Belevenissen van een Tuinkabouter

Click here to edit subtitle

Zaterdag, 26 februari

Kijk, hier wordt ik dan wel niet beter van (jazeker, nog steeds snipverkouden!) maar in ieder geval wél blij. In de achtertuin bloeien de irissen, sneeuwklokjes en sneeuwroem.

Woensdag, 23 februari

 

Wat doe je als je een vriendin hebt die dan wel een stoere tuinkabouter is maar niettemin toch bij je op de bank zit te snotteren?

Die geef je een paar oorbellen cadeau, in de vorm van een, jawel, tuinkabouter.

Werkt, nu ik zelfs geen chocola meer kan slikken, beter dan 20 aspirientjes.

Dank je wel, Saskia!

Maandag, 21 februari

Dertig graden temperatuurverschil gaat niet in de koude kleren zitten. We zijn vanuit de tropen midden in de natte sneeuw beland. Met als gevolg een fikse verkoudhoud, inclusief keel als schuurpapier, bonkend hoofd en het snot voor ogen. We voelen ons net zo ellendig als DD hieronder......

Donderdag, 17 februari

Er zijn van die vragen, die stel je jezelf nooit. Omdat er zaken zijn waarbij je nooit stilstaat. De duizendguldenvraag van vandaag luidt als volgt: “Lusten hagedissen chocola?” En, wat denk je dat het antwoord is? Jazeker, ze zijn net zo gek op de (peperdure) brokjes vruchtengelei met pure-chodolade-jasje als dat ik het ben. Zie je het voor je? Blauwstaarthagedis eet een stuk snoepgoed dat even groot is als zijn eigen koppie. Een beetje zoals een slang een ei eet. In de derde versnelling ook nog, dus een foto hebben we er niet van.
Helaas blijven we niet lang genoeg meer om uit te vinden wat het antwoord op de tweeduizendguldenvraag is: “Wat doet chocola met de spijsvertering vaneen hagedis?”



Aldus nemen we passend afscheid van Curaçao, eiland in de wind waarop we een beetje gek geworden zijn. Van zijn vrolijke inwoners, de zon, de muziek, de humor en de ontspannen levensstijl.

Dag suikerdiefje, hartendiefje. Als wij straks in die grote, stalen vogel zitten, zul je dan nog een beetje aan ons denken?

Woensdag, 16 februari

Ze hebben er vandaag geen zin in, de dolfijnen. Ze dobberen gezellig rond in hun bassin terwijl hun trainsters zich de longen uit het lijf fluiten en hun handen blauw slaan op het water. Doe het lekker zelf, het is vandaag véél te warm!



Het is typerend voor het gehele Sea Aquarium, waar sinds mijn vorige bezoek twintig jaar geleden geen verfkwast meer doorheen is geweest. En dat, net als ik, in de tussentijd nogal in verval is geraakt. Niet dat de dieren niet goed worden verzorgd, (veelkleurige vissen zwemmen tierig rond en de kreeft ziet er vet genoeg uit om de tafel van de koningin te sieren) maar het geheel doet erg shabby aan. Gelukkig is men aangevangen met de restauratie, over een jaar of vijf zal het vast weer prachtig zijn.

De rest van de dag verpozen we in een hangmat aan zee, als een spons alle zon en geluiden opzuigend. We branden de beelden op ons netvlies, zodat we er later nog lang van kunnen genieten.

Laatste zonsondergang, laatste avondmaal. Laatste bonnetje om te tekenen. Plop, het donderwolkje laat zich niet meer onderdrukken. We willen nog niet naar huis!

Dinsdag, 15 februari

(Geschreven door mijn liefste....)

Twee leguanen warmen zich op in een boomtop, zegt de één tegen de ander: “ de MH232 is laat vandaag ”.

Vlak achter de startbaan van Hato Airport fladderen vleermuizen in hun eigen luchtruim, de grotten van Hato. We volgen de gids door de “kathedraalkamer” en de “dakraamkamer” .
Zo’n tweehonderd meter de rotsen in, waar het vocht niet alleen langs druipsteenformaties maar ook over de rug sijpelt. De steile stenen trap naar de ingang hakt er in.
Met z’n zaklamp wekt de gids Piet Piraat, een olifantskop en zelfs de maagd Maria met kind tot leven.

 

Er zijn beneden nog wat verweerde Indiaanse rotstekeningen te zien. Deze mensen moeten fors van postuur geweest zijn want er zijn skeletten gevonden tot 1.75 m. De benedenwindse eilanden werden daarom door de Spanjaarden wel “Islas de los Gigantes” genoemd.

Vandaag verkennen we Band’Ariba, het oostelijk deel van Curaçao. Anke heeft haar zinnen gezet op de beroemde kruidentuin Den Paradera van mevrouw Dinah Veeres.


