Pagina 28

Sint-Lieven of Sint-Bavo

Aantekeningen bij een groot schilderij
 
 Pagina 1 
 Pagina 2 
 Pagina 3 
 Pagina 4 
 Pagina 5 
 Pagina 6 
 Pagina 7 
 Pagina 8 
 Pagina 9 
 Pagina 10 
 Pagina 11 
 Pagina 12 
 Pagina 13 
 Pagina 14 
 Pagina 15 
 Pagina 16 
 Pagina 17 
 Pagina 18 
 Pagina 19 
 Pagina 20 
 Pagina 21 
 Pagina 22 
 Pagina 23 
 Pagina 24 
 Pagina 25 
 Pagina 26 
 Pagina 27 
 Pagina 28 
 Pagina 29 
 
 

Bovenstaand schilderij werd door het Gemeentebestuur van Wilrijk te Brussel op 15 juli 1972 aangekocht, bij een openbare veiling van schilderijen, meubilair en dergelijke.

De catalogus van de openbare veiling vermelde het schilderstuk als volgt: “ 17 de eeuw. H. Bavo die de werken leidt bij de bouw der kerk te Zierikzee (Zeeland); op het achterplan taferelen uit het leven van de Heilige”. (1)

Conservator Fr. Baudouin, van het Rubenshuis, bevestigde dat de schilderij inderdaad uit de 17 de eeuw dateert, Vlaamse school, van een onbekende meester. (2)

Blijkens de pontificalia (mijter, kromstaf en ring) is de centrale figuur een bisschop of een abt, gehuld in pontificaal gewaad: boven albe (of witte toga), rode dalmatica, rochet met fijn kantwerk aan de mouw en borstkruis,  draagt hij een weelderige rode koorkap, waarvan de brede zoom met figuratief borduursel versierd is.

Hij draagt ook de gulden mijter (mitra auriphrygata) en houdt in de linkerhand een kunstig bewerkte kromstaf. Blijkbaar betoont hij veel belangstelling voor het werk dat in uitvoering is.

Naast en achter hem staat een clericus, met het koorhemd bekleed, in de rechterhand zijn bonnet dragend. xml:namespace prefix = o />

xml:namespace prefix = o />

Aan de rechterzijde van de schilderij, op het voorplan, is een hakkende steenkapper met bijtel en hamer aan ’t werk; een leerjongen, haast een kind nog, help (of

speelt ?) met een winkelhaak.

Daarnaast zijn drie mannen doende en bezig een zware bouwsteen naar de passende plaats te verporren; een meestergast leidt het werk.

Op het achterplan draagt een helper de ladder, een ander sjouwt een vracht op zijn schouder en schoft, een derde klimt daarmee reeds op de bouwsteiger.

Op het derde plan ziet men de hoge poort en twee vensters van een bouwwerk dat door steunberen gestut wordt.

Aan de linkerkant zijn drie stoere mannen druk in de weer. Een van hen houdt een koevoet met beide handen stevig vast; samen proberen zij met verenigde krachtinspanning een zware bouwsteen los te wrikken.

Op het achterplan twee taferelen waar de heilige in bisschopsornaat, en de clericus die het superplie draagt, telkens in het gezelschap van enkele personen afgebeeld worden. Daarmede wordt blijkbaar verwezen naar en herinnerd aan twee markante gebeurtenissen uit het leven van de bisschop of abt, wellicht ergens in een liber miraculorum opgetekend.

Diep in de verte : ruïne van een oude burg of kerk en van een massieve toren.



Man met koevoet

Dat er schilderijen met afbeeldingen van heiligen, afkomstig van (soms voormalige) kerken of kloosters op de markt en  onder de hamer komen is niet ongewoon. Ook en vooral niet in onze tijd

In de cataloog komen Zierikzee en Sint-Bavo ter sprake. Zierikzee (persoonsnaam + ee = water) is de voornaamste stad van het door de Gouwe-rivier gescheiden eiland Schouwen-Duiveland; een "Dode Stad", door een 2 km. lange de Oosterschelde verbonden; 7.223 inwoners, daarvan 14% katholiek. (3)

Het eiland Schouwen-Duiveland wordt begrensd : ten Noorden door Zuid-Holland (Goeree en Overflakkee), de Noordzee (W.), Tholen en Noord-Brabant (O.) en de Oosterschelde (Z)

Met de eilanden Tholen, Noord- en Zuid-Beveland, Walcheren en met Zeeuws-Vlaanderen vormt het de Provincie Zeeland.

De overgang van dat gebied, met Schouwen-Duiveland, naar de Hervorming gaat terug naar het einde van de 16de eeuw. Omstreeks 1580 worden de kerkgebouwen ingeruimd voor de protestantse eredienst en de kloosters worden onteigend. In Zierikzee : de Sint-Lievensmonsterkerk en vele kloosters Cisterciënzers, Predikheren en Minderbroeders, Karmelieten, Franciscanessen en Cellezusters (Zwartzusters), Begijnen en Begarden. (4) Hing het groot schilderstuk daar ooit ergens ?xml:namespace prefix = o />

xml:namespace prefix = o />

Zoals immer en overal ijveren de vrome aanhangers van de "Nieuwe Leer" er ook in Zierikzee voor dat kerken en voormalige kloostergebouwen van paapse smetten gereinigd worden.

