat de hoeveelheden kersen amper te tillen waren, werden de manden met kersen op ezels geladen en gingen ze zo naar de brouwerijen toe. De stedelijke Brusselaars vonden dat erg vermakelijk om te zien en maakten de Schaarbekers belachelijk met de uitsprak “Hei! Doë zên die êzels van Schoerebeik!”. De Schaarbekers zelf namen de naam “Ezels”over als een geuzenaam en droegen deze met trots. Zelfs vandaag de dag nog staat Schaarbeek bekend als “De Ezelsgemeente”, hoewel de kersen voor de Kriek tegenwoordig uit het buitenland komen en niet van ezelrijdende Schaarbekers.

 

Terug naar het voetbal in Schaarbeek. Daarvoor moeten we eigenlijk ook een uitstapje maken naar een gemeente buiten Schaarbeek, namelijk Ganshoren. Daar werd in 1913 Crossing Ganshoren opgericht. Deze club verbleef zowat zijn hele bestaan in de marge van het Belgische voetbal, met een seizoen 3e klasse als hoogtepunt. Vandaar dat er in 1959 ook werd verhuisd naar een andere deelgemeente; Molenbeek. Daar ging de club spelen op de Sippelberg (helaas een paar jaar geleden afgebroken), een stadion wat bij tijd en wijle erg intimiderend kon zijn. Binnen 3 jaar na de fusie werd de club kampioen in 3e klasse. Omdat men geen modderfiguur wilde slaan in 2e en er voldoende geld was ging de club op zoek naar sterspelers. Er werd er eentje gevonden waarvan ze zelfs niet hadden durven dromen dat die zou komen: Rik Coppens, een van de allergrootste Belgische spelers ooit kwam spelen voor Crossing Molenbeek. Coppens, de man die op het WK 1954 was uitgeroepen tot beste spits van het toernooi en de man die allereerste winnaar van de Belgische gouden schoen was. Coppens was pas 32 en kon dus nog wat jaartjes mee. Vijf jaar lang bleef Coppens in Molenbeek hangen en zowat ieder jaar eindigde men in het linkerrijtje, mede door de goals van Coppens. Het flamboyante karakter van Coppens nam men voor lief aan de Sippelberg, wat buiten doelpunten zorgde hij er ook voor dat Crossing Molenbeek stevig op de kaart werd gezet. De club trok door Coppens veel neutrale supporters die de levende legende wel eens aan het werk wilden zien en ook de pers kwam graag naar Molenbeek.

 

Toen Coppens vertrok nam de belangstelling wat af, maar sportief bleef het goed gaan. In 1968 werd de Tsjechische voetballer van de eeuw, de geniale Josef Masopust, er speler-coach. Dit zorgde opnieuw voor een impuls en het voetbal was soms oogstrelend mooi, helaas bleven de toeschouwersaantallen laag. Maar in 1969 was het zover, Crossing Molenbeek werd 2e in de competitie en mocht zich opmaken voor zijn debuut in 1e klasse. Het was lange tijd spannend geweest aan de kop van het klassement, want op de laatste speeldag stonden er 3 clubs gelijk (AS Oostende, Crossing Molenbeek en THOR Waterschei). Het was de een daverende laatste speeldag waarbij uiteindelijk AS Oostende als kampioen en Crossing Molenbeek als nummer 2 aan het langste eind zouden trekken. THOR Waterschei moest nog een aantal jaartjes wachten voordat ze naar 1e konden trekken. Opvallend trouwens dat alledrie deze clubs tegenwoordig niet meer bestaan. Het debuut in eerste klasse van Crossing Molenbeek zou echter niet aan de Sippelberg plaatsvinden, want men wilde meer publiek trekken. Het publiek in Molenbeek ging namelijk liever naar het veel grotere Daring Molenbeek, dus moest er een andere oplossing worden gevonden. Die oplossing werd gevonden in een fusie en een verhuizing. Crossing Molenbeek besloot te gaan fuseren met Royal Cercle Sportif de Schaerbeek en onder de nieuwe naam Crossing Schaarbeek zou men gaan aantreden in eerste klasse in Schaarbeek.