Ze loopt er vooral meer gigantische muggenbulten op, maar ook veel handige tips en trucs aangaande geneeskrachtige kruiden. Jonge, ziekeplantjes moet je bij voorkeur in een kleine hangmat wiegen en vooral veel tegen ze praten.


In de omgeving van Ronde Klip is verder weinig te zien. De gaten in de weg vormen echter voldoende afleiding. De buitenwijken van Willemstad zijn hier nooit ver weg. Landhuizen als Groot Davelaar en Zeelandia liggen verscholen tussen shoppingmalls en bedrijventerreinen. Hier wonen ook de meeste van de 140.000 inwoners. Hun “bungalows” worden door zware hekken beschermd maar boven elke deur valt Bon Bini te lezen. Ieder huis heeft een eigen kleur, fleurige bloempotten en een autowrak in de tuin. Op vrijwel elke straathoek worden SNEKS en verfrissende BEBIDO’s aan de man gebracht.

Ook verfrissend is het sap van de Aloe Vera-plant. Het flesje SENTEBIBA heb ik helemaal voor mezelf want Anke trekt een vies gezicht. Ze neemt liever een dag- en nachtcreme mee die de Aloe-plantage produceerd. En wieweet helpt het leuk tegen de jeuk. Rondleidingen zijn er niet meer.


Een muildier en een witte reiger houden de wacht bij de gesloten poort van landhuis Brievengat.
De post is tussen de spijlen van het hek geklemd. Om bij het surf-strandje van Boka Playa Kanoa te komen, moeten we een groot industrieterrein doorkruisen dus laten we dat voor wat het is.
Dat geldt ook voor de rest van Band’Ariba.

Na een korte wandeling door de wijk Pietermaai en rond het Waaigat, rijden we over de boog van de Julianabrug Willemstad uit. Rechts werpen we nog een blik op de grote raffinaderij en het havencomplex, het Schottegat.
Alvorens het oranje huurkarretje in te leveren moet er nog getankt worden. Daartoe dient er eerst aan een stoffig loketje naast de oprit van het pompstation een borgsom gestort te worden!

Het gaf trouwens een apart gevoel om weer guldens uit te geven, warme zomerdagen te beleven.
Met Hollandse luchten boven het strand.

Even koninklijk verpest, hier in “de West”

Maandag, 14 februari

Doe ‘ns een stapje opzij, schat, dan krijg je nog twee extra kleurtjes op de foto! Ik moet glimlachen als ik bedenk dat dit plekje op de wereld helemaal naar de zin zou zijn van de vader van mijn liefste, die kleurmaker van beroep was. Want kleur, daar weten ze hier wel raad mee.

Vandaag is rood. De kleur van de hartjes-lichtjes die mijn liefste over het bed drappeerde. De kleur van de muggenbulten op mijn benen, die zich vannacht op mysterieuze wijze hebben verdubbeld. De kleur van de kleren die veel Antillianen dragen ter ere van Valentijnsdag. De kleur van mijn gezicht nadat ik, in antwoord op mijn vraag waar -na anderhalf uur wachten- ons diner blijft, wordt weggewuifd alsof ik een lastig soort vlieg ben, in plaats van een gast in een vijfsterrenhotel. De kleur ook van het waas voor mijn ogen als me vanochtend iets vergelijkbaars overkomt in de ontbijtzaal. De kleur van het driftig knipperend lichtje op de telefoon van onze kamer. U heeft tien nieuwe voice-mail berichten. Ik verschiet van rood naar wit: het zal toch niet?

Bericht nr. 1: Er zijn issues met de watervoorziening. Er is derhalve geen warm water.
Bericht nr. 2: Er is nog steeds geen warm water, maar we houden u op de hoogte.
Bericht nr. 3: De monteur is onderweg.
Bericht nr. 4: Het probleem is onderkend, maar het betreffende onderdeel is niet op voorraad.
Bericht nr. 5: Het onderdeel is onderweg.
Bericht nr. 6: Het onderdeel is inmiddels gearriveerd.
Bericht nr. 7: Het onderdeel is gemonteerd. U heeft echter nog steeds geen warm water.
Bericht nr. 8: Onze welgemeende excuses.
Bericht nr. 9: Oh ja, ons restaurant, waar u een plaats dacht te hebben gereserveerd, is vandaag gesloten. Wij vertrouwen er echter volledig op, dat u zich verder wel redt.
Bericht nr. 10: Einde bericht!

Natuurlijk is vandaag niet alleen maar rood. We zijn immers op Otrabanda, ongetwijfeld het meest kleurrijke stukje van de hele wereld! Otrabanda, wat ”andere kant” betekent. Hoewel dat voor ons niet opgaat. Het is immers aan ónze kant van het water.
 
