Belevenissen van een Tuinkabouter

Click here to edit subtitle

Donderdag, 28 juni

 
Ze stonden er zo lekker bij, de bessen en frambozen in de Hof der Zoetheid. Maar wat in vorige jaren nooit een probleem was (waardoor ik geen netten hoefde te gebruiken), is dat nu ineens wél: binnen één dag is alles weg! En de schuldigen, die zitten net buiten bereik, boven in een boom.......

Maandag, 25 juni

De bouwers van het disconest hebben het heel lang heel druk gehad met het nog verder opleuken van hun nest. Zo druk zelfs, dat het van eieren leggen maar niet kwam. Laat staan van broeden......
Maar nu is het dan zo ver: terwijl de andere twee paartjes alweer druk bezig is met de tweede leg, heeft moeder
disco-koet haar vleugels vol met een stuk of drie kleuters!

Vrijdag, 22 juni

Bij thuiskomst blijkt onze voordeur te zijn geblokkeerd door een volkomen uit de hand gelopen stokroos. Wanneer we ons ertussendoor hebben gewurmd, verwelkomen BettyLoes ons
op de gebruikelijke manier. Gôh, zijn jullie weggeweest dan? Whatever. Hebben jullie al gezien dat onze etensbak heel erg leeg is?
 

 
Dinsdag, 19 juni

De weg terug naar het noorden voert ons door de Auvergne. Op weg daarnaartoe stuiten we, geheel nietsvermoedend, op een prachtige schat in de vorm van het plaatsje Conques. Een stopplaats op de weg naar Santiago de Compostella. Dat deze bedevaartstocht nog springlevend is, blijkt uit het aantal pelgrims dat we hier tegenkomen. Uit alle hoeken van de wereld komen ze.

Net als wij zijn ze vol bewondering voor de oeroude kerk en de lokale heilige. In een museumpje ernaast bevindt zich een ware schatkamer. Vol met religieuze kunst die zo oud is dat we het ons bijna niet voor kunnen stellen. Uit een tijd waarvan maar weinig bewaard is gebleven: de allereerste Middeleeuwen, meer dan duizend jaar geleden. We zijn er stil van…..



De wolken zijn weer terug, de temperatuur inmiddels een graad of tien gezakt. Het dreigt maar het blijft droog. Daar onze weg langs een slingerweggetje door de bergen gaat, stellen we dit zeer op prijs. Eindelijk, na tweehonder kilometer reizen, zien we in het dal beneden ons onderkomen al liggen. Da’s niet zo moeilijk, het is goed herkenbaar: een Pipo-stijl woonwagen aan de oever van een klein meer. Hier strijken we de komende twee dagen neer om uit te rusten, te schrijven en te luieren. Even bijtanken voordat we aan de lange weg terug naar huis beginnen. Met het getinkel van grote bellen op de achtergrond: Pipo, kóéien!

 

Zondag, 17 juni

Het is nog geen honderd kilometer vanaf hier naar daar. Daar is Albi, een plek waarover we al het een en ander hebben gelezen, en waar we erg naar uitkijken. Maar dat duurt nog even, want we plaatsen ons voort als sprinkhanen: hoppend van het ene mooie plekje naar het volgende.

We zoeven vrolijk door flinke heuvels, kortgehouden door stoere maar vooral kale schapen, en geheimzinnige bossen. De stenen stapelmuurtjes groen door kleine watervalletjes en zachte moskussentjes. In Caylus komen we met gierende remmen tot stilstand: Harry heeft een prehistorische weegbrug gesignaleerd die nodig gecontroleerd moet worden. Het weeginstrument blijkt buiten gebruik, maar het plaatsje is niet onaardig. Zo ook de markt aan de Place de la Bascule, en het terrasje dat erop uitziet. Bied daar maar eens weerstand aan…..