Betreffende de Sint-Lievenskerk meldt een oud archief nog dat reeds in 1572 door Ds. Jacob Jorisse  gevraagd wordt dat alle nog aanwezige altaren zouden afgebroken worden.

18 november 1655 : aanvraag bij de kerkmeesters tot de verwijdering van herinneringen aan de Roomse tijd, zowel in glazen als aan het gehemelte der kerk.

18 oktober 1663. Verzoek van de kerkmeesters : bij het witten van het interieur tevens de "geschilderde beelden" uit te wissen (Notulen Hervormde Gemeente).

2 september 1665. Hernieuwd verzoek tot verwijdering van “alle paepsche superstitieuze overblijfselen”  (Notulen Hervormde Gemeente).

Bij de beeldenstorm in 1566 schijnt de Sint-Lievensmonsterkerk gespaard te zijn gebleven. Zo werd een drieluik met de voorstelling van het Laatste Oordeel, door Jacob van Laethem omstreeks 1498 vervaardigd in  opdracht van Filips de Schone, veiligheidshalve naar het Stadhuis overgebracht, waarna het in 1809 aan de Rooms-katholieke Gemeente werd afgestaan en een halve eeuw later verkocht werd (thans in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Brussel). (5)

Maar de oude kerk van Zierikzee heet Sint-Lievensmonsterkerk. De vroegste vermelding daarvan is een oorkonde uit 1006, van bisschop Ansfried van Utrecht. (6) In een oude kroniek wordt anno 1151 gemeld : "een kapel gesticht en aan Sint-Lieven gewijd ter plaatse daar naderhand deeze kerk gebouwd werd”.(7)

Over deze kerk volgen enkele aantekeningen. (8) Aanvankelijk, 11de eeuw, een centraalbouw, graf- en memoriekapel van het grafelijk hof ? Eerste kerk in 1151; in 1378 een tweede kerk, die Kapittelkerk wordt. In 1454 wordt de stoere kerktoren "gefundeerd door een Hoochduytscher genoempt Keldermans Fabrijkmeester”. Na de kerkbrand, in 1466, werden de kapellen van de kooromgang sinds 1479 en het nieuwe koor ca. 1510-1520 herbouwd.



Sint Lievensmonsterkerk

 

In de nacht van 6 op 7 oktober 1832 werd de “hoofdkerk” door brand grotendeels vernield. De ruïne werd afgebroken. In de jaren 1835-1848 werd de “Nieuwe Kerk", het grootste bedehuis van Zeeland, een neoclassistische tempel, door architect Pieter Huijssen gebouwd en door G.H. Graus en J. Bourdrez voltooid. (9)



Man met bijtel en hamer

 

De Sint-Lievensmonstertoren werd, op enige afstand van de westgevel der kerk, gefundeerd in 1454 door Andries I Keldermans. Verder opgebouwd door Anthonis Keldermans I (na 1480), Rombout Keldermans II (na 1516), die ook het ontwerp voor de torenbekroning bedacht (+ 1531). In 1535 houten klokkenhuis met nooddak op de torenromp. (10)



Sint Lievensmonstertoren

 

In 1836 werd deze dakkap verkocht voor afbraak en de toren afgesloten met een klassieke kroonlijst; restauratie in 1883. Ten slotte de merkwaardige restauratie in 1957 onder de leiding van ir. H. de Lussanet de la Sablonnière. (11)

De patroon der kerk van Zierikzee is van oudsher Sint Lieven. Livinus (liud-win = volksvriend, var. lieve vriend), bisschop en martelaar, feestdag 12 november, gevierd in de bisdommen Mechelen, Doornik en Gent, luidens het Liturgisch Kalender anno 1952. (12) xml:namespace prefix = o />

xml:namespace prefix = o />

Patroon van de stad Gent,  van Sint-Lievens-Esse en Sint-Lievens-Houtem (beiden in het arrondissement Aalst) en van Merck-Saint-Liévin (ten Noorden van Arras, arrondissement Saint-Omer).

Een woord over de geschiedkundige bronnen betreffende Sint Lieven, Vooreerst de brief, in fraaie hexameters door de heilige reeds midden de 7de eeuw gezonden naar Florbertus, abt van de Sint-Baafsabdij, eerste opvolger van Sint-Amandus die het klooster had gesticht : een factum uit het scriptorium der abdij! (13)

De oudste vermelding van "bisschop Livinus", in de brief van abt 0thebold aan gravin Otgiva, echtgenote van Boudewijn IV (988-1035), dateert van ca. 1025-1030. (14) Het eerste levensverhaal wordt bewaard in een handschrift van de Sint-Baafsabdij (heden in de Universiteitsbibliotheek, Gent, Hs. 11.308) : "Passio vel Vita sanctissimi ac Deo dilectissimi Livini archiepiscopi et martiris", Het werd geschreven door een monnik die zich Bonifacius, homo peccator, noemt. (15)

Vermoedelijk werd deze Vita als een. hagiografische ontdubbeling op het stramien van de Vita Lebuini geschreven, naar aanleiding van de groeiende verering in de tijd van abt Lidwinus (1034-1036) - een naamgenoot! - of van Abt Folbert (1040-1066) en van de instelling der processie naar Houtem.