Vandaag is dus niet alleen rood, maar ook oranje als de zon als ze in de zee zinkt. Geel als het suikerdiefje dat zijn jong nu al de verslaving aan rietsuiker bijbrengt. Rose als de meeste toeristen hier, die ook niet op tijd een plekje in de schaduw konden reserveren. Of als flamingo’s in een zoutpan. Of zoals de bougainvilla afsteekt tegen een pasgeverfde muur. Groen als de Aloë vera die ik sinds enige dagen driftig in mijn haar smeer omdat ik er dan tenminste met de borstel doorheen kom. Of de parkietjes, die vrolijk kwetteren in de bomen. Blauw als onze billen na tien dagen in versleten strandstoelen. Wit als de snoet van mijn liefste als die bestuurder van links de bocht niet kan houden. Lila als de jurk waarmee ik vandaag veel bewonderende blikken oogst. Oh zeker, een kleurmaker’s paradijs!

Otrabanda is een wirwar van oude straatjes vol snoeperige huisjes waartussen het heerlijk dwalen is. Vrijwel geen toerist te zien want geen souvenirwinkels betekent ook geen cruisebootgasten. Wat vreselijk nou! Nog niet zo lang geleden was dit een volkswijk waar je maar beter niet kon komen. Totdat een rijke zakenman interesse kreeg, een aantal straten opkocht, deze helemaal opknapte en het geheel omtoverde in een buitengewoon charmant hotel met verschillende restaurants (die nu allemaal gesloten zijn waardoor het idioot stil is). Alzo werd het Kura Hollanda Hotel geboren. En werd de Curaçaose monumentenzorg ertoe aangezet in rap tempo het ene na het andere oude huisje op te knappen. Van Havanna-shabby tot Willemstad-sjiek. Het kan verkeren.

Het Kura Hollanda Hotel herbergt niet alleen gesloten restaurants en winkeltjes maar ook een museum, dat gelukkig wél open is. Hier wordt de lokale bevolking bekend gemaakt met haar (West)Afrikaanse wortels en haar slavernijverleden. Hoewel er van de lokale bevolking geen spoor te bekennen is, is het ook voor ons een eye-opener. In de tijd dat wij als blanken Afrikanen als slaaf verhandelden, zijn er bijna evenveel blanken als koopwaar aangeboden. Door Afrikanen. Vreemd, dat lees je nou nooit in de geschiedenisboekjes.
En passant wordt ook nog snel de evolutie aangestipt, en de vroegste geschiedenis van het Midden Oosten en het oude Egypte als zijnde de bakermat van de Afrikaanse beschaving. Merkwaardig, maar wel heel smaakvol vorm gegeven.

Tijdens een romantisch diner-voor-twee in restaurant “De Gouverneur”, zie we langzaam maar zeker de kleur uit deze dag vervagen. Het geeft niet. Wij hebben toch vooral oog voor elkaar!

Zondag, 13 februari

Zondag, rustdag. Het eiland is tot stilstand gekomen. De stranden afgeladen met families en koelboxen. Ook in het hotel is het aanzienlijk drukker. Ik weet niet of het de hordes zijn die zich in “ons” bubbelbad proberen te persen, of de druppels die in steeds grotere getale op ons neer beginnen te vallen, maar we voelen ons niet meer zo op ons gemak op ons eigen plekje en verkassen naar het balkon. Een prima moment om te mijmeren over ons verblijf alhier tot nu toe, terwijl een gordijn van regen de rest van de wereld even buitensluit.



Eerlijk is eerlijk, ik ben nog niet over mijn verbazing heen dat we: a. hier daadwerkelijk zijn en b. dat we hier nog stééds zijn. Vreemd genoeg ben ik er nog steeds op voorbereid dat ieder moment het gevreesde telefoontje kan komen. Zelfs nu de telefoon het begeven heeft. Dat is niet zo negatief als je in eerste instantie zou denken. Van iets dat niet zo vanzelfsprekend is, geniet je meer!

Genieten is hier niet moeilijk. Hier geen chagrijnige gezichten, geen overvolle trams c.q. agenda’s en vooral geen haast. En altijd mooi weer! De gemiddelde Antilliaan beleeft het leven trager dan wij het doen (behalve als hij/zij achter het stuur zit!). Wel zo gezond en je went er gemakkelijk aan.

Wat ik altijd het meest plezierig vind wanneer ik in de tropen ben, zijn alle geluiden. En dan vooral in de avond. Het is de sport om ze te herkennen: de kikkers rond het zwembad, de krekels een stukje verderop. Ze gaan blijkbaar niet goed samen. Het bijna onaardse geluid van het suikerdiefje, dat aan dat van een beo doet denken. Het gekwetter van de op koolmeesjes lijkende, geelzwarte vogeltjes, die druk bezig zijn hun territorium uit te zetten en het met veel verve te verdedigen. En het gekoer van de duifjes, dat een stuk eleganter klinkt dan dat van die lomperiken bij ons in de achtertuin.

