.gif)
De Snoek
Een ontmoeting met een snoek is en blijft altijd spannend. Niet omdat hij zo zeldzaam of gevaarlijk is maar waarschijnlijker door de autoriteit die een snoek uitstraalt.
De snoek komt in bijna alle soorten water voor, van de grote heldere meren tot de kleinste dichtbegroeide slootjes. Een volwassen snoek kan wel tot 1 1/2 meter lang worden, met een gewicht tot 35 kilo.
De snoek is een echte roofvis. Hij voedt zich met alle soorten vis, zelfs zijn kleinere soortgenoten zijn niet veilig voor zijn roofzucht, maar in het algemeen zijn het toch de zieke of zwakke vissen die aan hem ten prooi vallen. Niet vanwege speciale voorkeur voor deze vissen, maar omdat deze makkelijker door hem zijn te vangen. Deze eigenschap zorgt ervoor dat de visstand in water waar de snoek voldoende in voorkomt gezond blijft.

Van maart tot en met april worden de eieren afgezet op dichtbegroeide plaatsen dicht onder het wateroppervlak. Als na ongeveer 13 dagen de eitjes uitkomen teren de jonge snoekjes nog enige tijd op hun dooierzak. De jonge snoekjes groeien zeer snel. In het eerste jaar kan hij al 22 cm. groot worden, afhankelijk van de voedsel omstandigheden. Vanwege hun vroege geboorte en hun snelle groei zijn ze altijd verzekerd van voldoende prooi.
De Baars
De baars komt bijna overal in Europa maar ook in het noorden van Azië en Noord-Amerika voor. Hij is een van onze fraaiste zoetwatervissen met zijn gestreepte huid en zijn stekelige rugvin. De grotere exemplaren (tot 50 cm.) zijn echte jagers. Op hun menu staan vooral glasaaltjes en witvis. Jongere vissen doen zich tegoed doen aan kreeftachtigen en insectenlarven.

De kuit wordt dicht bij de oever in ondiep water in lange geleiachtige strengen afgezet en vastgehecht aan waterplanten, stenen of andere voorwerpen. Vervolgens wordt de kuit door één of meerdere mannetjes bevrucht. Deze kuitstrengen kunnen vaak een lengte van één meter hebben en zijn ca. 2 cm breed. Het aantal eitjes is natuurlijk afhankelijk van de grootte van het wijfje; maximaal zijn het er 300.000. Omdat het broed niet wordt bewaakt, gaan er veel eitjes verloren maar toch komen er na ca. 8 à 16 dagen, al naar gelang de watertemperatuur, enkele duizenden larven uit.
De larven kunnen reeds zwemmen en vormen grote scholen, die zich aanvankelijk met dierlijk plankton voeden. Al spoedig daarna voeden ze zich met andere diertjes, want de jonge baarzen groeien snel. In de herfst zijn ze al 6 à 8 cm lang, een jaar later 9 à 13 cm. Op z'n vroegst aan het eind van het tweede levensjaar, als ze een lengte van 14 à 16 cm hebben bereikt, zijn ze geslachtsrijp.
De Blankvoorn
De blankvoorn komt vrij algemeen voor in de meest uiteenlopende wateren. Het zijn langzame groeiers en ze bereiken pas na zo'n 10 jaar een lengte van 30 cm. De maximale lengte is ongeveer 40 cm. De jonge exemplaren vormen een belangrijke voedselbron voor roofvissen als de snoek, snoekbaars en baars.

De blankvoorn zelf eet vooral algen, zachte planten en verder nog wat kleine waterdiertjes. De blankvoorn onderscheidt zich van de rietvoorn, ook wel ruisvoorn genoemd, door zijn lichtere kleur en zijn meer naar voren staande rugvin. De paaitijd is in mei en juni en daarbij legt het vrouwtje zo'n 100 a. 200.000 eitjes. Deze 1.5 mm. kleine doorzichtig gele eitjes kleven aan ondiepe waterplanten
De Paling
De paling heeft een heel afwijkende lichaamsbouw in vergelijking met de meeste andere in Nederland voorkomende vissoorten. Zijn slangachtige bouw zorgt ervoor dat hij zich razendsnel kan ingraven als er gevaar dreigt. Het grootste gedeelte van de dag ligt hij dan ook ingegraven, om 's nachts tevoorschijn te komen om te gaan jagen. Hij jaagt hierbij, met zijn, buisvormige goed ontwikkelde neusgaten, hoofdzakelijk op de reuk. Hij lokaliseert hiermee ongewervelden zoals vlokreeften, muggenlarven en aasgarnalen om ze vervolgens bliksemsnel te vangen en op te eten. Als de paling groter wordt richt hij zich op grotere prooien, en afhankelijk daarvan ontwikkelt hij zich in een breed of spitskoppige paling. Het mannetje wordt niet groter dan 40 cm. terwijl het vrouwtje, dat ook veel langer in het zoete water blijft, een lengte kan bereiken van 120 cm.