Ten slotte is er het relaas van de Translatio der relieken uit Houtem. (16)

Sint-Lieven, apostel van Vlaanderen en Brabant, ca. 580

Geboren uit een nobel Iers geslacht, reist na een vrome jeugd naar Engeland,  waar hij Sint-Augustinus,  door paus Gregorius als missionaris naar de Angel-Saksers gezonden, gaat opzoeken. Terug naar Ierland voor verdere studie, priesterwijding en bisschopswijding. Als zovele anderen uit Ierland, Schotland en Engeland, voelt hij zich geroepen tot de “peregrinatio Domini”. Hij verlaat land en volk voor de missie onder de heidenen van Terwaan, Zeeland, Gent. Daar vertoeft hij in het Coenobium Ganda en gaat er bidden op het graf van Sint-Bavo, onlangs in geur van heiligheid gestorven. Dan gaat hij op missietocht in het land van Aalst, o.m. te Houtem, tussen Gent en Ninove.

Het wordt een harde en bloedige missie. Want het volk is er ruw en barbaars. En daar gebeurt het : hij wordt aangevallen door een wildeman, een woedende bezetene ! Maar op het bevel van de Heilige die hem bekruist moet de razende duivel zijn prooi lossen. De arme man ligt als levenloos op de grond, tot hij weer recht komt en de Heilige bedankt.

De wondergoede en wonderdoende missionaris geneest ook de sinds dertien jaren blinde knaap Ingelbert, zoon van Crapahilde, en doopt de jongen.

Dan gaat hij prediken in Essche (Esse bij Geraardsbergen). Maar wilde heidenen bespringen hem, rukken hem de tong uit en slaan hem het hoofd af. (17) Dat gebeurde op 12 november 657. Ook Crapahilde werd gedood met haar zoon zij had er de heidenen een verwijt van gemaakt een heilige man vermoord te hebben.

De gemartelde missionaris werd begraven te Houtem. (18) En weldra vroom vereerd.

In 842 liet de H. Diederik, bisschop van Kamerijk (830863), het gebeente ontgraven en "verheffen" : deze Elevatio gold in die tijd als officiële canonisatie.

17 augustus 1007. Translatio : abt Erembold (998-1017) deed de relieken van Sint Lieven en Sint-Brictius uit Houtem naar de Sint-Baafsabdij overbrengen,

2 oktober 1039. Abt Folbert (1039-1060) beslist dat de relieken voortaan ieder jaar in processie zullen gebracht worden naar Houtem, waar ook enkele relieken van de Heilige zullen vereerd blijven.

1083. Melding van een Translatio door Ratbodo II (10681098), bisschop van Noyon-Doornik.

27 juni 1171. Nieuwe elevatie : Walterus I, bisschop van Noyon-Doornik (1168-1172) laat door abt Betto (1151-1177) de relieken in een kostbaar schrijn plaatsen. (19) Rijve en relieken zullen bij de beeldenstorm in 1578 vernield en verstrooid worden.

Zo bewaart de hagiografische literatuur de herinnering aan Sint-Lieven, bisschop, missionaris en martelaar. (20)

Maar dat levensverhaal, en Sint-Lïeven zelf, worden sinds lang en beslist gecontesteerd! (21)

Is deze heilige wellicht een dubbelganger van Sint Lebuinus, in Deventer ca. 775 gestorven en wiens dies natalis van oudsher op 12 november in het bisdom Utrecht gevierd wordt ?

De Patroon van Deventer is een Angelsakster. (22) Als Sint-Lieven kwam ook hij dus van den Lande van Overzee naar de Lage Landen als missionaris. Hij predikte vooral in de streek van Overijssel, bouwde een kapel, te Wulpe (bij Deventer), en herbouwde de kerk van Deventer die door de heidenen neergebrand was.

De moedige prediker van het Evangelie werd dikwijls door woedende heidenen bedreigd.

Op 12 november van het jaar 772 is hij vroom en zalig in de Heer ontslapen. Hij werd begraven in de kerk van Deventer. (23)

De historische kritiek acht de treffende gelijkenis tussen de twee biografieën hoogst bedenkelijk en verdacht ! Aan de twee heiligen wordt dezelfde naam gegeven en beiden komen zij uit hetzelfde "eiland der heiligen", Zij zijn als missionarissen werkzaam in de Lage Landen. Hun sterfdatum is dezelfde (12 november) en ook de plaats van het overlijden is gelijkluidend : Sint-Liudwin wordt gemarteld te Essche (arrondissement Aalst), Sint-Liafwin sterft in de wijk Assen (= Esscheboom) te Deventer.

Ook de datums van hun tweede feest (gedachtenisviering van de Translatio) komen nagenoeg overeen : 27 juni (Sint-Livinus) en 25 juni, (Sint-Lebuinus) .

Daarenboven heeft de kritiek heel wat parallellen tussen de teksten van beide Vitae opgetekend. (24) Men verdenkt de monniken van de Sint-Baafsabdij ervan dat zij “pour les besoins de la cause” het levensverhaal van Sint-Lieven zo maar samengesteld hebben : “C’est dans le courant du 11 e siècle que le nom, puis la Passio et le culte de S. Liévin furent "lancés" par la propagande des moines de Saint-Bavon. Ils fixèrent sa fête au 12 novembre, jour òu elle devait áclipser la mémoire d’un saint quasi homonyme mais bien plus anciennement attesté, S. Lébuin (Liafwinus, Liefwinus), missionaire anglo-saxon honoré en Frise,  òu le monastère gantois avait des propriétés". (25)

Wegens het omvangrijk domaniaal bezit van de Sint-Baafsabdij in Zeeland is er inderdaad verband tussen de Zeeuwse eilanden, Sint-Lieven én Sint-Bavo.