Als je je snel slank wil voelen, dan is dit de plaats waar je naartoe moet. Mollig is hier de maatstaf en dikke billen het grootste schoonheidsideaal. Ineens doe ik het goed bij de mannen, en dat op mijn leeftijd. Yes, eindelijk gerechtigheid!

Inderdaad, als je zo zit te mijmeren schieten je gedachten alle kanten op!

Nog iets meer dan drie dagen mogen we hier blijven. Dit is meestal het moment waarop boven mijn hoofd een donderwolkje zichtbaar wordt. Maar dit keer duw ik alle gedachten aan dagelijkse sleur en tredmolens de kop in: we gaan alles uit deze drie dagen halen wat er inzit. En morgen is het Valetijnsdag!

Zaterdag, 12 februari

(Geschreven door mijn liefste.....)

Blauwbaai, Kaap Malmeeuw, Sint michiel, Bullenbaai. Het platteland - kunuku – ten westen van Willemstad, Band’Abou.
Heerlijk even een dag met een autootje over het eiland touren. De weg naar Westpunt volgen we.
Pas op voor overstekende hagedissen. De heuvels worden hoger naarmate we verder van “huis” raken. Dan is er links opeens een open vlakte. Laag water in oude zoutpannen, flamingo’s!
Schilderachtige aanblik, die meisjeskleuren, hun kenmerkende pose, een balletklasje.


Iets verderop is nog een beter uitzicht, landhuis Jan Kock.
Het oudste bewaardgebleven plantagehuis op het eiland. Witgepleisterd anno 1650.

 

Het biedt nu onderdak aan het werk van Curaçao’s kleurrijkste kunstenares Nena Sánchez.
We worden extra vrolijk van de schilderijen waarmee de grote middenzaal is volgehangen en de andere kamers zijn ook door haar “betoverd”, inclusief de meubels. Buiten toetert een jongen op een grote schelp, de honden schikken zich in een hoek van de galerij.
 

Beneden staan nog de flamingo’s, alsof ze persoonlijk door Nena Sánchez zijn ingekleurd.
Ik leg de zorgvuldig ingepakte aankoop in de kofferbak, we konden deze écht niet laten hangen.

Santa Marta, San Juan, Santa Cruz. Ondanks dat de Spanjaarden het in 1499 ontdekten duurde het nog enkele decennia voordat er mondjesmaat dorpen werden gesticht.
Eigenlijk was het maar een “waardeloos” eiland. Er werd gekapt wat er te kappen viel en alle Indianen afgevoerd om in hun andere koloniën te werken.
Uiteindelijk mocht een deel van de oorspronkelijke bevolking terugkeren naar Curaçao omdat er wat Spaanse gewassen en een veestapel waren ingevoerd die meer en meer verspreid raakten.
We passeren weer een slavernij-monument, gebalde vuist met gebroken ketting.

Landhuis Knip. Eén van de mooiste op Band’Abou. Maar ook een plaats van bezinning.
Groene heuvels, oker gele muren, rode dakpannen, zwarte bladzijden.
West Indische Compagnie, de strijd en het einde van de Tachtigjarige oorlog, ontwikkeling van de slavenhandel. De meeste slaven werden doorverkocht, een klein deel bleef op Curaçao achter om op de plantages te werken. Voor dag en dauw werden ze gewekt met een grote bel die hier nog ergens hangt. Juist op deze plantage begon de eerste slavenopstand onder leiding van Tula.
In het landhuis Knip komen nog meer onderwerpen aan bod die de Afro-Curaçaose geschiedenis bij de huidige samenleving tot bewustwording moet brengen. Maar op de zolderverdieping van wat nu Museo Tula heet valt mijn oog op een armoedige kopie van een vrijbrief. Op 11 december 1762, precies twee eeuwen vóór mijn geboortedag, betaald een moeder 50 pesos om haar dochter vrij te kopen. Langs dezelfde wand hangt nog een opsporingsbericht: weggeloopen negerin gezocht.

De autoradio strooit Caribische vrolijkheid in het rond, we zijn bijna in Westpunt maar onze gedachten zijn er even niet helemaal bij. Op de resten van een fort is een leuk café opgericht. Met uitzicht op een vakantiefolder-zandstrand, rariteiten die de bar opleuken en bijeengeraapte tafels en stoelen onder een afdak van plaatstaal. Bonte tafelkleedjes wapperen in de wind, gesleep van slippertjes. Wat we bestellen echoot in het papiamento richting keuken. Nu kan ze weer terugsloffen naar haar favoriete tv-soap.