 

Royal Cercle Sportif de Schaerbeek was een relatief kleine club. Het hoogste waar ze ooit hadden gespeeld in hun bestaan was derde klasse, waar ze in de jaren 50 en 60 in uitkwamen. De laatste jaren ging het echter minder en terwijl Crossing Molenbeek promotie naar 1e klasse vierden, huilden de fans van Royal Cercle Sportif de Schaerbeek omdat hun club was gedegradeerd uit vierde klasse. Dit was de tweede degradatie in 3 jaar en er moest iets veranderen, vond het bestuur. Die verandering kwam er dan ook met de fusie, die voor allebei de clubs een win-win situatie was. Crossing Molenbeek had namelijk de spelers en RCS de Schaerbeek had een prachtige stadion. De verwachtingen rondom de nieuwe club Crossing Schaarbeek waren hooggespannen. Het in 1914 gebouwde Josaphatpark werd omgedoopt in het Stade du Crossing, de clubkleuren werden het groenwit van Crossing Molenbeek, er werd een mozaïek in de gevel geïnstalleerd en het logo werd er eentje van een ezel met kersen in zijn bek. De bijnaam van de club luidde dan ook vrijwel meteen “De Ezels”, een historisch zeer verantwoorde verwijzing naar het verleden van Schaarbeek. Anders dan bij veel andere fusieclubs, werd deze fusie door beide supportersgroeperingen toegejuicht. Met veel optimisme werd dan ook naar de seizoensstart uitgekeken met Josef Masopust als grote man.

 

Het plan van de fusie slaagde gedeeltelijk; er kwamen meer mensen, maar iedere week een uitverkocht huis lukte niet. Voor de topwedstrijden tegen Standard, Club Brugge en Anderlecht wilde men graag komen, maar in andere wedstrijden zat het stadion soms niet eens halfvol. Dat had ook weerslag op het team, want een volgepakt Stade du Crossing zorgde voor een heel intimiderende ambiance waarin Crossing regelmatig kon stunten. Het was niet voor niets dat de RTBF het Stade du Crossing uitkoos om zijn eerste live wedstrijd in kleur uit te zenden. Mede daardoor zal Crossing Schaarbeek altijd een plaatsje in de geschiedenis van het Belgische voetbal behouden. De wedstrijd zelf was tegen Standard en een vol stadion zag Crossing met 3-1 winnen. Sowieso moest Crossing het van zijn thuiswedstrijden hebben, want ook Anderlecht kon er niet winnen dat eerste sieozen. Uit werd er maar een wedstrijd gewonnen door Crossing en dat was uitgerekend met 0-3 bij kampioen Standard. Crossing was de enige club die de dubbel deed over Standard dat jaar en mede daardoor bleven ze in eerste klasse.

 

Het jaar erop waren de wittebroodsweken voorbij en moest er gewerkt worden voor de handhaving. Met o.a. Mac the Knife (Georges Leekens) op het middenveld dacht Crossing daar wel klaar voor te zijn. Al snel was duidelijk dat AA Gent had zwakke broertje was in eerste klasse, maar om die tweede degradatieplek te ontlopen moest er keihard geknokt worden door ondermeer Crossing. Crossing was opnieuw een ploeg die vooral thuis zijn punten pakte. Anderlecht werd ondermeer met 2-0 naar huis gespeeld en ook de derby tegen Union St. Gilles werd beslist in het voordeel van de Ezels. Uiteindelijk waren die resultaten er mede voor verantwoordelijk dat Crossing Schaarbeek erin bleef. Slechts twee punten scheidde de zes ploegen van elkaar en Sporting Charleroi was het haasje en mocht met Gent mee naar tweede klasse. Ook het jaar erop (1971-1972) was het weer zwaar voor Crossing Schaarbeek, die maar niet de stap naar de middenmoot konden maken. Ze eindigden op de veertiende plek (net genoeg voor handhaving in een reeks met zestien ploegen), maar het Stade du Crossing werd steeds minder een vesting. Alledrie de Brusselse derby’s (tegen Anderlecht, Union en Racing White) gingen verloren en voor de rest vielen er vooral veel gelijke spelen te noteren in Schaarbeek. Dat jaar werd wel het toeschouwersaantal verbroken, want voor de derby tegen Anderlecht kwamen er 17.000 mensen naar het stadion (eigenlijk meer dan er inkonden, maar in België keek men niet zo nou). Na afloop van dit seizoen vertrokken Masopust en Leekens. Leekens vertrok naar Club Brugge waar hij vijf keer kampioen zou worden, één beker zou winnen en de finale van de Europa Cup 1 zou spelen tegen Liverpool. Met het geld dat Leekens opleverde probeerde Crossing een nieuwe ploeg te formeren die in eerste klasse zou kunnen blijven.

