AAi WiTNUSS

WORKSHOP Reizen

Griot, meester van het woord

In de traditionele samenleving van West-Afrika behoren de griots of jali tot de middengroep van de nyamakala of ambachtslui. Als bewerkers van het woord, vormen zij meer bepaald de vierde groep nyamakala, naast de noumoun (smeden), de karanke (leerlooiers) en de kule (houtbewerkers). Net als de andere ambachtslui, bekleden zij een tussenpositie: zij zijn geen nobelen (horon), noch slaven (jon). De bekendste clans van jali zijn de Kuyatéh, de Diabaté, de Kanté, de Koné en de Diawara.                                                          Foto: Jali Ba Kuyateh   

De muzikanten komen hoofdzakelijk uit de kaste van de jali, hoewel er ook muzikanten uit andere sociale groepen bestaan: jagers (horon) en smeden (nyamakala) hebben bijvoorbeeld elk hun eigen muziektraditie. Jaliba Kuyateh, Mory Kanté, Toumani Diabaté en Adama Dramé zijn jali die bij ons als muzikant bekend zijn.                                                                                                                      

Een mannelijke griot of jalike zal meestal een muziekinstrument kiezen waarop hij zich specialiseert: ngoni, balafo, kora en tegenwoordig ook djembé, het instrument dat oorspronkelijk voor de smeden voorbehouden was. Een griotte of jalimuso wordt zangeres. De griots en griottes bezitten de kennis over de betekenis van de feesten en zien er als Masters of Ceremony op toe dat de feesten volgens de voorschriften plaatsvinden. Als een soort Afrikaanse troubadours, zingen de jalimuso of spreken de jalike de lof over de aanwezige horon en begeleiden zichzelf daarbij, of worden daarbij begeleid op ngoni, balafo, een soort kleine djembés des griots en de dounoun des griots: een doundoun met geitevellen die met een kromme stok wordt aangeslagen. De jalimuso heeft steeds de rol van voorzangeres en kiest het lied dat toepasselijk is op de betreffende persoon of de gelegenheid.

Maar muziek en (lof)zang vormen slechts een klein gedeelte van het ingewikkelde kluwen van taken die de jali in het sociale leven heeft. In de eerste plaats is hij de koumatigi of Maître de la parole. Als geen ander beheerst hij de kunst van het gesproken woord, van het verhaal en van de geschiedenis. Deze drie begrippen worden in het Mandinka met het ene woord kouma betekend. Een griot is eigenlijk een zak vol woorden.

foto: Jali Kebba Kuyateh                

Het hoogste doel van de jali is beluisterd te worden. Op alle openbare gelegenheden is hij de woordvoerder, hetzij als vertegenwoordiger van de groep, hetzij als een soort heraut van de horon die al dan niet koning is. Op zo'n publieke gebeurtenissen beschikt de griot als koumala (hij die spreekt), steeds over een dala miné die als vertegenwoordiger van de toehoorders het spreken ontvangt en het spreken ritme geeft door te antwoorden met namou ('inderdaad') of ayiwa ('wat je zegt').

We zien hier weer de typische ROEP-RESPONS-structuur verschijnen die we ook aantroffen in de muziek. In het wereldbeeld van de Mandinka bezet het gesproken woord een centrale plaats. Een ding bestaat pas als er een woord over uitgesproken is: "Toute chose est parole". Net als in de meeste andere orale of mondelinge culturen, heeft het gesproken woord een enorme kracht bij de Mandinka: "Het woord is een leeuw : hij vangt je onverwachts".

Het vereist van de jali veel geduld en een groot meesterschap om de kracht die van het woord uitgaat te beheersen. Hiertoe beschikt hij over een heus arsenaal van spreekwoorden en zegswijzen die "het paard van het spreken zijn". Van sommige griots wordt verteld dat zij zo machtig zijn, dat zij met woorden daken kunnen doen instorten of daken kunnen herstellen. Zij spelen en zingen en spreken dus letterlijk de pannen van het dak.