De stop in Saint-Antonin-Noble-Val is wél gepland. Wat een typische Franse eigenschap is dat toch: hoe langer de naam, hoe kleiner de stad. Saint-Antonin is een middelmaat provinciale stad, gelegen aan de Lot. Net als alle steden en dorpjes in deze streek, staat het hier vol met oude, Middeleeuws aandoende huizen. Maar hier is nog leven, dit is geen museumdorp zoals we er al veel van hebben gezien tijdens onze Tour de France. Er zijn nog een bakker, slager en kruidenier, en er wonen nog jonge mensen. Een goed teken!


Maar bovenal is het hier gezellig. Aan de overkant van de rivier claimen we een bankje tussen de picknickende families. In de schaduw om te ontsnappen aan de verzengende hitte: niet te geloven dat we een dag of twee geleden, al schuilend voor alweer een regenbui van Bijbelse omvang, bijna besloten hadden om maar naar huis te gaan. Inmiddels is het twintig graden warmer, we moeten er even aan wennen.

Cordes-du-Ciel is een vestingdorpje bovenop een steile rots. We bewonderen het vanuit de verte en bezoeken in plaats daarvan het Paradijs. Of beter gezegd, Le Jardin du Paradis. Een nog niet zo lang geleden ontworpen tuin die is bedoeld om de zinnen te strelen met waterpartijen (bewoond door amoureuze waterjuffers), geuren (overal essentiële olie in kleine flesjes) en kleuren. En om te mediteren in de her en der aanwezige hangmatten. Het is aardig gelukt.




Uiteindelijk komen we toch in Albi aan. Je kunt het al vanuit de verte zien liggen, de enorme kathedraal lijkt hoger de dan bergen eromheen. We kunnen niet wachten om de oude kronkelstraatjes eromheen te verkennen en raken al doende behoorlijk oververhit. Even gas terug!

Vroeg in de ochtend is het nog heerlijk koel. We steken de rivier over via een vroeg-Middeleeuwse brug en hebben zo een prachtig uitzicht op de stad, die in zijn geheel uit rozerode steen is opgetrokken. Meer Italiaans aandoend dan Frans. De enorme basiliek, die vanuit bepaalde oogpunten meer op een burcht lijkt, is in zijn geheel opgetrokken uit rode baksteen in een stijl die ook uit de dertiger jaren had kunnen stammen. Het is echter een meesterwerk van vroeg-gotische bouwkunst vol prachtige schilderingen en beeldhouwwerk; het is dan ook vooral gebouwd om te imponeren. Dit is het hart van het land van de Katharen (vroeger beter bekend als Albigenzers). De mensen in deze streek zijn wars van autoriteit, gaan hun eigen gang. Spreken ook hun eigen taal, uitgedrukt in eigen straatnaambordjes die lekker eigenwijs naast de officiële Franstalige zijn gespijkerd. Onderdrukking door kerk en koning heeft ze er nooit onder kunnen krijgen.


Dit is het dieptepunt van onze reis. Zuidelijker gaan we niet. We keren hier om, enigszins weemoedig, en beginnen aan de laatste étappe van deze reis.

Vrijdag, 15 juni

 
Zo’n zestig kilometer verderop ligt Saint-Cirq la Popie. Net als Autoire hoort het tot een select groepje van “mooiste dorpen van Frankrijk”. Het is dus officieel, niet alleen onze mening. Maar we zijn het er volkomen mee eens. Puntdaken en rosse gevels verrijzen aan de voet van een versterkte kerk (natuurlijk bovenop een rots) met een traptorentje en een kasteelruïne op de achtergrond. Het is een wirwar van steile straatjes, met hier en daar een terras of atelier. Als je goed luistert kun je nog de echo’s horen van de hamers van de goud- en kopersmeden en het gesop van de textielververs. Toen de rivier opdroogde (en daarmee de handel en nijverheid), namen kunstenaars dit dorp over. Hier trok de grondlegger van het surrealisme zich uit het leven terug “omdat hij opgehouden had naar elders te verlangen”. Da’s een punt waarop wij nog niet zijn aangeland; wij trekken ons tijdelijk terug in een chaletje even buiten het dorp. Morgen gaat onze weg gewoon weer verder…..