De middaghitte slaat toe en we besluiten het Cristoffelpark per auto te verkennen.
Landhuis Savonet dient als informatiecentrum voor dit natuurreservaat dat rond de Cristoffelberg ligt. We moeten vóór vier uur weer het park verlaten hebben dus rest ons de kortere route langs de noordkust. Ons wagentje heeft moeite met de steile klim die langs grillige rotsen vol cactusvarianten naar Boca Grande leidt. De zee is hier ongetemd tegen terrassen van kalksteen aan het beuken.
In de hoger gelegen grotten hebben Indianen, al vóór dat ze Indianen genoemd werden, enkele rotstekeningen achtergelaten. Ons verenigd voorstellingsvermogen kan er niets van maken.
Het weggetje meandert terug richting het hoogste punt van Curaçao, langs de meest uiteenlopende boomsoorten die op het eiland te vinden zijn. In de verte doemt het inmiddels herkenbare silhouet van Savonet weer op. De lucht is vochtig en elke regenbui resulteert meteen in een zwellende stroom die behoedzaam overgestoken moet worden omdat er van die kleine wielen onder ons Koreaans karosserietje zitten. We passeren op tijd de slagboom.


Verweerde letters op een scheefgezakt ANWB- relikwie: San Pedro 1,6 km.
Volgens onze reisgids zou er op de gelijknamige vlakte een zoetwaterbron te vinden zijn en dividivibomen met zeezicht. Na een paar honderd meter lijkt de bewoonde wereld op te houden.
Bon Bini, staat er nog te lezen op de muren van het laatste huis dat we passeren. Ik negeer vervolgens een opschrift “verboden voor honden” en kom uiteindelijk op het erf van een geitenboerderij tot de conclusie dat San Pedro wellicht al lang geleden is opgeheven.


Onze kelen zijn inmiddels droog en landhuis Dokterstuin is ons dichtstbijzijnde bron.
Hoewel Anke vandaag al de hele dag niet lekker in haar gekleurde velletje zit, verwachten we de dokter niet meer in de tuin. Daar is nu een Creools restaurantje te vinden met heerlijke ijsjes.
We komen via een stenen trap en door de voordeur meteen tussen antieke spulletjes terecht.
Een Curaçaose opoe schommelt lekker op haar stoel terwijl haar nazaten lachend in de keuken aan de slag zijn. Komedor Kriollo.

Van landhuisarchitectuur naar gevlochten takken en een dak van maisstengels. Twee bochten verderop en twee werelden van verschil.
(Vrijgekomen) slaven woonden in eenvoudige en zelfgemaakte hutjes. Stro en leem werd over de gevlochten takken gesmeerd. Dan nog een laagje mest, klei en witte kalk. Klaar Kunukuhuisje.
Drinkwater zat in een grote kruik opgeslagen, buiten stond een oventje om brood te bakken.
De Stichting Monumentenzorg heeft gelukkig ook nog oog gehad voor het wonen en leven van de zwarte bevolking en hun kas di palu di maishi.
Op naar Julianadorp en de Piscaderabaai. Terug naar het hotel, waar we bediend willen worden …

Vrijdag, 11 februari

Kedéng! Met enig geweld probeert het pontje zich in de (handels)kademuur te boren. Poging mislukt, maar wél weer een deuk erbij. Hoe het komt weet ik niet, maar de pontjesbrug gaat altijd nét open als wij eraan komen. Erg vinden we dat niet. Het bootje is leuker en stiekempjes vind ik dat ook minder eng. Een boot hóórt op en neer te gaan, een brug niet!

We zijn dus terug in Willemstad, met een missie op naar de markt! Op zoek naar tropisch fruit en andere exotische waren. Bootjes vol verse vis, regelrecht overgevaren vanuit Venezuela, lonken de bezoekers toe. Mij niet, ik geniet op ruikafstand. Missie 1 is snel volbracht. Met een zak vol "mispels" verlaat ik de markt. Missie 2 is moeilijker. Wat te kopen voor een vijftienjarige als het niet van plastic en vooral niet te "blij" mag zijn? Kom er maar eens om. Maar uiteindelijk lukt het.

Ondanks het feit dat het vandaag wat minder warm is, vergt iedere beweging tien keer zo veel energie dan het in het koude Nederland kost. We rusten uit in een piratennest, ook wel Hook´s Hut genoemd en wereldberoemd in Curaçao en omstreken. Dikke hamburgers en romige saté met de voetjes in het koele zand, dat is net wat deze zeeschuimers nodig hebben. Onder een grote Manzanilla boom, berucht vanwege de giftige appeltjes maar volgens mij nog veel meer omdat deze boom kan míkken, begin ik aan boek nummer vier. Of was het al nummer vijf?