Als koumatigi is de jali ook traditionalist. Hij is de Afrikaanse tegenhanger van onze kroniekschrijver, maar in plaats van zijn kennis op te schrijven in een statische vorm, 'bewaart' hij zijn kennis in de vorm van epen, heldendichten en historische legenden. Hij behoedt de traditie, niet door haar te bewaken, maar door haar telkens opnieuw openbaar te maken aan een groep toehoorders, die eigenlijk al vertrouwd is met die verhalen en die ingewijd is in de betekenissen van de gebruikte symbolen en beeldspraak. Het is dus heel belangrijk dat de griot geen fouten maakt in de geschiedenissen of de stambomen die hij verhaalt. Hij moet alle clans kennen met hun jamu (clannaam),hun beba (eerste voorouder), hun tana (totemdier) en hun stamboom. Het is zijn taak om het wezenlijke van de cultuur te behoeden.

In het licht van de veranderende wereld, moet hij trachten de essentie van de traditie te behouden. Zo zijn er heel wat geheimen (waaronder clangeheimen) die bij de jali 'in de brandkast liggen' en die hij door zijn welsprekendheid kan oproepen voor ingewijden zonder er letterlijk iets over te zeggen. De griot beschikt als behoeder en verhaler van de geschiedenis over drie spreektechnieken: het eerste spreken (d.i. het Soundiata-epos over het ontstaan van het Mali-rijk), het oude (de geschiedenis) en het ouder wordende spreken (de stambomen) en tenslotte het spreken in het heden (de improvisatie). Elke jali moet gevormd worden door een meester die hem al de nodige kennis en technieken aanleert. Vaak gebeurt de vorming in de zogenaamde traditionalistendorpen zoals Djolibakro, de thuishaven van de Kuyateh in Guinée en Kela in Mali, waar de Diabaté wonen, die beschouwd worden als de enigen die het Soundiata-epos volledig kunnen vertellen.

De jali oefenen ook de functie van onderhandelaar uit; een functie die in de streng hiërarchische Mandinka samenleving erg belangrijk is. Zo bemiddelen zij in conflicten tussen geslachten, leeftijdsgroepen, clans, dorpen, etnieën en individuen. Zij worden vaak aangesteld als boodschapper tussen rivaliserende groepen of personen. In de functie van bemiddelaar tussen privé-personen kunnen jali, bij afwezigheid, vervangen worden door andere nyamakala. Een enkele keer bekleedt een jali de functie van onderhandelaar tussen de mensen en de hogere krachten en kan hij aldus de rol spelen van genezer en psycholoog.

Jali die aan het hof verbonden zijn, zijn ook de tussenpersonen en tolken tussen de koning en de gewone mensen. Een koning mag zich nooit rechtstreeks tot het gewone volk richten en omgekeerd; elk kontakt gebeurt via de jali. In die functie is de jali vast verbonden aan 'zijn' koning, aan wie hij de lof zingt en die hij moed inzingt tijdens oorlogen. Op die manier hebben de jali, die als nyamakala geen bestuursfunctie kunnen uitoefenen, toch vaak heel wat invloed op de politieke besluitvorming. Naast 'kabinetswoordvoerder' zijn zij dikwijls zelfs raadgever van de koning. Ook het uiten van lof is een politieke daad. Met veel diplomatieke vaardigheid zal de jali op een publieke bijeenkomst de lof zingen over alle horon die aanwezig zijn en zal hij bijzondere aandacht hebben voor hen die een belangrijke sociale status hebben.

Elke jali is verbonden aan een horon. De horon kiest zijn jali uit de nyamakala-clan die bij zijn clan hoort. Zo kiezen de Keita hun jali altijd uit de clan van de Diabaté. De jalike of jalimusso die de horon gekozen heeft, zal al de huwelijken en geboorten van de familie aankondigen, alle giften op de feesten bekommentariëren, kortom de stem zijn van de horon naar het publiek toe.