Donderdag, 14 juni


De rit van de vallei van de ene rivier (Loire) naar de andere (Lot) is een lange. We doen er bijna een hele dag over. Rocamadour is de volgende bestemming. Een plaats om letterlijk duizelig van te worden en absoluut niet geschikt voor mensen met hoogtevrees. Vele middeleeuwse huizen lijken tegen een rotswand aangeplakt. Daarboven een sereen bedevaartsoord voor een heilige: Sint Amadour (inderdaad, wij ook niet). Op de top van de rots staat nog een kasteel. Privé-bezit; zouden wij ook we willen. Door de oude straat (er is er maar één) schuiffelen de vele, vele dagjesmensen. Op de lijst van meestbezochte, Franse bezienswaardigheden staat Rocamadour op nummer twee. We geloven het onmiddellijk. We wachten daarom tot een uur of vijf, tot de bui is overgetrokken, het licht zachter wordt en de bussen zijn vertrokken. Dan dalen we af en genieten. En gaan met de lift weer omhoog, je kunt tenslotte ook overdrijven!

Naast het stadje zelf, is de grootste attractie hier niet een dierentuin, apenbos of insectarium (hoewel die hier ook zijn), maar een grot: de Gouffre de Padirac. Wij bezoeken hem ook. Niet omdat hij ons door meerdere mensen is aangeraden maar omdat de zon schijnt. Immers, een dag geen regen is een dag niet geleefd, dus zoeken we deze daarom dan maar onder de grond. Inderdaad, in deze grot regent het de hele dag!
We beginnen onze verkenningstocht met een ijzeren trap naar beneden. Zo één van het type waaraan je je hielen zo lekker kapot schaaft. Honderdendrie meter, hoeveel treden is dat? We eindigen in iets wat vroeger ook een grot was, maar waarvan het dak nu is ingestort. Over de rand stort zich een kleine waterval die het begin lijkt te zijn van een onderaardse rivier, inclusief stroomversnellingen. Nog nooit zoiets gezien. Een bootje voert ons verder naar het binnenste van de berg. Hier is de hemel van steen, zo’n honderd meter boven ons. En overal druppelt water, voedingsbron voor vele beeldhouwwerken van moeder natuur. Daartussendoor staan beeldhouwwerken van ons onbekende kunstenaars. De meeste passen wonderwel en lijken hier te zijn ontstaan. Uiteindelijk gaan we met de lift weer omhoog. We willen tenslotte niet overdrijven…….


Veel minder bekend (want touringcars kunnen de bochten in de weg ernaartoe niet nemen) maar buitengewoon lieflijk is het plaatsje Autoire. Hier staat de tijd stil, al zevenhonderd jaar. Geen winkeltjes, lege straatjes, oeroude vakwerkhuisjes, een zee van bloemen. En een crêperie-met-terras-en-uitzicht op torentjes in de zon. Héhé, daar is dan eindelijk dat vakantiegevoel waar we al anderhalve week naar op zoek zijn. ‘t Werd tijd!

Dinsdag, 12 juni

Loire-dal en kastelen, ze zijn eigenlijk synoniem. Deze streek wordt ook wel Vallei der Koningen genoemd, omdat sinds de late Middeleeuwen de Franse koningen en hun gevolg hier hun genoegens kwamen najagen. Het was ook een prima plaats om afgedankte koninklijke minaressen te stallen.
We bezoeken verschillende kastelen, sommige met een leuk dorpje eraan vast.

Chenonceaux.