Het meest bijzondere van de paling is zonder meer zijn voortplanting. Nadat ze zo'n 5 tot 20 jaar in onze zoete wateren hebben geleefd, vertrekken ze naar zee om zich te gaan voortplanten. Voor ze echter in volle zee zijn hebben ze al een hele tocht achter de rug. Palingen in afgesloten wateren trekken hierbij over land. Geholpen door hun slijmachtige huid, trekken ze over vochtige weilanden tot ze weer water bereiken. Algemeen aangenomen wordt, dat de geslachtsrijpe paling (blanke aal) een trektocht maakt van 6000 kilometer, naar de, bij Zuid Amerika gelegen, Sargassozee. Daar aangekomen planten zij zich voort en sterven. De larven laten zich vervolgens op de golfstroom meevoeren naar Europa. In de twee jaar dat de reis duurt, veranderen ze van een bladvormige larve in een glasaaltje. Met miljoenen tegelijk zwemmen ze dan de Europese rivieren op.
De Snoekbaars
De Snoekbaars lijkt enigszins op de Snoek.. Zijn grote torpedoachtige lijf en zijn spitse bek, maar ook zijn jachtgedrag, zullen wel hebben bijgedragen aan de toekenning van de naam snoekbaars. Echter buiten dat het allebei beenvissen zijn, behoren ze tot een totaal andere vissenorde. De Snoekbaars behoort o.a. met de Baars en de Pos tot één van de grootste vissenfamilies die er bestaat, namelijk de stekelvinnigen. De Snoekbaars is een geducht jager en jaagt zelfs (sporadisch) samen met soortgenoten. Vanwege zijn zeer goede ogen, is de Snoekbaars niet zo heel erg kieskeurig, wat betreft het water waarin hij leeft. Zijn op het eerste gezicht wat troebele ogen beschikken over een soort lichtversterkende kristallen, die het hem mogelijk maken ook in minder helder water zijn prooi goed te lokaliseren.

Zijn vangst bestaat uit alle soorten vis, die hij maar kan bemachtigen. Ook jonge Snoeken zijn voor hem niet veilig De paaitijd van de snoekbaars loopt van april t/m mei daarin legt het wijfje wel tot zo'n 200.000 eitjes. Deze eitjes worden streng bewaakt en na ongeveer een week komen ze uit, mits de water temperatuur hoog genoeg is. De jonge Snoekbaarsjes groeien snel en al na zo'n half jaar zijn ze al 10 cm. groot.
De regenboogforel
Deze oorspronkelijk uit de Noord Amerikaanse Rocky Mountains afkomstige vis is, vanwege zijn populariteit als consumptievis, door de mens over de vrijwel gehele wereld verspreid. In eerste instantie in viskwekerijen, maar later ook ten behoeve van de hengelsport in natuurlijk water. Net als de beekforel is de regenboogforel afhankelijk van helder zuurstofrijk water, maar door zijn grotere tolerantie, wat betreft waterkwaliteit en temperatuur, vormt hij een geduchte concurrent ten opzichte van de inheemse beekforel
De regenboogforel heeft een zilverachtige rug die bezaaid is met zwarte spikkels en over zijn flank loopt een roodachtige streep. Hij is van de beekforel te onderscheiden door de afwezigheid van rode stippen.