In ruil hiervoor is de horon economisch verantwoordelijk voor zijn jali en diens familie. Alleen als een griot trouwt, worden de rollen omgekeerd: het is de enige gelegenheid waarop een horon de lof moet zingen. De jali zijn trouwens de enige nyamakala die volgens hun eigen overlevering ontstaan zijn uit een clan van horon. De eerste griot van elke jali-clan was een horon die de lof zong over zijn broer, nadat deze een heldendaad had verricht. Vanaf dat moment bleven de nakomelingen van de ene broer de lof zingen over de nakomelingen van de andere broer. De allereerste jali was Bala Fasseke Kuyateh, de eerste voorouder van de Kuyatéh en de griot van Soundiata Keita, de stichter van het Mali-rijk.

Soundiata stuurde Bala Fasseke als onderhandelaar naar zijn vijand Sumaoro, koning van de Guinese Sousou. Sumaoro was zo verrukt over de kunsten van Bala Fasseke, die een begenadigd balafo-speler was, dat hij hem gevangen nam en hem aanstelde als zijn persoonlijke griot. Tot voor die dag was Sumaoro verplicht geweest om zichzelf te bewieroken en het leek hem wel wat om die taak aan iemand anders over te laten. Tegelijkertijd verklaarde hij de oorlog aan Soundiata; een oorlog die hij vele avonturen later verloor. Het is deze overwinning die Soundiata in staat stelde het Mali-rijk te stichten.

Yanne De Belder, april 1997 (herzien oktober 2002)

Geografie

Gambia (officieel: Republic of The Gambia) ligt op de uiterste westpunt van Afrika aan de Atlantische Oceaan.

Het is slechts 6 uur vliegen vanaf Amsterdam.

Van oost naar west meet Gambia ongeveer 320 km. Van noord naar zuid varieert de breedte van 20 tot 50 km. Gambia wordt aan drie kanten ingesloten door Senegal.

Gambia is een Engelse kolonie geweest, waardoor de meeste mensen Engels spreken (!!!).

In Gambia wonen ruim 1,3 miljoen mensen. De hoofdstad is Banjul met ca. 40.000 inwoners, terwijl de grootste stad Serrekunda is, met ca. 180.000 inwoners. Nabij Serrekunda liggen de badplaatsen Kololi, Kotu, Fajara en Bakau.

Klimaat

Gambia heeft een aangenaam subtropisch klimaat, met een duidelijk gescheiden koel droog seizoen en een tropisch heet regenseizoen.

In het droge seizoen van midden november tot midden mei is de temperatuur aan de Atlantische kust met ca. 30° en een geringe luchtvochtigheid zeer aangenaam. ´s Nachts daalt de temperatuur tot ongeveer 15°. De zon schijnt elke dag en er valt absoluut geen regen.

Landinwaarts is de koele periode korter: van december tot februari. Vooral overdag kan het van maart tot juni zeer heet zijn in het binnenland.

Het regenseizoen met hevige regenval en hoge luchtvochtigheid begint eind juni en duurt tot begin november. De regen valt meestal ´s nachts of ´s morgens vroeg en, zoals in de tropen gebruikelijk, altijd kort maar heftig. De regen zorgt ervoor dat de lucht onaangenaam zwoel en drukkend is. ´s Avonds koelt het licht af.

Klimaattabel:

 

Beste Reistijd
Het droge seizoen (tijdens onze Europese winter) is de beste reistijd.
De temperatuur is aangenaam en de luchtvochtigheid gering.

Atlantische kust
De beste reistijd voor Banjul en omgeving zijn de maanden november tot midden mei.

Landinwaarts
Voor het binnenland zijn de maanden december tot februari geschikte reismaanden.
De koelere tijd is hier korter dan aan de kust.