Dit kasteel is gebouwd naar de wensen van machtige vrouwen. Mannen hadden hier niet veel in te brengen. Met name Catherina de Medici en Diana van Poitiers hebben er hun stempel op gedrukt. Niet dat de dames elkaar mochten, aangezien de eerste met een Franse koning getrouwd was maar de ander zich op diens affecties mocht verheugen.
Het is een kasteel van ongekende grandeur. Efteling-style. Het is er ook ongekend druk. Wat wil je: het is zondag en het giet van de regen. Eenieder die zich door de modder de oprijlaan heeft opgeworsteld wil nu ten volle genieten. Het is dan ook dringen geblazen. De te volgen route wordt ons uitgelegd middels een I-pod met koptelefoon. Wanneer we eenmaal doorhebben hoe dat werkt, blijkt het een reuze handige manier om in je eigen luchtbel de vele zalen en gangen te verkennen. Zonder al te veel last te hebben van de hordes om je heen. We maken er een sport van om synchroom te luisteren: filmpje nr 4, 1-2-3 en touch!



Amboise.

Dit kasteel was favoriet bij een aantal laat-middeleeuwse vorsten. Veel eenvoudiger van inrichting en aanzienlijk minder rijk gedecoreerd, is het moeilijk te begrijpen dat het Franse hof hier huishield, in plaats van een veel luxer oord. Je vergeet gemakkelijk dat luxe in die tijd nog niet was uitgevonden. Dit slot had iets wat men veel belangrijker en prettiger vond, het was veiliger (Franse koningen werden meestal niet oud). En je kon er zo leuk je vijanden aan de vele balkons opknopen. Leonardo da Vinci bracht hier zijn laatste jaren door. Hij stierf een natuurlijke dood en ligt hier begraven in een eenvoudige maar sfeervolle kapel. Het dorpje aan de voet van de burcht is alleraardigst, zeker als we tijdens een opklaring even lekker op een terrasje kunnen nagenieten. De tarte de reine (koninginnetaart, tegen koninklijke prijs) smaakt ons er prima.

 
Chaumont.

Als afgedankte koninklijke maitresse kwam je dus in Chenonceau terecht. Wanneer je voormalig minnaar stierf, duikelde je nog verder op de sociale ladder en mocht je dat fraaie buiten weer inleveren ten faveure van diens weduwe, die eindelijk de kans zag wraak op je te nemen. Als je geluk had, mocht je naar Cheaumont. Had je minder geluk, dan eindigde je in het klooster. Met een beetje pech eindigde je aan het balkon van chateau Amboise. Het kon verkeren……
Wij vinden Cheaumont niet verkeerd. Eerlijk gezegd, we vinden het een heerlijke combinatie van tuin, kasteel en (moderne) kunst. In de tuinen rond het kasteel wordt ieder jaar een beroemd festival voor tuinarchitecten georganiseerd. Op een paar vierkante meter worden modeltuinen ingericht naar een bepaald thema. Dit jaar is het “verleiding”. Ik vind dat nogal meevallen. Er zitten juweeltjes bij, maar eerlijk gezegd ben ik niet zo van de moderne tuinarchitectuur. Doe ons maar ouderwets. We moeten nog uitkijken dat we niet opgaan de grijze golf die ons in dit jaargetijde en in dit land dreigt te overspoelen.
Ergens halverwege komen we het NFBT (Nationaal Front voor de Bevrijding van de Tuinkabouter) tegen. Tientallen zijn het er, gewapend met een hark, stijf in het gelid en klaar voor de strijd: vrijheid, gelijkheid en tuinkabouterschap!
Het kasteel zelf is maar gedeeltelijk gerestaureerd. De bovenste verdiepingen zijn in Victoriaanse tijden opgeknat, prefab-style. Het contrast met de lagergelegen verdiepingen met hun dikke wanden en solide deuren en haarden is opvallend. Hier vallen de gaten letterlijk ín en het behang ván de muur. Men gebruikt deze ruimte voor het tentoonstellen van moderne kunst, glas in lood in dit geval. We zijn er niet kapot van maar vinden het struinen door de zolders vol afgedankte spullen een ontdekkingstocht zoals je die maar zelden meemaakt.