Donderdag, 10 februari

(Geschreven door mijn liefste.....)

De noordoostpassaat stuwt loodgrijze wolken over het eiland. Het voelt klam aan.
Regen laat niet lang op zich wachten. Welkome druppels roetsjen van de palmbladeren en wanneer ik m’n pen van het papier optil is het alweer droog.
De zee roept. Op de Insulinde wordt alles in gereedheid gebracht. Boven Willemstad is het vertrouwde hemelsblauw terug. We vlijen ons neer op een soort judo-mat boven de kajuit.
Welkomstdrankje, fregatvogels zweven vast vooruit, trossen los!
De machinist op de Emmabrug geeft gehoor aan de wensen van Captain Phil.
Ruim tachtig jaar oud – ik heb het nu over de Insulinde – als loodskotter in België gedoopt, vaart ze langs Caribische kusten met dagjesmensen en/of feestgangers aan boord.
De meeste passagiers zijn onder het dekzeil boven het achterdek gekropen. De zon laat de golven glinsteren, puur zilver. Op de bogen van het Waterfort staan mensen naar ons te wuiven.

Een eindje verderop vervalt een afgedankt landhuis, projectontwikkelaars hebben al een luxe holiday-resort geplanned. In het decor is nog nét het “olympisch vuur” van de raffinaderij zichtbaar, als tuinfakkels tussen de cactussen. Tegen de stroom en de wind in bereiken we de inham van het Spaanse water en wordt het schip aan een boei gebonden. Snorkels en zwemvliezen worden uit grote houten kisten tevoorschijn gehaald. Alsof we commando’s op een amfibische missie zijn, worden we het water in gejaagd. In exact veertig minuten moeten we een gezonken sleepboot opsporen en de omgeving in kaart brengen.
Maar eenmaal met de kop onder de zeespiegel wordt ik betoverd door alles wat zich in de loop van vele jaren aan het wrak heeft vastgehecht. Alle visjes en vissen, die we rond ons hotel al hebben zien snoepen van het koraal, lijken zich rond de roestige resten van de sleper te hebben verzameld.
Naast mij passeert Anke in haar vertrouwde regenboog-zwemvest. Ze ontvlucht het geflipper van de anderen, op zoek naar avontuur.

Eén van de bemanningsleden van de Insulinde strooit nog wat voer over de voorplecht van het wrak.
Zou Cousteau zoiets ook geflikt hebben ? Als één van de laatsten klautert Anke weer aan boord en samen doen we ons tegoed aan de gereedstaande nachochips en guacamole-something.

De motor wordt gestart, we verlaten Santa Barbara beach en de boegspriet wijst naar het oosten.
Even later vaart de Insulinde de Fuikbaai binnen, een smal binnenwater met dichte mangrovewortels aan de oevers. Kraamkamer voor het “zeefruit” dat straks op menig buffet staat uitgestald.

Voorbij dit punt is het eiland vrijwel onbewoond. In de buurt is er gelegenheid om naar een strandje te zwemmen maar er valt onder water niets te zien. Niet koud maar zout.
We besluiten lekker te luieren op onze judo-mat, terwijl de rest zich uitslooft met acrobatische sprongen van de reling. Zo zien we ook de half afgegraven Tafelberg en de schoorsteen van een versleten fosfaatfabriek niet.

Het laatste uurtje van de trip gaan we zeilen. Dat de bemanning uit vrijwilligers bestaat en de Insulinde geen volbloed windjammer is mag de pret niet drukken.
Dat Captain Phil het hele eind naar de thuishaven de motor laat meedraaien drukt mijn pret wél.
Er is nog watermeloen en ananas, de zee blijft even mooi.
Alsof wíj de zilvervloot hebben gewonnen, worden we door het volk op de Handelskade verwelkomd.
De reis is volbracht, een nieuw verhaal kan worden gesponnen.

Woensdag, 9 februari

We hebben onze draai hier helemaal gevonden, alleen nog niet ons eigen plekje. Het strand is natuurlijk prachtig (roze koraalzand) en het zwembad aanlokkelijk. Maar er is weinig schaduw, en er zijn nu eenmaal mensen die om 6 uur de wekker zetten om zich maar van een plekje onder een parasol te verzekeren. Aangezien wij uit ander hout gesneden zijn, moeten wij dus in de zon zitten. ’t Is inderdaad een luxeprobleem, maar toch…..

Gelukkig, daar is mijn Tijger al om ons te redden. Hij vindt voor ons het perfecte plekje, naast het bubbelbad, weg van de drukte en onder een pergola. Hier worden in de vroege ochtend en avond yoga lessen gegeven, dus dat zegt wel iets. Je hoeft hier eigenlijk alleen maar te zitten en de wilde natuur komt naar je toe in de vorm van hagedissen in allerlei vormen en kleuren: grasgroen maar ook blauw-met-spikkels. En geen kleintjes!