Geld

U kunt het beste contant geld en/of travelerchecks meenemen (EUR).

http://www.travelex.com/nl (koersconverter)

Munteenheid
1 Dalasi = 100 Butut.
Er zijn bankbiljetten van 100, 50, 25, 10 en 5 Dalasi.
Munten zijn er (beperkt) van 1 Dalasi en 50, 25, 10, 5 en 1 Butut.

Afkorting
D, GMD (ISO-code).

Geldwisselen
Geld en travelerchecks kunt u bij alle banken snel en met relatief weinig kosten wisselen. Er is een geldwisselkantoor op het vliegveld dat tijdens de aankomst en het vertrek van vliegtuigen geopend is. In Banjul zijn meerdere banken die buitenlands geld wisselen. In hotels en in de toeristendorpen is de wisselkoers vaak lager. De Gambiaanse munt is buiten het land niet converteerbaar.

Creditcards
Betalen met creditcards is in veel hotels en restaurants mogelijk. Bij enkele filialen van de Standard Chartered Bank (Banjul, Serekunda, Kotu en Kololi) kunt u met een creditcard (Visa, Mastercard) geld opnemen tegen een vergoeding van ca. D 100/125. Bij betalen of geld opnemen met creditcard wordt de rekening eerst (ongunstig) omgerekend naar Engelse Ponden of US Dollars en worden meestal ook 2-4 % kosten gerekend.

Vraag altijd eerst of creditcards worden geaccepteerd als u geen of te weinig contant geld bij u hebt.

Travelerchecks
Travelerchecks kunnen het best in Euro worden meegenomen. Houd er rekening mee dat er een commissie wordt afgetrokken bij het inwisselen. In de kleinere lodges kunt u vaak geen travelerchecks inwisselen.

Invoeren- en uitvoeren van buitenlands geld
Bezoekers moeten bij aankomst alle vreemde valuta aangeven. Er is geen invoerbeperking voor valuta. Bij vertrek mag u niet meer uitvoeren dan u heeft ingevoerd en niet meer dan 75 Dalasi meenemen.

CFA-Francs worden geaccepteerd. Munteenheden uit Algerije, Ghana, Guinee, Mali, Marokko, Nigeria, Sierra Leone en Tunesië worden aangenomen noch gewisseld.

Openingstijden van de banken

ma - do

08:00 - 13:00 uur

 

vr

08:00 - 11:00 uur

 
 

De openingstijden van banken en postkantoren kunnen ter plaatse variëren, een vaste regel is eigenlijk niet te geven. Veel banken zijn ook op zaterdag geopend.

 

Keuken

De basis van de Gambiaanse keuken bestaat uit rijst of couscous. Daarnaast gebruikt men zoete aardappel en verschillende groenten. En natuurlijk is er veel verse vis, kip of vlees. Vers fruit zoals mango's, papaya´s, bananen en sinaasappels zijn er in overvloed. Oploskoffie en thee zijn ook bijna overal verkrijgbaar. Bier ("Julbrew") en frisdranken zijn overal te koop.

In het toeristengebied zijn veel restaurantjes, waar u westers kunt eten, van pizza's tot patat.

In onze lodge is zowel een Afrikaanse als Westerse maaltijd te verkrijgen.

Geschiedenis

Gambia maakte ooit deel uit van het Ghanese Rijk. De eerste schriftelijke bronnen zijn verslagen van Arabische handelaren uit de 9e en 10e eeuw. De Arabieren haalden slaven, goud, en ivoor uit het gebied via een handelsroute door de Sahara. In de 15e eeuw namen de Portugezen deze handel over via zeeroutes. Gambia maakte toen deel uit van het Koninkrijk Mali.

In 1588 verkocht de Portugese troonpretendent Antonio Prior Do Crato de exclusieve handelsrechten op de Gambia-rivier aan de Engelsen. Koning Jacobus I van Engeland gaf in 1618 handelsrechten in Gambia en Goudkust aan een Britse bedrijf.