Blois.

Dit kasteel (en bijbehorende stad) staat eigenlijk niet op ons programma, maar is gezien de weersomstandigheden een betere optie. Als je op het binnenplein staat, valt er vier eeuwen aan bouwstijlen over je heen, Dvan middeleeuws tot aan het laat barok. Eenmaal binnen, schrik je je dood: dit kasteel is rond 1850 gerestaureerd in een stijl die zich het best laat omschrijven als “zoals men toen dacht dat de renaissance eruit moest hebben gezien”. Een overgeromantiseerd beeld met ongelofelijke kitsch als gevolg. Maar dat is eigenlijk niet waar ik van schrik. Wel van het feit dat ik het eigenlijk helemaal niet zo lelijk vind……..

Zaterdag, 9 juni

Vendôme is een wat grotere provinciestad, met een aantal vroegmiddeleeuwse schatten die je daar niet zou verwachten. Het zijn restanten uit een tijd dat deze stad er nog toe deed en hoofdzetel was van de hertogen naar wie in Parijs nog een groot plein is vernoemd. Het was ook een belangrijke stopplaats voor pelgrims op weg naar Santiago de Compostella. De oude abdij plus kerk zijn nog in redelijke staat. In de oude kapittelzaal zijn oude fresco’s teruggevonden uit de twaalfde eeuw. Er is niet veel over maar wat er is, is subliem. Ook hier weer een relikwie, nu in de vorm van een heilige traan. De legende zegt dat Jezus huilde bij een graf en dat een van zijn tranen werd opgevangen door een engel, die deze bewaarde tot de keizer van Constantinopel toevallig langskwam. Die kreeg hem cadeau en schonk hem aan deze abdij. Daar werd hij driftig aanbeden (de traan, niet de keizer). Je moet toch wat, om klanten te trekken…….
 
Lavardin is een zeer fraai dorp van natuursteen met een heleboel grotten. Die worden gebruikt als opslagplaats voor wijn en kaas of voor het kweken van paddestoelen. Hoe koel ze zijn merken we als we er een betreden om wat lokale lekkerigheden te kopen. Het is er nauwelijks boven vriespunt, buiten lijkt het ineens tropisch. Toch is dit niet waar we voor komen, maar de wonderlijk serene kapel van St. Genest. Het duurt even voordat we hem gevonden hebben, en hij lijkt gesloten te zijn. Echter, na enig gemorrel aan een zijdeurtje blijkt hij toch toegankelijk en we stappen zomaar duizend jaar terug in de tijd. En dat voelt goed. De oeroude muurschilderingen zijn opvallend goed bewaard gebleven en doen in hun eenvoud heel oprecht en eerlijk aan. Het raakt ons diep.
 
 
Een paar kilometer verderop ligt Montoir-sur-le-Loir. Geen schrijffout. Er zijn hier twee rivieren: de Loir en de Loire. Alsof ze eeuwen geleden al wisten hou je een GPS op hol moest brengen. Hoe dan ook, in Montoir is een junior-rugbytoernooi aan de gang. De overspannen omroeper schreeuwt zich de longen uit het lijf, af en toe afgewisseld met een volkslied of Maori-dans. Toch is dit niet waaroor we komen, maar de wonderljk serene kapel van St. Giles. We vinden hem zonder moeite, maar hij blijkt gesloten te zijn. De sleutel kunnen we bij de lokale VVV ophalen. Getooid met een pond aan hang en ontsluitwerk, kunnen we alsnog duizend jaar terug in de tijd stappen. En dat is wederom buitengewoon fraai. De oeroude…… oh jee, ik verval in herhaling!
 