Dinsdag, 8 februari

(Geschreven door mijn liefste...)

De bel gaat. Nog eens, dwingender nu.
Langzaam schuift het hek dicht, langzaam genoeg om nog enkele “waaghalzen” toe te laten.
Gevaarlijke overgang: wacht tot het rode licht gedooft is, er kan nog een brug voorbij varen!
Zwarte walm stijgt op uit een hutje dat een zwaar hoestende motor herbergt. Dan zwaait de wiebelende sliert, tegen de wijzers van de klok in, al ronkend van ons af. Duizendpoot op drijvers.


De mensen die de sprong waagden, wandelen al halverwege de brug.
Ze weten natuurlijk dat ze straks met droge voeten op de “andere kant” stappen. Otra Banda.
Dan zullen ze zich meteen een weg moeten banen in de stroom passagiers die door een enorm cruiseschip is uitgekotst. De brug van de zeereus torent boven de wallen van het Riffort uit.
We zien hoe de passagiers aan de overkant naar “de punt” turen waar wij staan. Punda.
De wind jaagt witte wolken uit het Schottegat. De zon is fel en wie niet wil wachten tot de pontonbrug zich sluit zal de veerboot moeten nemen.

Anke oogst inmiddels haar eerste zaadjes. Even meen ik de gouverneur hoofdschuddend achter één van de ramen in Fort Amsterdam te zien staan. Vlak voordat we het oudste stuk van Willemstad willen verkennen, worden we afgeleid door een surrealistisch tafereel.

Als verhuizers die - zichtbaar boven hun macht – zo’n kostbare concertvleugel iemands zoldertrap opzeulen, worstelen twee sleepbootjes net zo lang met een kolossale olietanker tot ie precies onder het midden van de Julianabrug doorschuift. Triomfboog, denk ik hardop.
De St. Annabaai lijkt nu nog maar een slootje en de historische handelshuizen buigen hun zadeldak uit respect voor deze super-leverancier. Stel je voor: palmen in Pernis.

En weer meen ik achter mij een hoofdschuddende gouverneur te ontwaren. Oker geel pleisterwerk, witte kozijnen, groene shutters, twee kanonnen onderaan de trappen die naar het centrum van de macht leiden. Binnen de veilige bastions is ook de fortkerk gebouwd en in hetzelfde oker geel gesmeerd. Als de muren niet steeds witgekalkt worden, doet dat felle licht vast minder zeer aan de ogen, bedacht een gouverneur ooit. Rood, blauw of groen mag ook.
Eén van de kogels die de Engelse kapitein Bligh – ja, die van de Bounty – op het Hollandse bolwerk heeft durven afvuren, is prompt in de kerkmuur blijven steken.
Het is goed warm, terrasjes langs de Handelskade bieden schaduw en Amstel.

Met een plattegrond in de zweterige hand slenteren we door de Breedestraat en Heerenstraat.
Een roemrucht verleden wordt aan weerszijden van de weg door gestileerde gevelspitsen uitgedrukt in jaartallen. Een huis dat uit 1706 stamt heeft ook 5466 als opschrift, volgens joodse kalender.
De synagoge staat er vlakbij. Het is prettig om een voor mij vreemd gebedshuis te mogen bezoeken en het scheelde niet veel of ik had per ongeluk de rest van de middag met het bruikleen-keppeltje op door Punda gedwaald.

Aan een gezellig pleintje achter de Keukenstraat geniet ik van de lachende mensen om ons heen, de blauwe lucht, indrukwekkende draaikonten, Creoolse klanken … en een broodje kroket.
In het Wilhelminapark poseert een meisje voor de camera. Straks doet ze mee aan een soort Miss Carnaval-verkiezing voor kinderen. Ze straalt als een ster in de vlag van Curaçao.
We zoeken nog een winkel die zwemschoenen verkoopt. Thuis bleken we twee linker exemplaren te hebben aangeschaft die welliswaar dezelfde bescherming bieden tegen scherp koraal, maar zodra je ermee gaat zwemmen een voortdurende nijging naar stuurboord veroorzaken.