 

Helaas lukte dat niet en zou het seizoen 1972-1973 de zwanenzang gaan worden voor Crossing Schaarbeek. Er werden slechts drie wedstrijden gewonnen, waaronder twee keer van subtopper KV Mechelen. Tegen directe concurrenten werd echter vaak verloren en zodoende eindigde het avontuur van Crossing Schaarbeek in eerste klasse. Exemplarisch voor de staat waarin de club verkeerde was misschien wel het feit dat er in de wedstrijd tegen Anderlecht niet genoeg bordjes waren om de score bij te houden. Anderlecht scoorde ergens tegen het einde van de wedstrijd de 1-6. De man die het scorebord bijhield kon dat echter niet op het bord krijgen, want de zes was verdwenen en besloot daarom maar een één naast de vijf te doen om aan te geven dat Anderlecht er zes had gemaakt. Samen met die zes verdween ook Crossing uit eerste klasse om er nooit meer terug te keren. Het was sowieso een somber jaar voor het Brusselse voetbal, want het legendarische Union St. Gilles zou samen met Crossing afdalen naar de spelonken van het Belgische voetbal en die club wacht ook nog steeds op een terugkeer naar eerste klasse. Voor de nostalgische voetballiefhebber was 1973 een jaar met een zwart randje.

 

Met goede moed werd er gestart in tweede, maar al snel was duidelijk dat Crossing Schaarbeek ook hier geen potten zou kunnen breken. Een matige twaalfde plek was het gevolg van een matig jaar en de supporters vonden de weg naar het Stade du Crossing niet meer. Weinig geld, weinig fans en een amateuristische organisatie, alles wees erop dat Crossing in 1974 een loodzwaar jaar tegemoet zou gaan en dat kwam uit. Crossing eindigde roemloos laatste met slechts 16 punten uit 30 wedstrijden. Opnieuw was Union de partner in degraderen. Die avond huilde Brussel. In derde klasse ging het een aantal jaren verrassend goed en erg werd zelfs over promotie gesproken. Na een uitstekende derde plaats in 1979 waren de verwachtingen hoog gespannen. Om onverklaarbare redenen zakte de boel helemaal in elkaar en Crossing werd laatste in de competitie en de vierde klasse grijnsde misselijk in het gezicht van de Ezels. Het hoogtepunt in het degradatiejaar was wel de bekerwedstrijd tegen Standard. De Schaarbekers hadden al jaren geen topclub meer gezien en op 26 augustus 1979 was het dan weer zover. Kaartjes vlogen de deur uit en waar Crossing normaal moeite had om de 1000 toeschouwers te halen, zat het nu bomvol met 15.000 mensen. De Ezels vochten als leeuwen en na de nipte 0-1 overwinning van de mannen uit Luik kregen de Crossing spelers een staande ovatie van beide supporterskampen. Crossing Schaarbeek had zich voor de laatste keer getoond aan het grote publiek. Een mooier requiem is niet mogelijk. Eigenlijk had de club na deze wedstrijd zichzelf moeten opheffen om de legende nog groter te maken, maar helaas besloten ze nog even door te ploeteren.