Nog 15 kilometer verderop ligt ons onderkomen voor de komende vier nachten. Een oude smidse, verbouwd tot gastenkamers. Het is een oase, de ontvangst uniek. We vinden onze gastheer tussen zijn ganzen. Eenmaal aan zijn verhaal begonnen, in rap Frans, is hij niet meer te stoppen. We zijn ook meteen uitgenodigd voor het avondeten, samen met de andere gasten. Al snel staat de zelf gestookte likeur op tafel, in twaalf variëteiten. En zo blijkt de avond lang maar wel heel gezellig!
 

Vrijdag, 8 juni

Claude Monet was al een redelijk bekend schilder toen hij, op weg naar zonniger oorden, vanuit de trein het gehucht Giverny zag liggen. Hij stapte uit, kocht een huis en ging nooit meer weg. Beetje bij beetje legde hij een tuin als een schilderij aan.


We waren gewaarschuwd: ga vroeg, dan loop je de hordes mis. We staan dus vóór openingstijd al voor de poort, samen met de genoemde hordes in de rij. Blijkbaar hebben we allemaal dezelfde reisgids. Binnen een kwartier tijd stromen letterlijk duizenden mensen toe. Zie dan maar eens te genieten van de kleurenweelde, het gezoem van de bijen, de geur van de rozen en het zonnetje dat zich waarempel zo af en toe laat zien. Ik doe mijn best, maar zou het liefst die @#$%!-Amerikanen over de tuinmuur kieperen. Gewoon, omdat ze met groepen van minimaal vijftig op hun veel te grote witte gymschoenen in ganzenmars door de smalle paadjes schuifelen en met veel te luide stem de rust verstoren.

 

Donderdag, 7 juni

De Europese eenwording is een mooie zaak. Eén munt: geweldig. Eenheidsworst: moet kunnen. Eén weer voor heel Europa? Da’s mooi prut! Vluchten kan niet meer…….

We nemen afscheid van onze lieve gastheer en –vrouw, en de regen klettert alweer. Volgende halte: Lyons-la-Forête. Vakwerkhuisjes, marktplein, bakken vol geraniums. Een beetje meer van hetzelfde en druipnat, maar nietemin erg lieflijk. En erg uitgestorven.

 

Volgende stop: Les Andelys. BIjzonder vanwege de ruïne van een kasteel gebouwd door Richard Leeuwenhart. Het kostte slechts een jaar om om op te trekken maar er waren 700 jaar verwaarlozing voor nodig om het in de huidige staat te krijgen. Kunnen ze bij Ikea nog van leren. Zelfs in de regen is het panorama fenomenaal.

 

Onze eindbestemming is Giverny, voormalig woonplaats van de schilder Monet, diens (erg) grote gezin en tevens broeinest van het Franse impressionisme. Maar vooral bekend door de wereldberoemde tuinen, een paradijs voor iedere tuinkabouter. En verwante types.

Woensdag, 6 juni

Behalve de hortillonages, heeft Amiens ook een kleine overzichtelijke botanische tuin. Er is geen betere manier om de dag te beginnen.

 

De lange rit naar Saint Georges du Mesnil onderbreken we in het gehucht La Buille, charmant en gelegen aan de Seine. Geboorteplaats ook van de beroemde schrijven Hector Malot, schrijver van “Alleen op de Wereld”. Zijn inspiratie deed hij vast hier op. De prachte vakwerkhuizen liggen er verlaten bij. Alle winkels, restaurants en creperies zijn gesloten. We komen niemand tegen. Zou onze rammelende maag de lokale bevolking afschrikken?

 

Saint Georges du Mesnil hebben we zo gevonden. Het huis van de mensen op wiens uitnodiging wij twee dagen gebruik mogen maken van een vakantiewoninkje, is moeilijker te vinden. De betreffende straat is niet bekend bij TomTom. En ook niet bij de mensen aan wie we de weg vragen. We treffen het: de eerste is hardhorend, de tweede woont hier net een week en de derde past alleen maar op de kinderen van iemand anders. Uiteindelijk vinden we het toch, op eigen kracht, en worden we uiterst gastvrij ontvangen. We mogen mee-eten en de koelkast is goed gevuld. En ze kennen ons niet eens. Tenminste, niet echt. Alleen als Tuinkabouter van het Internet. We zijn er stil van, en heel dankbaar…….