Het voedsel van de maximaal 60 cm. groot wordende regenboogforel bestaat uit kreeftachtigen en insectenlarven. Hij is erg vraatzuchtig en groeit daarom ook vrij snel. Op 2 jarige leeftijd is hij al geslachtsrijp en in de regel wordt hij niet ouder dan 8 à 9 jaar. Als de jonge larfjes uit de eitjes zijn gekomen, teren ze de eerste tijd op hun, duidelijk aanwezige, dooierzak. Als deze is opgebruikt, is het gewicht van de larven verdubbeld en kunnen ze zelfstandig op jacht gaan naar insectenlarven.
De Karper
|
De karper komt oorspronkelijk uit Centraal-Azië en heeft zich op natuurlijke wijze vanuit China naar het westen tot aan de Donau verspreid. De Romeinen kweekten reeds karpers en betrokken hun broedparen uit de Donau. Sinds de middeleeuwen is de karper door monniken gekweekt als voedsel tijdens de vasten. Zij hebben de vis in de rest van Europa geïntroduceerd. In Nederland en België wordt de karper massaal gekweekt en jaarlijks uitgezet ten behoeve van de hengelsport.
Karpers zijn onder te verdelen in wilde en gekweekte karpers. De wildekarper; welke ook wel boerenkarper wordt genoemd, is slank en torpedovormig. De gekweekte heeft een hoge rug met een lange rugvin met ca. 25 vinstralen en een geelbruine kleur. Alle karpers hebben een bek die vrij ver uit stulpt, op 2 na hebben ze ook twee paar baarddraden aan de bovenlip twee lage en twee korte. De karper kent veel kleuren: bruin-groen tot grijs-blauw met flanken die brons-bruin tot goud-geel zijn. Blauwachtige vinnen met een rode gloed en geelachtige ogen met donkere pupillen. Een karper kan tussen de 75-120 cm lang worden en wegen dan ruim 20 kilo. De karper voedt zich met plankton, kleine bodemorganismen (wormen, muggenlarven, enz.) en planten. De karper komt in heel Nederland voor, maar heeft de voorkeur voor grotere wateren en langzaam stromende rivieren. De vrouwtjes bereiken meestal geslachtsrijpheid na vier jaar, de mannetjes na drie jaar.
Er zijn zes soorten karpers
Spiegelkarper, heeft onregelmatig verspreide schubben van ongelijke grootte.
Schubkarper, heeft regelmatig geplaatste schubben.
Lederkarper, bijna zonder schubben, ook wel naaktkarper genoemd.
Rijenkarper, heeft 1 enkele rij grote schubben op de zijlijn en enkele kleine schubben verspreid op de rug.
Graskarper, een zeer smalle karper die net als de kroeskarper geen bekdraden heeft en volledig geschubd is. De graskarper lijkt niet echt op de gewone karper, en wordt hij verward met de kopvoorn. De vis is echter herkenbaar door de vijf schubben die hij heeft onder de zijlijn. De graskarper heeft, in tegenstelling tot de gewone karper, geen bekdraden. De vis heeft een korte rugvin en een eindstandige bek en is erg slank. De graskarper kan zo’n 120 centimeter lang en enkele tientallen jaren oud worden. Graskarpers van meer dan 40 pond behoren tot de hoge uitzonderingen. De graskarper voedt zich voornamelijk met (zachte) waterplanten. Maar ook in het water hangend gras staat op de menukaart van de vis.
Kroeskarper, is koper/bronsachtig van kleur en heeft geen baarddraden en een opvallend hoge rug. De kroeskarper is na ongeveer 2 tot 4 jaar geslachtsrijp, de mannetjes weer iets eerder dan de vrouwtjes. De paaitijd begint in mei en duurt ongeveer tot de maand juni. De kroeskarper voedt zich voornamelijk met kreeftachtigen en waterplanten. Het is een sterke vis, die in ondiepe wateren (vijvers) goed kan overleven, toch komt de kroeskarper voornamelijk in diepere meren en grote plassen voor. De maximale leeftijd van de kroeskarper ligt rond de 10 jaar. Een kroeskarper wordt niet echt groot, exemplaren van 40 centimeter zijn al vrij groot. Kroeskarpers groter dan 50 centimeter worden zelden tot nooit gevangen
De karper houdt van tamelijk warm water en dus is de zomer de tijd voor de karper. Gewilde plaatsen van karpers zijn bijvoorbeeld rietkragen, waterlelies, brugpijlers, zandbanken, mosselbanken. Bij stil warm weer 'hangen' ze daar aan de oppervlakte te zonnen.
Ook het paaien breekt pas los bij tamelijk hoge watertemperaturen. Dit paaien gaat er in alle hevigheid aan toe.
Helaas zijn de zomers in Nederland of Vlaanderen (meestal) te kort om de jonge karpertjes voldoende te laten groeien. Ze vallen massaal ten prooi aan snoeken en hebben te weinig vet reserve om de winter door te komen. Een succesvolle voortplanting in de Nederlandse natuur is bij de karper haast een zeldzaam verschijnsel. Om toch een aantrekkelijke karperstand te krijgen, zet de OVB daarom regelmatig kweekkarpers uit, om de visstand op peil te houden.
Er is weinig wat de karper niet lust qua voedsel. De karper kan uitstekend ruiken en proeven, en kan zijn voedsel probleemloos vinden. Dat karper niet altijd direct toehapt op aas dat hem voorgeschoteld wordt geeft aan, hoe voorzichtig ze zijn. Dit geldt voornamelijk voor de grotere karpers, welke zich niet makkelijk laten vangen.
De karper neemt met zijn stofzuikerbek bek een hap bodemmateriaal en zeeft het voedsel d.m.v. zijn kieuwen en bek er eruit. Het in en uitblazen van voedsel gaat met een zeer hoge snelheid Ook harder voedsel is voor de karper geen probleem. De karper kan hardere voedselbrokken (ook boilies, particles) kraken met zijn keeltanden. De keeltanden van een karper zijn erg krachtig. De kauwdruk van een karper van een kleine 30cm, zal niet veel verschillen met die van een mens.
Wanneer er veel karpers in een plas of meer zitten, dan kan het water hierdoor erg troebel worden. Vissen die een voorkeur hebben voor helder water, zoals de snoek en de ruisvoorn, moeten dan het veld ruimen voor de karper. Dit heeft de karper een slechte reputatie bezorgd. Troebeling in het water is veelal een teken van een te hoge karperstand in het water. Bovendien is het voor de karper zelf ook niet al te gunstig als ze me te veel soortgenoten in een viswater zitten. Door gebrek aan voedsel kan de conditie van de karper teruglopen. Maar wanneer ze voldoende eten, dan zijn karpers boven de 80 centimeter lang en een gewicht van boven de tien kilo een heel gewoon verschijnsel. |
Nadeel voor ons als karpervisser is, dat de zwaardere karpers zich lastiger laten vangen dan hongerige kleinere karpers in een wat minder goede conditie. Deze kleinere karpers worden dan ook veel sneller gevangen, en soms wel meerdere malen in een seizoen. Het is een bekend verschijnsel dat waar veel op karper wordt gevist, de vangsten in de loop van het seizoen afnemen. Een karper is niet stom en stoot zich niet snel twee keer aan dezelfde steen: hij laat zich dan ook steeds moeilijker vangen. Toch is dit niet helemaal waar, het komt voor dat een karper nog een tweede keer op dezelfde dag wordt gevangen. Dit gedragsverschijnsel wordt ook wel dressuur genoemd en kan het geduld van de karpervisser behoorlijk op de proef stellen. Het uitproberen van nieuwe aassoorten kan dan een uitkost bieden. Wateren waar veel op karper wordt gevist, maar relatief weinig wordt gevangen omdat de karper hier erg schuw is geworden, worden ook wel dressuurwateren genoemd.
De Brasem
De Brasem is echt een vis van onze streken. Hij komt vrijwel in iedere plas in ons land voor. Of het nu langzaam stromend water, een kunstmatig waterbekken, meren of zandgaten zijn. Hij voelt zich er thuis. Hij is zelfs zo weinig kieskeurig dat hij zelfs in brak water zijn weg vindt. Voor de duiksport is de Brasem een vis die we niet al te veel willen zien. Doordat de vis de bodem zwaar omwoelt ontstaan er erg nadelige effecten met betrekking tot de helderheid van het water.