Er dobberen enkele vissersboten uit Venezuela langs de kade van het Waaigat. De drijvende markt gaan we nog eens op een ochtendje afstruinen, als Anke de vislucht weet te verdragen tenminste.
Nog eenmaal zet ik de kleurige pakhuizen op de foto als we weer over de Emmabrug naar Otra Banda lopen. In het Riffort sluit het winkeltje van Douwe Egberts stilaan de deuren. De vrolijke éénpersoons steelband heeft het podium verlaten. Het is mooi geweest. “Danki en Ajó”!
Wanneer we door de taxi bij het hotel worden afgezet – de vrouw van de chauffeur is gezellig meegereden – zien we nog nét het grote cruiseschip richting ondergaande zon verdwijnen …

Maandag, 7 februari

Vandaag rusten we uit. We staan niet al te laat op, want de mevrouw van de Kras heeft ons vast een heleboel te vertellen/aan te smeren (doorhalen wat niet van toepassing is). Maar eerst ontbijten, buiten op het terras, waar we worden verrast door een verscheidenheid aan vogels die hier met hetzelfde doel zijn als wij, namelijk lekker eten.

Er zijn zeker vier soorten duiven, waarvan de grootste ook de merkwaardigste is: met hun lange nekken, kromme snavels en kringen rond de ogen doen ze ons aan gieren denken. Rare combinatie! Er is ook een soort van middelbare grootte, met blauwe oogschaduw (we noemen hem de ABBA-duif) en er zijn hele kleintjes, waarvan er gemakkelijk twee in je hand passen.

Het zijn echter het suikerdiefje (geel met zwart) en nog een ander crimineel type (ziet er uit als een kanarie), die ons hart stelen. En ja hoor, ze stelen daarnaast inderdaad ook suiker, met zakje en al. De zoetstof laten ze liggen…..



Nadat we zijn bijgepraat en het resort hebben verkend, nestelen we ons met een sapje op het strand om er de eerste uren niet meer af te komen. Tegen de tijd dat onze velletjes beginnen te sissen, slepen we ons vijf stappen verderop naar het zwembad, op zoek naar schaduw.

 

Genoeg gedaan voor vandaag: daar de interne klok nog op andere tijden is ingesteld, storten we vroeg in. Nog een snel maal en dan vroeg onder de wol. Pardon, vroeg onder het laken met de airco op halfhoog.

Zondag, 6 februari

Na een lange vlucht, waarbij we een uur te laat vertrokken en toch nog een half uur te vroeg aankomen, rollen we enigszins verkrampt het vliegtuig uit. Regelrecht de tropische zwoelte in. Na het afronden van alle formaliteiten melden we ons bij de mevrouw van de reisorganisatie die ons doorverwijst naar het voor ons bestemde busje. Een goed halfuur later arriveren we bij onze pleisterplaats voor de komende elf dagen. Oh en ah bij onze medebusgenoten: dat ziet er nog eens sjiek uit!

De lichte angst die je bij het betreden van een hotel altijd bevangt, ”zouden ze ons wel kennen?”, blijkt ongegrond. Ze kennen ons zelfs twee keer! Men moet er zelf ook om lachen, zoals men hier overal om moet lachen, en we grinniken vanzelf mee. Onze kamer ziet er uitnodigend uit, maar daar slaan we nog even geen acht op. Over niet al te lange tijd sluit het restaurant en we hebben honger. Arkefly = water en brood, van de dure soort ook nog!

We laten ons de restjes van het tot stilstand gekomen lopend buffet goed smaken en drukken het bezorgde personeel op het hart dat we écht, écht niet erg vinden.

Na het eten doen we nog een rondje rond het zwembad, dat mysterieus turquoise-met-groen naar ons lonkt en een achtergrondkoor van kikkers kent, en we weten dat het goed zit hier.

Zaterdag, 5 februari

Morgen vertrekken we naar Curaçao voor een welverdiende uitrust-vakantie. Dus waait vannacht de schutting om. Zul je net zien!

We stutten hem tijdelijk met de palen die al klaarliggen voor een nieuwe schutting. Die had eigenlijk in de kerstvakantie al geplaatst moeten worden, maar ja toen stonden we tot de liezen in de sneeuw. En daarna was er geen tijd meer. En nu ligt hij dus om.

Oh, "#$$%%!

Vrijdag, 4 februari

Ik ben niet op mijn zonnigst als ik vanavond naar huis loop. Ongetwijfeld het gevolg van weer een zware dag op kantoor en een gruwelijke harsbeurt bij de schoonheidspecialiste.

Op weg naar de voordeur vang ik een flits blauw op, vanuit mijn ooghoeken. Tot mijn grote verbazing staan de irisjes in bloei. Ik had helemaal niet gezien dat ze in de knop stonden. Eigenlijk had ik niet eens verwacht dat ze nog eens zouden bloeien, want de omstandigheden zijn niet helemaal ideaal voor ze.

Wat een heerlijke verrassing!

Dinsdag, 1 februari

Eindelijk is het dan zover, wij tuinkabouters krijgen onze eigen film! En zo hoort het ook! 

Hier vind je de trailer.

Welcome

Newest Members