De heilige Willibrord, eerste bisschop van Utrecht en Friesland, die op het eiland Walcheren de moederkerk Domburg stichtte, werd door Frankische koningen en Rijksgroten bedacht met enorme gebieden, meestal schaars bewoond en nog niet bedijkt; schorren waar nochtans schapenteelt, veeteelt en zoutwinning mogelijk waren. De bevolking groeide geleidelijk aan als gevolg, van nijverige cultivering onder de leiding van grote munsters die deze domeinen verworven hadden : de abdijen van Lorsch (Hessen), Sinte-Geertruide (Nijvel), Echternach (Groot-Hertogdom Luxemburg) en de Sint-Baafsabdij (Gent).

Sint-Amandus, een reizende missiebisschop (+ 675), stichtte omstreeks 630-639 bij de samenvloeiïng van Leie en Schelde een klooster dat een tijdlang Ganda zou heten en Sint-Pieter als patroon eerde. Florbert, de eerste abt daarvan, kocht goederen in de buurt van het klooster met geld dat hem door koning Dagobert geschonken was. In de 7de eeuw werden door aankoop nieuwe villae verworven; ook wegens schenkingen door grootgrondbezitters groeide het domein.

Sint-Bavo een edelman uit Haspengouw, door de prediking van Sint-Amandus tot heldhaftig-vroom leven bekeerd, werd boeteling, kluizenaar en monnik van de abdij. Omstreeks het jaar 653 zou hij daar sterven en begraven worden. Wegens de roep van heiligheid en de wonderen bij zijn graf zou het munster sinds het begin van de 9 de eeuw Sint-Baafsabdij gaan heten. (26)

De drie belangrijkste domeinen van de abdij waren gelegen in de omgeving van Gent, in West-Brabant en in Zeeland. (27)

Er is een inventaris van ca. 820, toen Sint-Baafs een der rijkste abdijen van België was, betreffende de villae en beneficia; een domein dat wellicht teruggaat naar een koninklijke gift in de Merovingische tijd, gelegen in de "pagus Frisiensis", de Friese eilanden, meestal alluviale gronden ("marisci”), schorren en schaapsgronden in de kuststreek boven en beneden de Honte (Westerschelde). Tot in de 10 de eeuw zal het zwaartepunt van het grondbezit zich bevinden boven de Honte, op het eiland Schouwen (pagus Scaldis, gouw Scouden), waar de charters Creka en Papingalant melden, met een kerk en schorren die 900 schapen kunnen voeden. Verder Noord- en Zuid-Beveland (pagus Bevelanda) (de vroegere eilanden Wolfaarsdijk en Borselen) en ten slotte Walcheren (Walachra) .

De tweede helft van de 9 de eeuw was rampzalig voor de Sint Baafsabdij : tot tweemaal toe, in 851 en 879, werd zij bezet geplunderd door de Noormannen. Het domaniaal bezit kwam, in Zeeland, in handen van leken die zich door usurpatie verrijkten.

Luidens een diploma van keizer Otto II (18 januari 976) werden de goederen op Schouwen, Beveland, Walcheren en ook aan de Zuidkust van de Honte (Westerschelde) opnieuw in het abdij gesteld door kanselier Dirk II van West-friesland, graaf van Gent. (28)

Tussen 976 en 1003 echter wordt het domein ten noorden van de Honte door de abdij vervreemd; ca. 1019-1030 zal zij daar geen grondbezit meer hebben. (29)

Maar vanaf de 11 de tot de 13de eeuw tracht Sint-Baafs door aankoop en dank zij schenkingen een nieuwe domeingroep op te bouwen in Zeeuws-Vlaanderen, ten zuiden van de Honte : in de ambachten van Aardenburg, Oostburg (Groede, Yzendyke, Ossenisse), Boekhoute, Assenede, Axel en Hulst. (30)

Met het oog op rationalisatie en efficiency bij het beheer van de domeinen wordt verder gelegen grondbezit vervreemd of voor dichter bijgelegen goederen geruild : Papinglo (bij Maldegem), heide tussen Mendonk en Moerbeke, en in Weert (Dendermonde). Zo werden eertijds reeds de villae van Wintershoven en Winden geruild voor die van Vremde en het bos Boningerode (bij de villa Boechout).

Blijkens een oorkonde cedeert Sint-Baafs op 19 januari 976 zijn bezit van Noorderwijk en Itegem (in Taxandrië) aan de nobele Folgbert en Reginswinde in ruil van de villa Houtem.

In het begin van de 12de eeuw zal ook de curtis van Sint-Lievens-Esse in het domein opgenomen worden.

Uit de 11 de eeuw dateert de redactie der Vita van Sint Lieven (van Houtem) in de Sint-Baafsabdij, vermoedelijk geïnspireerd door de Vita van Sint-Lebuinus (Levinus) van Deventer.

In 1007 wordt de plechtige Translatio van zijn gebeente uit Houtem naar Sint-Baafs gehouden.