De Brasem is een vis die makkelijk wordt verward met bijvoorbeeld de Kolblei. De kleur van de Brasem echter geeft een aardige indicatie over de juiste herkenning. De Brasem heeft een hoge rug die bovenop donkerblauw tot zwart is en over de flanken verloopt via grijs met een groene gloed naar groezelig wit tot gelig op de buik. Door deze kleur en door het materiaal waarvan de schubben zijn gemaakt, zullen de flanken wel goed het licht van een duiklamp weerkaatsen maar het zal de duiker nooit als oogverblindend voordoen.
De Brasem is een grote vis met een gemiddelde lengte van 35 tot 45cm. Het lijf is hoog en bij de flanken afgeplat. De hoge rug loopt tot bijna aan de kop door. de kop is naar verhouding klein. Bij de overgang van de rug naar de kop is er daarom een duidelijke knik die zich voordoet als een bochel. Erg kenmerkend voor de Brasem is de uitstulpende mond waarmee hij zijn voedsel als het ware van de bodem schept. De staartvin, de rugvin en de anaalvin zijn grijszwart de overige vinnen zijn iets lichter van kleur.
Door de typisch bek jaagt de brasem vooral op de bodem naar levende insectenlarven, slakken, kreeftachtigen, wormen en weekdieren. De brasem woelt op zoek naar prooi met de uitstulpbare bek de bodem om, waardoor kenmerkende kuiltjes ontstaan met een middellijn van ca. 15 cm, de zogenaamd brasemputten.
In normale omstandigheden wordt de Brasem na 4 tot 5 jaar geslachtsrijp. Hij, maar ook zij, paait van mei tot juli. De kraamkamer bevindt zich voor de 50.000 tot 350.000 eitjes op kniezerige bodems of op waterplanten. De eieren komen na ongeveer 3 dagen uit. Zowel de ontwikkeling van het embryo als van de pootvissen en de volwassen exemplaren zijn afhankelijk van temperatuur en voedselaanbod. Komen de eitjes bij 18oC al na drie dagen uit, bij 15oC duurt het wel twee weken. Kan een gemiddelde Brasem maximaal 45cm worden. In zeer gunstige omstandigheden met een overvloed aan voedsel liggen de groeikansen tot wel 80cm. Het voedsel van pootvisjes bestaat uit dierlijk plankton. De volwassen vissen eten weekdiertjes, larven en pieren. Bij gebrek aan voedsel vergrijpen ze zich aan afval, plantendelen en modder. Eet u smakelijk.