 

Nadat Crossing Schaarbeek in 1983 ook in vierde klasse laatste werd, met slechts één overwinning in 30 wedstrijden, was het over voor de club. Men verhuisde naar Elewijt (een dorpje buiten Brussel) en ging onder de naam Royal Crossing Elewijt verder. Promotie naar nationale zat er echter niet meer in en na de fusie in 1991 met VV Elewijt (de nieuwe naam werd KVV Crossing Elewijt) zakte de club helemaal weg en tegenwoordig speelt de club in de allerlaagste provinciale klasse. Het Stade du Crossing zou nog eenmaal vollopen en dat was in 1984 voor een concert van Bob Dylan. De clubs die er tegenwoordig in spelen trekken amper 100 man en slechts één van de vier tribunes is nog toegankelijk. De rest is te onveilig en verrot om er nog op te mogen. Crossing Schaarbeek is niet meer, maar de legende leeft voort. Eigenlijk zou de Belgische voetbalbond het Stade du Crossing moeten adopteren en er een voetbalmuseum voor België van moeten maken. Brussel ligt centraal, de bondsgebouwen liggen er ook in die stad en er is redelijk wat ruimte in en rondom het stadion om alles mooi in te richten. Dit lijkt mij een veel beter idee dan het stadion plat gooien en een van de laatste herinneringen aan Crossing Schaarbeek te wissen. Alleen een bushalte vind ik persoonlijk toch wat karig als monument voor zo’n club.

 

Geschreven door: Sir Stanley Matthews

 

 

Voor het stadion stonden veel van dit soort dichtgemetselde kassahokjes

Van binnen zien de kassa's er niet echt geweldig meer uit.

Begroeide floodlight die al jaren niet meer heeft gebrand

De façade van het Stade de Crossing

Een van de weinige herinneringen aan Crossing Schaarbeek, deze plaat boven de ingang

De weg naar de hoofdingang, met de kassa's en het mozaïek van de Crossing voetballer

Dichtgemetselde kassa's aan de zijkant van het stadion

En nog meer dichtgemetselde kassa's. Dit geeft een idee hoe populair de club is geweest

Veel van de hekken zijn doorgeroest

De achterkant van het stadion met veel graffiti en uitgebrande kassa's

De hoofdtribune van het Stade de Crossing, een schitterend bouwwerk

De zittribune achter de goal. Te onveilig door rotting en daarom afgedekt met doeken

Tegenover de hoofdtribune een, gedeeltelijk, overdekte terrace. De enige tribune die nog open is

De levensgevaarlijke terrace achter de goal, waar grote gaten in zaten

Nogmaals de hoofdtribune. Let op de stukken dak die naar beneden zijn gevallen

De stoelnummers zijn nog altijd goed zichtbaar na al die jaren

De bankjes vooraan hebben echter wel hun beste tijd gehad

Op de hoofdtribune stond nog steeds de authentieke klok fier overeind

Deze lappen zijn over de meest verrotte delen gelegd, zodat hier niemand op komt staan

Door deze luidspreker zijn legendarische namen geschald

De zittribune achter het doel is er het beroerste aan toe, zolang deze foto laat zien

Een onoverdekt deel van de terrace aan de lange zijde. Mos is daar de baas tegenwoordig

Ook de rest is niet best meer, maar het is de enige tribune die nog toegankelijk is voor publiek

Mooi is dat er nog een bord hang om lid te worden van de club. Nummer is trouwens in ongebruik

De voormalige kassa, ingebouwd in de tribune

Het beton is aan het afbrokkelen en de vegetatie krijgt langzaamaan vrij spel

Achter de terrace ligt het Josaphatpark, dat langzaam het stadion aan het opeten is

De grote staantribune achter de goal. Op sommige plaatsen levensgevaarlijk

Deze floodlight heeft veel mooie wedstrijden gezien in dit stadion

De beruchte legionella douches, die continue aanstaan

Misschien is deze bushalte binnenkort wel de laatste herinnering aan Crossing Schaarbeek

Nog een keer het mozaïek met de Crossing Schaarbeek voetballer erop


 

 

© 2005 All Rights Reserved.