De relieken worden ook in Schouwen rondgedragen. (31) En tenslotte zal van uit de abdij de verering van Sint-Lieven, bisschop en martelaar (in de plaats van Sint-Bavo) als schutsheilige van Zierikzee aanbevolen worden. “Chose pour le moins paradoxale, c’est de Saint-Bavon que sera importé plus tard á Zierikzee, dans l’île de Schouwen, le patronage de Saint-Liévin, que la plupart des historiens ont bien soin de distinguer de S. Lébuin. Vois, entre autres, F.D. De Vos, Een blik op het ontstaan en de verdere ontwikkeling van Zierïkzee, p.60 (dans “oudheidkundig Jaarboek publié á Utrecht, 3e serie, t. I,  1921, P. 57-80). Ce culte de S. Liévin à Zierikzee fit naitre une tradition selon laquelle le missionaire irlandais aurait d'abord ávangélisé l’île de Schouwen". (32)

Bij de afbraak van de in 1832 door brandgeteisterde "Hoofdkerk" van Zierikzee, vond men de fundering van een centraalbouw. J. Van Agt meent dat deze aloude munsterkerk moet gesitueerd worden in het midden der 11 de eeuw. Was zij wellicht een Sint-Martenskapel, waaraan in 1151 een Sint-Lievenskapel werd toegevoegd ? (33)

"Tegenover het grafelijk kasteel, door Boudewijn V, graaf van Vlaanderen (1035-1067), te Zierikzee gebouwd, zou in 1151 een kapel zijn gesticht die gewijd was aan Sint-Lieven, een Schotse bisschop, die in Vlaanderen de marteldood onderging en wiens stoffelijk overschot in 1007 overgebracht werd naar de Sint-Baafsabdij te Gent.

In het noorden werd hij alleen op Schouwen vereerd. Hij gold als een beschermer der zeelieden en werd de schutspatroon van Zierikzee.

Op 25 juni 1463 stond de Sint-Baafsabdij een deel van de arm van de heilige af aan de Sint-Lievenskerk te Zierikzee.

Sindsdien werd deze kostbare reliek jaarlijks op 25 juni en 12 november, de dag van het patroonfeest, in plechtige processie rondgedragen. Nog altijd zijn Levinus, Lieven en Levina in Zeeland voornamen". (34)

Wanneer het grote schilderstuk een heilige bisschop afbeeldt, die de werken aan de in opbouw zijnde Sint-Lievens-monsterkerk te Zierikzee leidt en zegent, moet

uiteraard dus eerst aan Sint-Lieven gedacht worden

Maar de catalogus van de verkoop interpreteert het op de schilderij afgebeelde gebeuren als volgt : "De H. Bavo die de werken leidt tot oprichting van de kerk te Zierikzee (Zeeland).

Daarmede is, in verband met de bovenstaande aantekeningen, het probleem scherp gesteld.

Dat de (eerste ?) kerk van Zierikzee oudtijds een Sint-Bavokerk zou geweest zijn, behoort toch tot de mogelijkheden.

"Maar hoe dan ook, zeker is dat de monniken van Sint-Bavo betrokken zijn geweest bij de bouw van de Zierikzeese kapel". (35) Want, zoals hoger aangetoond werd, de Sint-Baafsabdij had tot het einde van de 10de eeuw nog ruim domaniaal bezit op het eiland Schouwen-Duiveland : de reeds vermelde landgoederen Creka, Papingaland (weide bij de Gouwe), Fronenes, en een kerk in de buurt van de Gouwe-rivier. Welnu Zierikzee lag aan de kreek van de Gouwe.

En "zeer waarschijnlijk was de in 976 genoemde kerk, die van Zierikzee, later gewijd aan Sint-Lieven. Eerder moet die kerk van Zierikzee aan een andere heilige zijn toegewijd, wellicht aanvankelijk aan de patroonheilige van de Sint-Baafsabdij, Sint-Bavo.” (36)

Toen op het einde van de 12de eeuw, en vooral in de 13 de eeuw de exploitatie van verre, moeilijk te bereiken en te beheren domeinen niet meer zo rendabel bleek, werden abdijgoederen van Lorsch, Nijvel en Echternach verkocht. Zij kwamen tenslotte voor een goed deel terecht bij de bisschop van Utrecht, die ze verdeelde onder zijn kapittelkerken.

Tot in de 14de eeuw zal Sint-Baafs echter nog goederen bezitten (ongeveer 80           in het gebied van Zierikzee.(37)

Er is nog een aanwijzing betreffende het verband tussen Sint-Baafs en Zierikzee: in de gasthuiskerk aldaar was er eertijds een Sint-Machariusaltaar. Macharius, vereerd als bisschop en belijder, die ook als pestheilige aanroepen was een heilige van de Sint-Baafsabdij. (38)

Sint-Bavo heeft dus, zowel als Sint-Lieven, iets te maken met de kerk van Zierikzee.

Maar de man die op de schilderij voor de bouwwerken belangstelling betoont, is een bisschop. Sint-Lieven wordt als bisschop en martelaar vereerd. Sint-Bavo, monnik, kluizenaar en boeteling, wordt echter als "confessor" geëerd en gevierd. (39)

"Belijder" is een eretitel door Kerk en liturgie verleend mannen waarvan het heldhaftige 'Leven een getuigenis voor Christus en Zïjn Evangelie was, die de Heer Jezus door woord voorbeeld gepredikt hebben: asceten en kluizenaars geven

een levensles van zelfverloochening en boete. (40)

Maar in de hagiografische traditie is er, in verband hier mede, een zeer oude variante die Sint-Bavo ook als bisschop eert.