Aan het eind van de 17e eeuw en gedurende de 18e eeuw streden Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk om de macht in Senegal en Gambia. Bij de Vrede van Versailles van 1783 ging het gebied naar het Verenigd Koninkrijk. Frankrijk behield een kleine enclave die in 1857 alsnog werd overgedragen. In 1889 werd overeenstemming bereikt over de grenzen. Gambia werd een Britse Kroonkolonie.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vocht Gambia mee in Birma. In de hoofdstad Banjul maakte het Air Corps van het Amerikaanse leger tussenlandingen, en de haven werd gebruikt als tussenstop voor convooien.

In 1962 werden algemene verkiezingen gehouden. Gambia kreeg zelfbestuur in 1963, en werd op 18 februari 1965 onafhankelijk. Het bleef lid van het Britse Commonwealth of Nations en was een constitutionele monarchie met de Britse koningin als staatshoofd. Korte tijd later stelde de regering voor Gambia om te vormen tot republiek. Het voorstel haalde niet de vereiste tweederde meerderhied. Op 24 april 1970 werd Gambia na een referendum alsnog een republiek.

Gambia werd geleid door president Sir Dawda Kairaba Jawara, die vijfmaal werd herkozen. Een coup in 1981 door Kukoi Samba Sanyang werd na een week neergeslagen met behulp van Senegal. De twee landen vormden in 1982 de confederatie Senegambia, gericht op het samensmelten van beide legers, de economie, en de munteenheid. In 1989 stapte Gambia uit de confederatie.

In juli 1994 volgde een nieuwe coup. De democratisch gekozen regering van Dawda Kairaba Jawara werd afgezet. Er kwam een voorlopig militair bewind onder leiding van luitenant Yahya Jammeh. Het militair bewind kondigde een terugkeer naar de democratie aan. In 1996 werd een commissie ingesteld die verkiezingen moest voorbereiden.

Yahya Jammeh, inmiddels opgeklommen tot kolonel, werd op 6 november 1996 ingezworen als president. Op 18 oktober 2001 werd hij herkozen voor een termijn van vijf jaar.
Ook bij de verkiezingen op 22 september 2006 werd hij opnieuw verkozen als president voor een periode van 5 jaar. In
1998 en 1999 bezette Gambia een niet-permanente zetel in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

Slavernij

Gedurende de periode van de transatlantische slavenhandel werden 3 miljoen mensen uit de regio als slaaf naar Amerika gebracht. Hoeveel slaven door Arabieren zijn verhandeld via de route door de Sahara is onbekend. De slaven werden door Afrikanen aan Europeanen verkocht. Sommigen waren gevangen genomen in stammenoorlogen, anderen werden verkocht wegens schulden, of waren ontvoerd. Aanvankelijk kwamen de slaven in Europa terecht als bedienden. Later werden ze naar Amerika vervoerd. In 1807 werd de slavenhandel door de Britten afgeschaft. Zij probeerden ook een eind te maken aan de slavenhandel in Gambia zelf, aanvankelijk tevergeefs. De slavernij werd hier pas in 1906 afgeschaft.

Economie, Staatsinrichting & Staatshoofden

Economie

Gambia heeft geen minerale -, of ander natuurlijke rijkdommen. Vijfenzeventig procent van de bevolking leeft van landbouw en veeteelt. Daarnaast is er wat kleine industrie - hoofdzakelijk het verwerken van pinda's, vis en huiden. Het toerisme neemt snel in belang toe. Naast toeristen die voor zon, zee en seks komen, reizen vogelaars naar Gambia, en verder Amerikanen die afstammen van Afrikaanse slaven en die hier hun afkomst komen zoeken.

Staatsinrichting

  • staatshoofd: President Yahya A. J. J. Jammeh (tussen 1994 en 1996 ook hoofd van de militaire junta)