Maandag, 4 juni

Amiens is de hoofdstand van de provincie Picardië en lijkt in het niet te vallen in vergelijking met zijn enorme kathedraal, die je al van kilometers ver ziet liggen. Vlak onder de klokkentoren vinden we een slaapplaats. Vierde-verdieping-geen-lift. Geen conditie ook, zo blijkt…..

 

In de kathedraal, die nog in fraai gothische staat is, zonder al te veel barokke toevoegingen uit later tijden, vinden we de schedel van Johannes de Doper, smaakvol in een deur gemonteerd. De stad is er reuze trots op, wij vinden het minder.

 

Wat Amiens echt bijzonder maakt, zijn de drijvende tuinen. Kunstmatige eilandjes in de Somme waar de burgers al sinds mensenheugnis hun eigen groenten en fruit erbouwen. Hortillonnages worden ze genoemd. Klinkt toch beter dan moestuin. Door ieder jaar slib uit de rivier op het land te scheppen houden de hortillons het land supervruchtbaar. Dat is goed te zien, met name onkruid tiert er welig. In een fluisterboot verkennen we de kanalen en slootjes. Het is heerlijk rustig, en stervenskoud. Gelukkig zijn sommige tuintjes geweldig onderhouden, maar de verwilderde zijn helaas in de meerderheid. De gids noemt dat “natuur”. Ondanks de crisis zijn er genoeg akkertjes te huur of te koop. Of we geïnteresseerd zijn? Toch maar niet……

 
 
 
 

Zondag, 3 juni

Juist als er alweer een nieuw ijstijd uitbreekt en de wolken zich binnenstebuiten keren, beginnen we aan onze Tour de France; rillend maar vol goede moed. Erger kan niet, toch?

We rijden urenlang door vlak en druipnat landschap. Althans, we vermoeden dat er landschap moet zijn, maar zien doen we het niet. Het is mistig, het vakantiegevoel is er nog even niet.

Dan ineens: heuvels, en daarachter de zee en het plaatsje Wimereux en -waarachtig- een waterig zonnetje! De huizen hier stammen uit de Belle Epoque (Fransen zeggen altijd alles zo mooi!). Vrij vertaald betekent dat straten vol met honderd jaar oude villa’s Kakelbont in snoepjeskleuren. Over-the-top, we love it! Hier heerst een gevoel van vrijheid, ongetwijffeld door het brede strand en de wilde zee. En dat zonnetje, natuurlijk. Men noemt dit gebied de Opaalkust. Maar Côte d’Opale klinkt zoveel beter. Hier is het licht als melk, met af en toe een vonkje kleur.

Zondag, 3 juni

Het woord "Française" roept bij mij associaties op als chic, goed gekleed, onberispelijk en onnavolgbaar. Niks tuinkabouterigs aan. Net als deze iris, die in de Hof der Zoetheid bloeit. Als ze er zin in heeft....

Vandaag pakken we onze biezen en richten de neus van ons witte blik naar het zuiden. Naar la douce France. Niets besproken, niets geregeld: op de bonnefooi. Onze eigen Tour de France.

Over drie weken zijn we terug. Misschien lukt het om dit logboek bij te houden. Misschien ook niet. Je kunt ons in ieder geval volgen op: freese.waarbenjij.nu.

Zaterdag, 2 juni

Toen twee jaar geleden de Hof op de schop ging, heb ik een grote kluit viooltjes “Freckles” gedeeld. De ene helft mocht blijven staan, de andere verhuisde naar de tegenovergelegen border, waar hij meer zon krijgt. En zie: ineens blijken de sproeten ingeruild voor streepjes. Merkwaardig…….

Vrijdag, 1 juni

Welcome

Newest Members