In het Martyrologium dat Raban Maur (ca. 780-865), leerling van Alkwin, hoofd van de kloosterschool, en later abt van Fulda, nadien bisschop van Mainz, bevestigt hij de Vita van Sint-Bavo onder ogen te hebben gehad en vermeldt 1 oktober als "dies natalis” voor de Heilige zijn sterfdag en geboortedag voor de hemel. 1 oktober is in het munster van Gent de feestdag van Sint-Babo, bisschop”. (41) Het was vooral R. Podevyn die er zich voor heeft ingezet om Sint-Bavo als bisschop "ad praedicandum” of als kloosterbisschop te eren. (42) De bewijsvoering die aan Sint-Bavo de waardiigheid van bisschop of abt tracht toe te kennen kreeg echter geen instemming bij een recente historische studie (43). "Sub iudice lis est ... “

Op de achtergrond van de schilderij kan men twee taferelen bespeuren die ongetwijfeld bedoeld zijn als een herinnering aan gebeurtenissen uit het leven van de afgebeelde Heilige.

Heel duidelijk zijn die momentopnamen echter niet !   Men kan slechts gissen wat daar gesuggereerd wordt. De reizende bisschop-missionaris die het Evangelie predikt ? Genezing van een zieke of bezetene ? De opwekking van een dode? Hoe dan ook, veel licht wordt daarmede niet gebracht tot verdere opheldering of verklaring van het tafereel.

Het was een vrij lange peregrinatio naar Zeeland en Zierikzee, naar Sint-Lievens Houtem en de Sint-Baafsabdij te Gent; een wandeling doorheen het struweel van oude en nieuwe hagiografische literatuur.

Deze verhandelïng werd ook een verkenningstocht doorheen legende en historie, domaniaal bezit en beheer, devotie, historische kritiek en kunstgeschiedenis.

Dat het inderdaad de bedoeling moge geweest zijn van de kunstschilder en van zijn opdrachtgever Sint-Bavo aan te wijzen en te huldigen als de initiatiefnemer en bouwleider van de oudste kerk in Zierikzee, strookt wel met de 16 de-eeuwse historiografie, die er immers graag op bedacht was gemeenten, kerken, kloosters en voorname geslachten te eren en te sieren met liefst zo oud mogelijke oorsprong en adeltitels !

Positieve en concrete inlichtingen betreffende herkomst en geschiedenis van het grote doek zouden wellicht verhelderend kunnen worden tot staving van ergens een werkhypothese betreffende de betekenis van de alleszins zeer decoratieve schilderij, die daar nu te pronken hangt in de Schepenzaal. het Gemeentehuis te Wilrijk.

 

Antwerpen, 27 november 1972.

 

 

Dr J. Van Brabant.

 

 

 

_____________________

 

(1) Tableaux anciens et modernes. Mobiliers, Meubles et Objets d’ Art  (12-15 juillet 1972). Galerie de Paris, Brussel. Vacation du samedi 15 juillet 1972 à 14 heures. p. 10 : “ Ecole Flamande du 17e, n. 793. Saint-Bavon dirigeant les travaux de construction de l’église Zierikzée (Zélande); á l'arrière-plan scènes de la vie du Saint. Toile. H. 1.8. L. 4.50”.

 

(2) “ In 1323 werd Zeeland bewesten. de Schelde definitief bij Holland gevoegd. Toch bleef cultureel en economisch de zuidelijke invloed duidelijk merkbaar tot in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Mechelse steenhouwers werkten aan Zeeuwse kerken en stadhuizen, de klokken kwamen uit Mechelse gieterijen en Antwerpse

kunstenaars leverden schilderijen”; J.J. Westendorp, Boerma en C.A. van Swigchem, Zierikzee vroeger en nu. Bussum, 1972, p. 19.

Kwam ook dit doek ooit uit Antwerpen ?

 

(3) Zie V.A.B., Gids voor Nederland - Antwerpen, 1960, p.99 -104; J.J. Westendorp Boerma en C.A. van Swigchem , o.c., p.10 -12.

 

(4) C. Dekker, Kerken en Parochies op Schouwen-Duiveland vóór de Reformatie; in Stad en Lande. Mededelingsblad van de Vereniging Stad en Lande van Schouwen-Duiveland, nr 14 (april 1972), P. 3-6.

 

(5) Cat. 557. Op de zijluiken van het triptiek Philips de Schone en Johanna van Aragon, op de keerzijde ervan Sint-Maarten en Sint-Lieven. Zie A.H.H. Bonekamp, Bronnen voor de bouwgeschiedenis van de voormalige Sint-Lievens-Monsterkerk te Zierikzee; in Historische Monumenten van Schouwen-Duiveland. Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond LII (1971), 2-3, P. 40. Over het drieluik zie ook M.J. Friedlander,  Early Netherlandish painting. Leiden 1959, n. 82, pI. 94 en J. van Agt, Een centraalbouw naar Akens model in Zierikzee ? 1.c., p. 46-47; J.J. Westendorp Boerma en C.A. van Swigchem, o.c., P. 47, 49 en 71.

 

(6) Die oorkonde is echter een falsum en moet gedateerd worden tussen 1050 en 1270, A.C.F. Koch, Oorkondenboek van Holland en Zeeland  tot 1299. Den Haag, -1970, I,  p. 129-131.

 

(7) Abrahamsen, Kronijk-register. Middelburg, 1717, p. 99.

 

(8) Over bronnen van de bouwgeschiedenis A.H.H. Bonekamp o.c., p. 39.

 

(9) W.H. Keikes en H.P.R. Rosenberg , De Nieuwe Kerk te Zierikzee, in Historische Monumenten, o.c., p. 52-55

 

(10) St.Leurs,  Winkler Prins Encyclopedie, 1936, X, s.v.

 

(11) Th. Haakma Wagenaar, Het voltooiïngsontwerp voor de Sint-Lievens Monstertoren te Zierikzee, in Historische Monumenten, o.c. p. 31.

 

(12) Het Romeins Martyrologium vermeldt de Heilige op 12 november. Het liturgisch Kalender voor de Eucharistieviering voor de Vlaamse Bisdommen in het jaar 1972 meldt op 12 november Sint-Lieven slechts voor het bisdom Gent. In de stad Gent wordt het patroonfeest van de H. Livinus als hoogfeest gevierd.

 

( 13) Acta Sanctorum, novembris, I p. 380-381; Monumenta Germanïae Hïstorica. Poetae latini aevi Carollnï IV, p. 169-173.

 

( 14) Tekst en kritische studie door L. Voet, De brief van abt Othelbold aan gravin Otgiva over de relikwieën en het domein van de St.-Baafsabdïj te Gent. Brussel, 1949, p. 2-2.

 

(15) Joh. Mabillon, Acta Sanctorum ordinis S. Benedicti saeculi II (600-700), Parijs, 1669, p. 431-462.

 

(16) Sinds 1252 vermeld als Sint-Lievens Houtem. Het verhaal der Translatio SS. Livini et Brictii, wellicht door Stepelinus van Sint-Truiden op het einde van de 11e eeuw in de Sint-Baafsabdij geschreven, werd uitgegeven door 0. Holder-Egger , in Monumenta Germaniae Historiae, Scriptores, XV, p. 611-614. De eerste liturgische vermelding in litanies uit het begin der 12de eeuw; M. Coens, Anciennes litanies des saints, in Analecta Bollandiana LIX (1941), p. 278. Er is verder een vrij uitvoerige hagiografische traditie en literatuur betreffende Sint-Lieven:

- Petrus Ribadineira en Heribertus Ros-Weydus, Generale Legende der Heylighen. Antwerpen, 1649.

- L. Leclercque, Vie de Saint-Liévin. Gent, 1651.

- Jos. Ghesquierus,  Acta Sanctorum Belgii Selecta. Brussel -Tongerlo, 1783-1794 (6 dln.), III p. 96-140.

- J.J. De Smet, Het leven van den heiligen Livinus. Gent, 1857; Vie de Saint-Liévin. Gent, 1857

- L. van der Essen,  Etude critique et littéraire sur les Vitae des Saints Mérovingiens de l’ancienne Belgique. (Université de Louvain.  Receuil de travaux. fasc.17).

Leuven - Parijs, 1907, p. 368-375

- J. Gessler, De aloude bedevaart naar Sint-Lievens-Houthem, in Oostvaamse Zanten XVI (1941), p. 65-73

- H. Nowe, Gentsche voorgeboden op de Sint-Lievensbedevaart, in Miscellanea J. - -- Gessler. Leuven, 1948 (2dln.), II p. 967-969,

- J. Walters, De eerste geloofspredikters op het grondgebied van het huidige bisdom Gent. Gent, 1946 (Sint-Lieven, p. 77-104).

- L. Antheunis, De reliquiën van de H. Livinus te Leuven en te Mechelen, in Bijdragen tot de Geschiedenis van het Oude Hertogdom Brabant. R.III. V, (1953) 2, P.119.

- A. De Wachter, Bij het traditionele Eeuwfeest van Sint-Lieven in 1957; in Collectanea Mechliniensia XLI 1956), p. 324-339 (Het Lievensprobleem), en p. 463-471 De Sint-Lievensverering).

 

(17) Zie het tafereel van P.P. Rubens, De Martelie van Sint-Lieven; heden in hei Koninklijk Museum voor Oude kunst te Brussel.

 

(18) Alb. Butler, Vies des Pères, des Martyrs et des autres principaux saints. Leuven, 1828-1835 (20dln.), XVII (1832), p. 247-251.

 

(19) M. Coens en J. van der Straeten, Un Martyrolcge du XIIe siècle à l’ usage de Saint-Bavon de Gand, in Analecta Bollandiana, LXXXIV (1966), 1-2, p. 140-143.

 

(20) In de schat van de Sint-Baafskathedraal te Gent wordt een mooi Evangeliarium (9 de eeuw), gezegd van Sint-Livinus, bewaard. Zie El. Dhanens, Sint- Baafskathedraal, Gent. (Inventaris van het Kunstpatrimonium van Oostvlaanderen V). Gent, 1965, P. 273-275

 

21) De vraag of de Vita Livini wellicht een plagiaat is van de Vita Lebuini, in de loop van de 11de eeuw door een monnik van de belanghebbende Sint-Baafsabdij, wordt sinds lang gesteld. Reeds in 1695 door Dan. Papebrochius, Acta Sanctorum junii I , p. 494; vooral echter door 0. Holder-Egger, Zu den Heiligengeschicten des Genter Sint-Bavoklosters, in Historische Aufsätze dem Andenken am G. Waitz gewidmet. Hannover, 1886, p. 622-665; door M. Coens, L'auteur de la Passio Livini s’est-il inspiré de la Vita Lebuini ? In Analecta Bollandiana LXX (1952), 3-4, p. 285-305; en

M. Coens, Litanies Gantoises, in Recueil d’études bolandiennes (Subsïdia Hagiographica 37). Brussel, 1963, p. 258-270; A. De Wachter, 1.c., p. 323-334-

 

(22) Uitgave van de Vita Lebuini antiqua door A. Hofmeister,  Monumenta Germaniae Historica, Scriptores XXX (1934) , II p. 789-795:  Vita Sancti Lebuini Presbiteri et Confessoris.

 

(23) De "Lebuinuskelk" en- het zgn. Evangeliarium van Lebuinus (ca. 835), wellicht afkomstig uit de schat der Domkerk te Utrecht, worden bewaard. in het Aartsbisschoppelijk Museum te Utrecht; zie Rijn en Maas. Kunst er Cultuur. Keulen-Brussel, 1972, p. 164 (A3) en p. 305 (J. 39). Zie ook W.J.A. Visser, “ Een reliek ‘de vestimentis’ van den h. Lebuinus” , in. Het Gildeboek, 1935, I.

 

(24) M, Coens en J. van der Straeten, Un martyrologe du XIIe

siècle, 1.c.; p. 144. “Héros de la superclierie littéraire”, zo luidt, het hoogst gestrenge oordeel van M. Coens, Translations et Miracles de S. Bavon, in Analecta Bollandiana; Revue critique d’Hagiographie, LXXXVI (1968), 1-2,  p.61.

 

(25) M. Coens, L 'auteur de la Passio Livini, l.c., p. 299-304.

 

(26) L. van der Essen, o.c., p. 349-357; E. de Moreau, Histoir de l'Eglise en Belgique. Brussel, 1940-1952 (6din.),            I, p. 192-194; J. Van Brabant, Sint-Bavo.

Edelman, boeteling en monnik. Wilrijk, 1967, p. 16-22.

 

(27) A.E. Verhulst, De Sint-Baafsabdij te Gent en haar grondbezit (VIIe-XIVe eeuw). Bijdrage tot de kennis van de structuur en de uitbreiding van het grootgrondbezit in Vlaanderen tijdens de Middeleeuwen, Brussel, 1958, (Verhandelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België - Klasse der Letteren. Verhandeling nr 30) p.  4-10,  47-49; Das Bestzverzeichnis der Genter Sankt-Bvo Abtei von ca,. 800; in Frühmittelalterliche Studiën, 5, 1971, p. 193-234.

 

(28) A.E. Verhulst, o.c., p. 85-86.

 

(29) De brief van abt Othelbold (1019-1034) aan gravin Otgiva,  echtgenote van Boudewijn IV, graaf van Vlaanderen (988-1035) werd geschreven naar aanleiding van de moeilijke toestand der abdij en van haar domein in. die jaren,. L. Voet, o.c.; A.E. Verhulst, o.c., p. 107.

 

(30) A.E. Verhulst, o.c., p. 110-115,  459,  597 vgg. Heel wat toponiemen en parochies die de naam van Sint-Bavo blijven dragen en hem eren als Patroon,  blijven herinneren aan dat aloude grondbezit en patronaatsrecht van de abdij, o.m. in Zeeland : Oostburg, Groede, Aardenburg; Sint-Bavodijk (tussen Nieuwvliet en Kadzand); zie J. Van Brabant, o.c., p, 249.  Dat Beveland toponymisch iets met

Bavo zou te maken hebben lijkt niet zo vanzelfsprekend...

 

(31) C. Dekker, o.c.2 p. 3.

 

(32) M. Coens, L'auteur de la Passio Livini, O.c., P. 296. Sint-lieven kwam ook te Houtem als kerkpatroon in de plaats van Sint-Michiel, en te Sint-Lievens Essche in de plaats van Sint-Martinus.

 

(33) J. Van Agt, 1.c.9 p. 46-47.

 

(34) J.J. Westendorp Boerma en C.A. van Swigchem , o.c., p.11.

 

(35) J.J. Westendorm Boerma en C.A. van Swigchem, o.c., p.11.

 

(36) C. Dekkers, o.c., p. 4-6.

 

(37)     In 1463 schonk de Sint-Baafsabdij nog een reliek van Sint-Lieven aan de kerk van Zierikzee; A. De Wachter, 1.o., p. 464.

 

(38) J. Van Brabant, o.c., p. 88-89.

 

(39) Het Romeins Martyrologium meldt : "Kalendas Octobris. In Portu Gandae sancti Bavonis Confessoris".

 

(40) Over de eretitel "Belijder" : H. Delahaye, Martyr et Confesseur, in Analecta Bollandiana,  Brussel, XXXIX (1921 ), p. 20-49.

 

(41) Babo is blijkbaar de Duitse transscriptie van Bavo in het oude handschrift; J. Van Brabant, o.c., p. 22.

 

(42) R. Podevijn , De oorspronkelijke Vita Bavonis, in Ons geestelijk erf, XV (1941), p. 62-72; Bavo (Heiligen van onze stam). Brugge, 1945, p. 16-18, 20-22.

 

(43) M. Coens, S. Bavon était-il évêque ? In Analecta Bollandiana, LXIII (1945), p. 220-241.

 

 

D/1973/1.087/1

 

 

Bovenstaand artikel werd uitgegeven door het Gemeentebestuur van Wilrijk in 1973